III.

Geregeld elken dag, 's morgens om tien uren verscheen de medicus in

het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de

verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een

bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter

gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen.

Hoeveel »Donnerwetters" en »Sakkrrrements" de oude krijgsheld in de

wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het

einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die

verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en

herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: »Die Druff

is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,--maar--een beul.

En weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien

laatsten, geweldigen slag, dien hij me na elke massage op

mijn--hum!--op mijn--hum! geeft. 't Is alsof de vent een os dollen

wil! Die ééne vervloekte slag gaat me door merg en been."

»Ja, manlief!" had Mevrouw geantwoord, »'t is verschrikkelijk--ik kan

er ten minste niet meer naar zien; 't is heusch, alsof Dr. Druff al

zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste..."

»Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; 't is dan ook alsof er een

stuk ijzer op me neer komt.--Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu

laat welgevallen, omdat ik _moet_, omdat ik aan dien Druff op genade

of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen

dag iets beter maakt, anders, als militair"; en de overste zette een

gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één grooten hap

had willen verslinden--»anders zou ik bij hoog en bij laag--me zoo'n

vernederende aanraking niet laten welgevallen.--Om den d--nder niet."

»Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat's niet fijn", riep

Ildegard verbleekend.

»Neen! zoo'n slag op je--hum!--op je corpus, is fijn.--O! als ik er

aan denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en

behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!"

»Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet 't toch uit

bestwil, omdat 't noodig is voor..."

»Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn;

in mijn heup zit het, nergens anders..."

»Och, papa! 't is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat."

»Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders

piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag

in, dag uit, een slag op uw..."

»O, foei! papa, wat 'n ordinaire suppositie."

Ildegard keerde zich verontwaardigd om.

»Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er

samen eens met den Dokter over spreken--niet waar, Ildegard?"

»Spreekt u er liever alléén over, mama!"

»Nu, goed, dan zal ik 't doen--ik durf wel."

* * * * *

Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een

oogenblik met Dr. Druff alleen was: »Dokter, is die laatste slag

bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen

op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?"

Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr.

Druff: »Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; 't is wel

onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er

niets aan doen," en, met kalme wreedheid diende hij, na elke

behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe.

Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk

papa's lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame

van haar kennis, in 't zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd:

»Dokter, 't is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met

dergelijke zaken bemoei,--maar och! mijn goede papa wordt er zoo door

gedépraveerd weet u,--daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat

men bij een massagekuur den patiënt zoo'n verschrikkelijken slag op,

hum--" zij durfde 't eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus

blozend: »op de heup toedient?"

Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: »Neen, Freule,

gewoonlijk niet. 't Is wel zonderling, maar mijn collega Druff is een

door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de

massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal 't dus bepaald noodig

oordeelen voor 't heil van uw papa."

Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste, door

eenstemmig te verklaren, dat zij 't volste vertrouwen in Dr. Druff

hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en

noodig voor hem was.

* * * * *

Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von

Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen

was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het

verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de

kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer

violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden

helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen.

»Overste!" zei Dr. Druff na den achttienden dag, »ik kom afscheid van

u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.--Is u tevreden?"

»Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig

dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden

kerel weer een jongen vent gemaakt."

Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: »O, Dokter!

nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!"

Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken

uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen,

fluisterde zachtkens:

»O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter," en

zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen:

»Spreek met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word

voor eeuwig Frau Doctorin...."

»Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen,

Overste," zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den

stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte.

»O, Dokter!" klonk het in trio.

»Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam

verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid

te wenschen."

»Hum! Hum!" zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij:

»Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen

zenden, want ik reis spoedig naar huis?"

»Mijn declaratie?" vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij

glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen

kon.

»Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet

met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik

u schuldig ben...." antwoordde de Freiherr.

»Honorarium, Overste? Volstrekt niet.--U is mij niets schuldig."

»Wa-a-at?"

»Wij zijn nu quitte, Overste."

Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: »De

arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij 't

hoofd;" en papa vroeg met onvaste stem: »Quitte? Hoe--be-doelt u

dat?"

»Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?"

»U, Dokter?--'k Had vóór deze dagen nog nooit de eer...."

»Toch wel, Overste!--Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff; ik

heb in '70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein

was. Ik was destijds--nu wil ik het wel bekennen--een nogal lastig

recruut en vrij weerspannig. 't Ging streng toe in den oorlogstijd, en

daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen

arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn--hum..."

»Alle donders!" riep de Overste, opspringend, »'t is waar; nu herinner

ik mij: 't was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen

surveilleerden."

»Juist!--Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn

betrekkelijk klein vergrijp; maar 't was oorlogstijd, en daarom heb

ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts

vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven."

Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde

Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen 't dikste

gedeelte der heup wreef: »Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de

kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we

quitte!"

»Volkomen!--U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op

mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel

en, naar ik geloof, met succes gebruikt.--Adieu! Overste,--sans

rancune!"

Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit.

»Bombenschwerenoth!" riep de Overste lachend, »wat een kranige vent!

Maar"--en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk--»'n beetje minder hard

had hij toch wel kunnen slaan!"

_BIJOU_.

_BIJOU_.

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 21 / 47 题