't Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als
voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te
betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe
mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen.
Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige
helderblauwe oogen in de wereld had gekeken.
Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature
»sierlijk" in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed
zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar
blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg
tot een gezellig »embonpoint"--in de verre toekomst verrieden.
Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de
donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de
neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament
te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar
werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die
't kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van
tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al
naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed
langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek
zien, wanneer 't een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig
maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie
was »een dotje van een wijfje," zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein
telkens tegen Frits, haar man, beweerde.
Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van »'n schoone
kaerel" hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en
gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan
wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van
levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn
frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den
spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te
gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen.
Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje
rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme
gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes
in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes,
voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij
Marie in den volsten zin des woords »vergoodde."
* * * * *
»Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en
kirt me waarachtig als een paar duiven" zei oom Harmsen eens op een
dag, dat hij de Stralings bezocht en 't echtpaar met een breeden
genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat
nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking
half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: »'k Heb
van mijn Jans--God hebbe haar arme ziel--ook weerlichts veel gehouwen,
zie je, maar zóó als jullie hebben wij 't toch nooit beetgehad."
Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke
ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen
uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die
ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat
noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman »op"
en antwoordde lachend:
»Ja, maar tante Jans was ook zoo'n dot niet als mijn Marie. Was ze
wel, oom?"
»Nou, dat 's maar zooals je 't nemen wilt, jongen," zeide oom; »'t was
een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat
was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;--zie je, dat 's nog
wel zoo goed voor een zeemansvrouw." En met een knipoogje, dat guitig
moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er
bij: »Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf
en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn
wijf zoo'n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He!
Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?--dan
was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar
gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk."
»Oom, oom, 't loopt er bepaald overheen," zei Frits lachend en te
gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer
wilde verlaten, om terug te komen.
»Wàt, wàt? 't Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie,
geef me maar een hand; ik ben 'n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik
meen 't goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als
_ik_ jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven
laten,--om den dood niet."
»Maar, oom! foei wat 'n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn
hand los; je bent akelig, hoor!" zei Marie, hem beknorrend.
»Gekheid! ik bedoel immers niet, dat 't aan jou zou gelegen hebben,
maar aan.... Och--sakkerloot--ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me
wel, jongen!"
Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch
was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de
kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te
geven, door te zeggen: »Jelui woont hier toch als in Abrams schoot,
hoor!--eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die
't breed heeft, laat 't breed hangen. 't Is tegenwoordig 'n heel
andere thee dan vroeger. Toen ik met m'n Jans onder zeil ging, was ik
machtig blij, dat 'k een bovenhuis met drie kamers had,--een goeie
kooi voor mij en m'n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie
Gods een canapé; een latafel en een chiffonnière voor de losse bagage;
een pot en een pan,--en klaar was Kees!"
»Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer comfort
en...."
»Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, 't is allemaal gekheid;
zooals 'n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel
minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten
niet beter of 't hoorde zóó.--Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe
jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo'n paar flinke gezonde
lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben
nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral
m'n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw
op eens?--Hum?--ik--heb toch niet... Hè?"
Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering,
dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn
nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich
plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits,
die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te
bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar
zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en
sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: »Kom,
Marie! wees niet dwaas; trek je zoo'n grof woord van oom Harmsen niet
zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal
hem...."
»Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar
oom.--Ik ben niet boos op hem, hoor!" voegde zij glimlachend, hoewel
met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing
tusschen oom en neef voorkomen.
De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat
hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor
min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was,
besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te
leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk
niet goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had
en... Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in 't zelfde oogenblik
lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de
tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg:
»Er is toch geen kwaad aan boord?--Jelui moet me dat niet zoo kwalijk
nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!--zoo hum! zoo
satansch kitteloorig was en...."
»Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig
verdriet is, dat ze geen...."
»Akkoord, jongen! nou begrijp ik 't, maar 'k wist het niet.--Zeg aan
je »dot", dat 't me allemachtig spijt dat 'k haar hinderde; maar,
goeie God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk
is.--Kom! kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet
altijd afstel; Sarah kreeg op 'r negentigste jaar nog wel 'n
kleintje.--Ha! daar is ze weerom.--Kom ereis hier, Marie! Je bent toch
niet boos op me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom
ereis langs zij en laat ik je af zoenen.--Zoo!.... met je permissie,
Frits.--Hè! dat doet 'n ouwen kerel nog ereis goed.--O! zoo, ben je
niet boos geweest?--Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te
worden ook.--Nou! kinderen, 't wordt tijd dat ik ga.--Saluut! en
compliment van oom Harmsen en als dàt nou 't eenige is wat jelui
ontbreekt, dan niet getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel
ik je. Dag »dot"; niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik
kom er wel uit.--'t Ga jelui goed; dag kinderen!"--en weg was oom
Harmsen.