VI.

In 't derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant

niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van

vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: »Hij is

totaal op, méér dan op" en van »'t Schellinkie" klinkt nu en dan een

afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor

hun geld.

»Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit," roept er een, die, met

minder toegefelijkheid dan 't overige publiek, opmerkt, dat Walten

zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten.

Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem,

zooals men dat noemt, »er door te sleepen", 't baat niet; hij raakt

hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet

meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in 't geheel niet

meer wat hij zeggen moet.

Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door

de tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat

eindelijk--een vergefelijk iets voor iemand van haar talent en

temperament--eenigszins knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten

geheel en al vergeet, haar aan 't einde van dat tooneel terug te

roepen. Daardoor mist zij het applausje dat zij begeert en zegt zij in

zich zelf: »'t Is een treurige boel,--'k heb geen lust om er verder

naar te zien."

In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten

tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor

hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en

trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken

worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend:

»_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben

bestolen!_" werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt

het tooneel op.

Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot

de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn

schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen

wil om den schuldige te ontdekken.

Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer

over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht

hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: »_Ik ben bestolen.

Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om

den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of 'k mezelf

pakken moet of een ander en...._" Plotseling blijft hij stokstijf

stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan

zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand

die door een hevigen schrik bevangen wordt.

* * * * *

»Dat speelt hij waarlijk niet slecht; 't is wel een zonderlinge

opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends

in" zegt fluisterend een dame in 't balcon tot een heer naast haar,

die even zachtjes antwoordt: »Ik geloof bepaald dat hij blijft steken,

mevrouw!--kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit."

»Bedaar Arie, blijf in je pothuis!" roept een stem van boven tot

Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de

woorden souffleert: »_nu is het uit met mij; uit, gedaan!_"

»'t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de

kluts kwijt," fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met

wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts

doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op

smartelijken toon herhaalt. »_Nu is het uit met mij._"

»Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan 't niet langer

aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man" herhaalt de

medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op

haar programma blijft kijken.

Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van 't

hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.

»Bravo! Bravo!" schreeuwt lachend van »'t schellinkie" iemand die, in

die akelig wanhopende beweging »spel" meent te zien en als Walten

nogmaals dof en droevig herhaalt: »_uit! uit!_" klinken zelfs een paar

bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.

't Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en 't komt zoo in de rol

te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de

ontdekking dat 't zuiver »natuur" is wat het aanschouwt.

Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in 't

souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor

't hoofd.

't Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes

zegt hij: »Enfoncé mon Directeur" en, zich zoo ver mogelijk

oprichtend, roept hij, halfluid: »Walten! Walten! luister dan

toch:--_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat 't weg

is_--alles is weg!"

»_Weg! alles is weg!_" herhaalt de oude man en als versteend blijft

hij staan, vlak voor 't voetlicht; hij beeft aan alle leden.

Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit

Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van

medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.

't Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die,

wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat,

allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend

uitroept: »ik ben alles kwijt, alles vergeten!"

»Harpagon" hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een

beschonkene heen en weder.

»Hij is vet", roept er een van 't »schellinkie."

»Hij heit 'em om, hoor!" gilt een ander.

Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal

opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat

zich met de pruik herhaaldelijk in 't gelaat en is op het punt van

neer te vallen op 't tooneel.

De muzikanten staan op in 't orchest, en rekken de halzen uit om te

zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer

op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. 't

Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle

toeschouwers komt--'t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder

gebeuren zal.

* * * * *

»Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!" roept met angstige stem

een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog

juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem

onder de armen vast te houden en van 't tooneel te brengen.

Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts,

met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen »den

beneficiant", die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en

verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht,

is neêrgevallen.

Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand,

krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen,

vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze

haren die zijn kruin bedekken.

»Ting! ting! ting!" doet de electrische schel, 't is het sein voor 't

begin van 't 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer

wordt gegeven.

»God! 't vijfde," snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar

valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen

voor de oogen slaat.

»Klaar voor 't vijfde?" roept een stem uit de verte.

»Neen! neen!" schreeuwt Laflèche terug. »'t Doek moet vallen, roep den

inspiciënt!"

Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw

begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het

hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn

omgeving.

Als 't beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar

te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten

met onverschillige, oogen aanstaren.

Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld

en allen vragen dooréén: »Wat is er? Wat is er gebeurd?"

