IV.

't Was stil in Stralings woning; 't had er iets van alsof er een doode

in huis was,--zóó droevig zagen èn Marie èn Frits er uit. Zij zat met

een bekommerd gelaat op de canapé in de huiskamer, en hij stond naast

haar met zijn hoed op en een demi-saison aan.

»Niets? Heb je niets van hem gehoord," vroeg Marie tragisch; en toen

Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: »Niets,

beste, niemendal," zuchtte 't lieve vrouwtje diep en smartelijk,

terwijl ze zei: »Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is."

Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat

de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde.

Sedert vier dagen was Bijou plotseling verdwenen, spoorloos

verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran

heengegaan. Waarheen?--Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog

niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds

uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was

tot dusver zonder eenig gevolg gebleven.

Jaantje was, haar bekende afkeer van Bijou in aanmerking genomen, door

Straling scherp verhoord en menig »'t is zonde, meheer" of »hoe kan

uwee nou zoo ies veronderstellen" was met diepe verontwaardiging aan

haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden,

dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan Bijou's

raadselachtige verdwijning.

Met de hand op 't hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar

gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: »'k Zal hier staande

sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee

alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje

uit de buurt stoeide, als ik 'm uitliet; maar met een woord van

waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat 'k hem juistement dáárom

in den laatsten tijd nooit anders dan aan 't touwetje heb uitgelaten."

»En weet Tienus er niets van?" vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die

onwillekeurig bij 't noemen van dien naam de oogen neersloeg,

doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met

geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den

stoeren dragonder, Bijou's antipathie, voor den geest.

»Tienus?" riep Jaantje bijna verontwaardigd. »Tienus, meheer! die is

de goeïgheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an,

die zou 'm subiet hebben weerom gebracht, als hij 'm iewers had

ontmoet."

Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond was en bleef

weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder één enkel

gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we

over Bijou's afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft

wonderlijke gangen en 't past den redelijken mensch niet om 't

redelooze dier te veroordeelen, dáár waar het zondigt--uit liefde.

Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de

Stralings was komen aanwippen, werd--zooals vanzelf spreekt--het

geheele verhaal van Bijou's vlucht in geuren en kleuren door Marie

medegedeeld en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de

wangen van »'t dotje" vertoonde.

Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van 's

vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij

er »waarlijk veel weet van had," een verzekering, die oom Harmsens

lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man

eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten.

»'t Is bij mijn ziel om te stikken," riep de oude zeekapitein, terwijl

hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. »Jelui bent allebei

groote kinderen, hoor! 't Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de

familie is: dáár zitten me nu twee groote menschen met gezichten van

een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een

schuinsmarscheerder, die 't verzuipen niet waard is. Ben jelui wel

goed frisch, allebei?--Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn

poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid."

»Ik heb zoo'n idee, dat hij t' avond of te morgen wel terugkomt,"

bracht Frits in 't midden; maar oom viel hem in de rede, door aan

Marie te vragen: »En zou je dan dien doordraaier weer in huis

nemen?--Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo'n lieve dot

was, zou ik je eens onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat,

als je man je zoo'n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem

niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!"

»Oom, oom! je slaat weer door," riep Frits lachend, en Marie schoot

insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een

tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de

woorden: »Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan."

»Ouwe barbaar!" zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar

oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen

Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg,

een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: »Met uw

permissie, oom," riep de vroolijke zeeman: »Zóó mag ik het zien.

Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al

wijzer wordt.--Kijk nu zoo'n paar lui eens aan: ze zouën waarachtig om

zoo'n leelijk misbaksel van 'n hond vergeten, dat ze mekaâr nog

hebben. Als één van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, à la

bonne heure, dan zou ik 't natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek

schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal

ik je een van de mijne geven; 'k heb nog vier jonge fikken

thuis,--mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie."

* * * * *

Veertien dagen later verscheen Bijou op een morgen onverwachts aan de

voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met

open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den

staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde,

aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte

een doordringend: »Daar is ie!--daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw

beneden; Besjoe is weerom!"

Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid

voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof »en négligé" de

trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat

kwispelstaartend, maar min of meer schuw--zelfs een hond heeft

gewetenswroegingen--haar langzaam naderde.

Was dat Bijou?

»Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is

effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien," zei

Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den

teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. »'k Zal 'm maar eerst

meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want

uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z'n oogen ereis,

en z'n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is

ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt."

Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen

hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen

zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen

likte, maar--met zijn despotieke heerschappij was 't voorgoed gedaan;

hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens

grillen slechts dan werden geëerbiedigd, als ze niet in tegenspraak

waren met de grondwet.

Frits en Marie waren beiden door 't zien van Bijou's verloopen

uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid,

dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen

genezen zijn. Ze overlegden, dat 't best zou kunnen gebeuren, dat hun

lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze

voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dáár, waar

hij vroeger werd vergood en vertroeteld.

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 25 / 47 题