II.

Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets

wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen,

als 't kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de

jonge vrouw, die 't mocht bezitten.

En 't kwam niet,--'t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te

verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren.

* * * * *

In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle

jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig

en lang, maar altijd tevergeefs.

Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van

humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid

gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich

zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat

't zóó was en niet anders, en dat 't wel zoo verkieslijk was. Maar

toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar

venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan,

met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar

en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor

Frits; hij had zich immers--zoo kwam het haar voor--al zeer spoedig

met het denkbeeld »geen kinderen te hebben" verzoend. 't Verwonderde

haar wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat

zij er nog altijd onder leed.

En hij?--Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit met

kinderen van anderen; 't scheen zelfs alsof hij minder van kinderen

hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle

voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig

tegen Marie zeggen: »Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens

meer aan kunnen wennen. 't Is nog veel beter geen één, dan zoo'n half

dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld."

Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een

paar malen gezegd: »Wat heb jij toch heerlijke kinderen!--Hum! ik zou

misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo

hard voor?" Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en

tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken,

gingen altijd _te samen_ uit en kwamen altijd _samen_ weer te huis om,

zonder dat zij 't elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de

ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets--een kleinigheid

maar--ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk

zoo veel van elkaar hielden.

't Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder

kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of

een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan

gewoonlijk min of meer despotisch regeert.

Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends,

dat om haar heen zich beweegt; zij moet--zooals men dat noemt--»een

aanspraak" hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan ook

slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen

en beantwoorden.

Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in

het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de

gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond.

Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl 't regende dat 't

goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en,

medelijdend van aard als hij was, 't kleine diertje binnengebracht en

aan de meid gegeven, om 't in de keuken wat te doen opdrogen.

Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje »den

leelijken straathond" opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk

afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen, om hem

den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar 't zou heel anders

gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje

had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar

opzag, als vroeg het bevend: »Och jaag me niet weer weg!" kon zij niet

besluiten om Jaantjes raad te volgen en »het mormel aan den dijk te

zetten". Integendeel zij bekeek »het mormel" oplettend, vond dat het

aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje

kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om 't arme dier weer in

zijn vroegere ellende terug te stooten.

Frits had er niets tegen, dat 't hondje bleef, en met onderling

goedvinden--Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde--werd besloten,

dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar

den naam van »Bijou" te luisteren had.

De naam »Bijou" was een »bon mot" van Frits, die, toen hij lachend

zijn toestemming gaf tot de opneming van 't diertje, er bij had

gevoegd: »Dan zou ik hem »Bijou" noemen, want ik geloof, dat hij een

juweel van leelijkheid zal worden."

Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat 't

nog nestharen waren, die 't hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn

naam alle eer zou aandoen.

Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en

beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, »dat 't volk tegenwoordig

maar persies deê wat 't wou, en dat 't voor een fersoenlijke

dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de

akefietjes van zoo'n mormeldier te moeten redderen."

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 23 / 47 题