In 't derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant
niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van
vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: »Hij is
totaal op, méér dan op" en van »'t Schellinkie" klinkt nu en dan een
afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor
hun geld.
»Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit," roept er een, die, met
minder toegefelijkheid dan 't overige publiek, opmerkt, dat Walten
zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten.
Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem,
zooals men dat noemt, »er door te sleepen", 't baat niet; hij raakt
hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet
meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in 't geheel niet
meer wat hij zeggen moet.
Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door
de tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat
eindelijk--een vergefelijk iets voor iemand van haar talent en
temperament--eenigszins knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten
geheel en al vergeet, haar aan 't einde van dat tooneel terug te
roepen. Daardoor mist zij het applausje dat zij begeert en zegt zij in
zich zelf: »'t Is een treurige boel,--'k heb geen lust om er verder
naar te zien."
In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten
tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor
hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en
trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken
worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend:
»_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben
bestolen!_" werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt
het tooneel op.
Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot
de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn
schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen
wil om den schuldige te ontdekken.
Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer
over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht
hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: »_Ik ben bestolen.
Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om
den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of 'k mezelf
pakken moet of een ander en...._" Plotseling blijft hij stokstijf
stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan
zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand
die door een hevigen schrik bevangen wordt.
* * * * *
»Dat speelt hij waarlijk niet slecht; 't is wel een zonderlinge
opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends
in" zegt fluisterend een dame in 't balcon tot een heer naast haar,
die even zachtjes antwoordt: »Ik geloof bepaald dat hij blijft steken,
mevrouw!--kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit."
»Bedaar Arie, blijf in je pothuis!" roept een stem van boven tot
Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de
woorden souffleert: »_nu is het uit met mij; uit, gedaan!_"
»'t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de
kluts kwijt," fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met
wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts
doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op
smartelijken toon herhaalt. »_Nu is het uit met mij._"
»Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan 't niet langer
aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man" herhaalt de
medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op
haar programma blijft kijken.
Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van 't
hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.
»Bravo! Bravo!" schreeuwt lachend van »'t schellinkie" iemand die, in
die akelig wanhopende beweging »spel" meent te zien en als Walten
nogmaals dof en droevig herhaalt: »_uit! uit!_" klinken zelfs een paar
bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.
't Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en 't komt zoo in de rol
te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de
ontdekking dat 't zuiver »natuur" is wat het aanschouwt.
Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in 't
souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor
't hoofd.
't Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes
zegt hij: »Enfoncé mon Directeur" en, zich zoo ver mogelijk
oprichtend, roept hij, halfluid: »Walten! Walten! luister dan
toch:--_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat 't weg
is_--alles is weg!"
»_Weg! alles is weg!_" herhaalt de oude man en als versteend blijft
hij staan, vlak voor 't voetlicht; hij beeft aan alle leden.
Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit
Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van
medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.
't Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die,
wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat,
allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend
uitroept: »ik ben alles kwijt, alles vergeten!"
»Harpagon" hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een
beschonkene heen en weder.
»Hij is vet", roept er een van 't »schellinkie."
»Hij heit 'em om, hoor!" gilt een ander.
Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal
opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat
zich met de pruik herhaaldelijk in 't gelaat en is op het punt van
neer te vallen op 't tooneel.
De muzikanten staan op in 't orchest, en rekken de halzen uit om te
zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer
op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. 't
Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle
toeschouwers komt--'t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder
gebeuren zal.
* * * * *
»Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!" roept met angstige stem
een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog
juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem
onder de armen vast te houden en van 't tooneel te brengen.
Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts,
met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen »den
beneficiant", die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en
verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht,
is neêrgevallen.
Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand,
krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen,
vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze
haren die zijn kruin bedekken.
»Ting! ting! ting!" doet de electrische schel, 't is het sein voor 't
begin van 't 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer
wordt gegeven.
»God! 't vijfde," snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar
valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen
voor de oogen slaat.
»Klaar voor 't vijfde?" roept een stem uit de verte.
»Neen! neen!" schreeuwt Laflèche terug. »'t Doek moet vallen, roep den
inspiciënt!"
Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw
begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het
hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn
omgeving.
Als 't beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar
te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten
met onverschillige, oogen aanstaren.
Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld
en allen vragen dooréén: »Wat is er? Wat is er gebeurd?"