Er heerscht op 't tooneel een verwarring, die zich allengs verder

uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig

aanloopen, terwijl hij vraagt: »Is er iets niet in orde?"

»Laat 't scherm vallen, gauw!" roept Hostein, die alles begrijpt, nu

hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als

vernietigd.

»Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld," fluistert

Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: »Doek vallen,

dadelijk! En 't orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan

worden!"

»Hij was niet meer te redden," fluistert Laflèche, zijn plaats bij

Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig,

in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen.

»Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg 't mij maar? Stumperd, snik

zoo niet?" vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet

rusten.

Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van

mevrouw Grootes stem. »Kom!" herhaalt zij, »huil zoo niet, ouwe vrind;

kom 't zal wel zoo erg niet wezen."

»Ik--ik b--ben bl.. blijven st..." Luid schreiend slaat de oude man

zijn armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd,

zenuwachtig schokkend, heen en weer.

»Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu

ook nog gebeuren op je ouwen dag?"

»O God! O God!" kreunt Walten, als plotseling uit de verte een

verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen,

applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.

»Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?" schreeuwt de Directeur.

»Hoor 't publiek eens aangaan."

Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt.

Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw

Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: »Luister er maar

niet naar, m'n goeierd.--Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé?

Maar 't kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne."

Plotseling richt Walten zich op. »'k Moet 't toch uit--spelen--ik

moet, ik moet en--o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles

is weg!"

»Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je

weer beter bent," troost mevrouw Groote.--»Luister!--Hostein is voor

't voetlicht, de muziek houdt op.--Hoor je wat hij zegt? Dat je door

een plotselinge ongesteldheid bent overvallen, 't gevolg van treurige

familieomstandigheden.--Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes.

Zie je, dat wil zeggen: Och! dat's ongelukkig. Neen, hou nou op met

schreien, dàt kan ik niet zien. Och! 't is zoo erg niet, Walten, zoo

iets is immers wel meer gebeurd."

»Neen! neen!--nooit gebeurd Mevrouw!" snikt de ongelukkige met de

handen voor 't gelaat.

De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl

maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere

acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van »De Vrek" kent,

verklaart zich oogenblikkelijk bereid »Harpagon" verder te spelen.

[1] Achter de schermen aanwezig.

In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als 't gaat gecostumeerd en

gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze

doen of laten moeten, wordt 't laatste bedrijf afgespeeld.

* * * * *

't Altijd goedhartige en medelijdende publiek had »de annonce" met een

gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate

voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig

bijvalsbetoon aan 't eind van 't stuk den Directeur aanleiding gaf om

tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler

aanzag, te zeggen: »Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik

dacht; we zullen hem in de volgende maand »De Vrek" eens geheel en al

laten spelen."

Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den

Schouwburg, want een nastukje met »één gelezen rol[1]" er in, is niet

aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw

Groote, die de »Dochter van Dominique" uitstekend speelde, was niet

voldoende om het blijspel te redden.

[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest.

Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en

mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij

waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.

»Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen", zei Schröder, en Hostein

voegde er met een weemoedigen blik bij: »Wat 'n eind voor 'n artist;

't is om 't te besterven!"

»Arme stakkerd!" zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. »We

hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; 't zou zoo'n aardige

kleine ovatie zijn geweest--en de krans is heel mooi, hé,

Schröder?"--Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en

vroeg toen aan Hostein: »Zou je 't couvert er maar niet zoolang

afnemen. Er zit 'n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij

mekaâr geklopt."

»Geef maar hier Hostein, dan zal ik 't zoolang in mijn brandkast

sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen

den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans

en 't couvert te geven, hé?--'n Kleine troost voor zoo'n grooten val!

A propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?"

»Een van de tooneelknechts."

»O, Zoo!"

»Waarom deed jij zelf 't niet even Hostein?"

»M'n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; 't was hier zoo'n

eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn

kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes

uitgeknepen."

»Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,'k moest me kleeden voor

't nastukje.--Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?"

»Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, 'k heb gauw een

vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te

zijn dat hij goed thuis kwam."

»Zei hij nog wat Hostein?"

»Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf."

»Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder."

»Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als 't hem troosten kan,

dat ik, globaal berekend, behalve 't voorschot dat hij ontving, een

zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden

die jelui hebt, is 't toch een kleine achthonderd, die hij in 't

handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in

behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man

in 's hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! 't Zal

weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken."

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 14 / 47 题