Er heerscht op 't tooneel een verwarring, die zich allengs verder
uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig
aanloopen, terwijl hij vraagt: »Is er iets niet in orde?"
»Laat 't scherm vallen, gauw!" roept Hostein, die alles begrijpt, nu
hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als
vernietigd.
»Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld," fluistert
Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: »Doek vallen,
dadelijk! En 't orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan
worden!"
»Hij was niet meer te redden," fluistert Laflèche, zijn plaats bij
Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig,
in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen.
»Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg 't mij maar? Stumperd, snik
zoo niet?" vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet
rusten.
Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van
mevrouw Grootes stem. »Kom!" herhaalt zij, »huil zoo niet, ouwe vrind;
kom 't zal wel zoo erg niet wezen."
»Ik--ik b--ben bl.. blijven st..." Luid schreiend slaat de oude man
zijn armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd,
zenuwachtig schokkend, heen en weer.
»Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu
ook nog gebeuren op je ouwen dag?"
»O God! O God!" kreunt Walten, als plotseling uit de verte een
verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen,
applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.
»Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?" schreeuwt de Directeur.
»Hoor 't publiek eens aangaan."
Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt.
Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw
Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: »Luister er maar
niet naar, m'n goeierd.--Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé?
Maar 't kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne."
Plotseling richt Walten zich op. »'k Moet 't toch uit--spelen--ik
moet, ik moet en--o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles
is weg!"
»Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je
weer beter bent," troost mevrouw Groote.--»Luister!--Hostein is voor
't voetlicht, de muziek houdt op.--Hoor je wat hij zegt? Dat je door
een plotselinge ongesteldheid bent overvallen, 't gevolg van treurige
familieomstandigheden.--Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes.
Zie je, dat wil zeggen: Och! dat's ongelukkig. Neen, hou nou op met
schreien, dàt kan ik niet zien. Och! 't is zoo erg niet, Walten, zoo
iets is immers wel meer gebeurd."
»Neen! neen!--nooit gebeurd Mevrouw!" snikt de ongelukkige met de
handen voor 't gelaat.
De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl
maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere
acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van »De Vrek" kent,
verklaart zich oogenblikkelijk bereid »Harpagon" verder te spelen.
[1] Achter de schermen aanwezig.
In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als 't gaat gecostumeerd en
gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze
doen of laten moeten, wordt 't laatste bedrijf afgespeeld.
* * * * *
't Altijd goedhartige en medelijdende publiek had »de annonce" met een
gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate
voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig
bijvalsbetoon aan 't eind van 't stuk den Directeur aanleiding gaf om
tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler
aanzag, te zeggen: »Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik
dacht; we zullen hem in de volgende maand »De Vrek" eens geheel en al
laten spelen."
Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den
Schouwburg, want een nastukje met »één gelezen rol[1]" er in, is niet
aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw
Groote, die de »Dochter van Dominique" uitstekend speelde, was niet
voldoende om het blijspel te redden.
[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest.
Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en
mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij
waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.
»Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen", zei Schröder, en Hostein
voegde er met een weemoedigen blik bij: »Wat 'n eind voor 'n artist;
't is om 't te besterven!"
»Arme stakkerd!" zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. »We
hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; 't zou zoo'n aardige
kleine ovatie zijn geweest--en de krans is heel mooi, hé,
Schröder?"--Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en
vroeg toen aan Hostein: »Zou je 't couvert er maar niet zoolang
afnemen. Er zit 'n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij
mekaâr geklopt."
»Geef maar hier Hostein, dan zal ik 't zoolang in mijn brandkast
sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen
den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans
en 't couvert te geven, hé?--'n Kleine troost voor zoo'n grooten val!
A propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?"
»Een van de tooneelknechts."
»O, Zoo!"
»Waarom deed jij zelf 't niet even Hostein?"
»M'n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; 't was hier zoo'n
eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn
kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes
uitgeknepen."
»Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,'k moest me kleeden voor
't nastukje.--Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?"
»Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, 'k heb gauw een
vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te
zijn dat hij goed thuis kwam."
»Zei hij nog wat Hostein?"
»Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf."
»Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder."
»Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als 't hem troosten kan,
dat ik, globaal berekend, behalve 't voorschot dat hij ontving, een
zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden
die jelui hebt, is 't toch een kleine achthonderd, die hij in 't
handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in
behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man
in 's hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! 't Zal
weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken."