Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van 't
stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich »in 't
pak te steken"[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht
genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in 't hoofd
en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk,
hoe vermoeid en afgemat hij was.
[1] Tooneelterm voor costumeeren.
»Willem," zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins
kaptafel neerviel en met 't hoofd vóórovergebogen, de handen slap
langs 't lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. »Willem, ik kan niet
meer!--Zoo erg heeft Netje 't nog nooit gehad, en die aanval hield
maar niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe,
met haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik
ben dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?"
Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast
hem zittenden man, lei 't stuk »vetschmink", waarmede hij zijn wangen
bestreek, neer en zei: »'t Is verschrikkelijk;" maar toen de oude man
opkeek en hem aanzag, terwijl 't licht der gasvlam vol op zijn ontdaan
gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: »God! Walten wat
zie je er uit!--Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je
maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is 't
uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk,
dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan 't waarachtig niet
helpen, ik dacht alleen om 't stuk, en jij zit daar precies, even
verslagen, als Harpagon in 't derde bedrijf, laatste tooneel."
Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: »Ik ken je immers
Willem; je meent 't goed."
»Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.--Je
»pak" hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever
aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,--ik ben zóó
terug; 'k zal een hartversterking voor je halen."
»Och neen! ik kan toch niets gebruiken."
»Dat zul je wel!"
Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok
zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op
den stoel, dien de andere verlaten had.
Een blik in 't heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven
glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag
naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en
de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus.
»Ja! Willem heeft gelijk," mompelde hij: »ik heb geen grime noodig."
Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met
een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon
langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in
den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn
beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de
tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn
wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel
weerkaatst en hij wischte ze niet af. 't Kwam hem voor alsof hij in
dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch 't
zijne was; 't scheen hem als hoorde hij een stem, die hem
toefluisterde: »Die man is Walten immers niet?" en hij had het gevoel
van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer
terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en
vervallen terug te vinden.
Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons
kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken
viel hem moeielijk; 't bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een
donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk 't hoofd weer
ophief en rondzag.
»'k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig," zei
hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze
haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren
streek. »Maar komaan, 't is eenmaal de traditie zóó!" Hij zette de
pruik op en »schminkte" zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van
huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar
zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn
wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige
wangen. »'k Ben sedert drie dagen niet geschoren. 'k Heb 't glad
vergeten," dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel
wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: »'t Past nu goed in de rol;
hum! ik zal...."
»Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu
eens achter mekaar uit," en met een vriendelijken lach hield Hostein
hem een glas melk met geklutste eieren voor.
»Je bent toch een goeie kerel, Willem!"
»Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel rum
in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen."
Onder 't drinken even ophoudend, zei Walten: »Ik kan 't haast niet
inkrijgen; 't is alsof ik 'n stuk in mijn keel heb, dat 'k niet
doorslikken kan."
»Kom, kom! allemaal gekheid! 't Moet erin."
»Heelemaal?"
»Achter elkaar, anders helpt 't niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je
daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je
heelemaal. 'k Heb zoo'n voorgevoel, dat je van avond een succes zult
hebben."
Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar 't goede hart, dat hij
zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. »Hum!" ging hij
voort, »ik heb van morgen nog van Schröder gedaan weten te krijgen,
dat de souffleur vanavond vrijaf heeft."
»Wat zeg je daar?" Met schrik zag de oude acteur hem aan en een
ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend
bijvoegde: »We spelen »De Vrek" achter mekaar af, de vijf bedrijven,
zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat...."
»Hè, jij zonder souffleur, Hostein?" zei Walten, even glimlachend.
»En jij zonder souffleur?" gaf de andere lachend terug. En terwijl hij
»Harpagon" vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij:
»Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten--'k ben van jou
school, papa Walten--maar ik heb van Schröder gedaan gekregen, dat
Pietersen van avond souffleert."
»Pietersen?"
»Ja! 'k Heb 't om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en
ik dacht...."
»Dank je, Willem! Ja, 't is waar--'k heb hèm liever als dien anderen;
hij kent me beter. Maar.... zeg?"
»Wat?"
»Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles
gedaan is?"
»'t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!"
»Daar wordt geklopt, Hostein."
»Mag ik binnenkomen?" klonk buiten de deur mevrouw Grootes
vriendelijke stem.
»Entrez!"
Dadelijk daarop kwam de actrice--als Frosine gekleed--Hosteins kamer
in en wendde zich tot Walten, met de woorden: »'k Wou eens even komen
kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat 't
weer mis is bij je thuis. 'n Ellendige historie voor je, arme vent! En
is ze nu alleen?"
»Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig."
fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe.
»Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?"
»Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw."
»O!--En?"
»Die blijft totdat ik terugkom van avond."
»Goed!--Jongens, jongens! wat 'n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je
nog eens goed, hé? Heb je al door 't scherm gekeken? 't Is stampvol.
De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je
nu van mij?" Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! »Heb ik
me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, 'k doe 't voor
jou; anders speelde ik »de koppelaarster" niet.--Hou je nu goed,
hoor!--Heb je vandaag nog kunnen leeren?"
»Ik?--Groote God! wat 'n vraag!"
»Och, dat 's waar ook, daar dacht ik niet aan.--Nu, dan maar
hengelen,[1] ouwe heer!" Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd,
maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst
en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag
uitdrukte: »Hoe zal dat afloopen?"
[1] Op den souffleur spelen.
»'k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond," zuchtte
Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten
schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de
kleedkamers loopend, riep: »Tot den aanvang, dames en heeren!--Tot den
aanvang!"
Vóór het gewone: »_van 't tooneel_" en »_aan 't gordijn!_" van den
inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even
de hand, klopte hem op den schouder en zei: »Wees nu maar kalm en
bedaard. Hoe is 't mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo'n
ouwe »troupier" als jij...? En denk er vooral om, dat je aan 't eind
van 't tweede bedrijf bij je »sortie" nog even 't hoofd om de deur
steekt, om me »_tot wederziens_" toe te roepen; dan kan ik beter mijn
claus zeggen--en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de
verte toeroep:
»_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!_"--Denk
er asjeblieft om, want op de repititie heb je 't telkens vergeten. En
nu: goed succes.--O ja! nog iets, in 't vierde bedrijf, wanneer ik dat
gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik »af" moet, nog even
terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,--je
maakt zoo'n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een
woedend gezicht en maak nog een nijdige »dienaresse"; daar heeft 't
publiek pret in, begrijp je? 't Is anders zoo'n ellendige »sortie",
zóó mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar
komt; en ik _wil_ applaus hebben van avond, alléén omdat Andrée 't
bepaald _niet_ krijgt in haar rol als Elize.--'t Verwondert me nog,
dat ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de
anderen, vat je?"
Daar klonk op eens het schelletje en de roep »Halen!" 't Scherm ging
omhoog en 't stuk was begonnen.
* * * * *
't Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het »schellinkie" en »de
tien" zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk »De
Vrek" heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet
afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren.
Misschien ook heeft Waltens naam op 't affiche--men had hem immers
vroeger, toen hij nog in zijn kermistent »alles" speelde, zoowel in
»Rolla", als in »de komiekigheid" bewonderd--er 't meest toe
bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten.
Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de
spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde
tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem
moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de
hand van den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich
toefluisteren: »Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk
aan u."
't Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt
zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat
en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter
de schermen moet spreken, pakt »Laflèche", die naast hem wacht, bij
den schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en--dan draait en
duizelt alles hem voor de oogen.
Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de
woorden: »_Voort! 't huis uit, zonder tegenspraak, op 't oogenblik,
voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!_" waarmee zijn rol
begint in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt,
verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn
geluid reeds is bij dien eersten volzin.
Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare
handen op 't tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor
gezorgd, omdat zij meende: »'t Zal den ouwen stumperd een riem onder
't hart steken, als hij goed wordt ontvangen."
Het »Bravo" dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt
hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor
zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich
eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor 't
publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige »St!
St's" uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot
de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op,
ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en
voor eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende;
de artist in hem wordt wakker--hij is »Harpagon de Vrek!"
Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken
onderzoekt, wordt inderdaad goed--fijn comisch--door hem gespeeld, en
als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met
grappige verwondering uitroept:
»_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen
zijn 't; de politie moest zulke zakken verbieden,_"
Gaat er een luid gelach op uit 't parterre.
»Hij is toch nog allemachtig komiek," fluistert een burgerjuffrouw
haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het
hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: »Ja, maar hij spreekt toch
erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je 'm niet."
»Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch
dadelijk »den artist"", zegt in de stalles de verslaggever van een der
bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen
brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend
antwoordt
»'t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog
zóó natuurlijk, bepaald alsof 't geheel en al zijn eigen gezicht is.
Kijkt u zelf maar eens, meneer!"
»'k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe
tooneelrot", zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die
naast haar staande, achter »den manteau d'arlequin"[1] verborgen,
evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat.
[1] De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is.
»'t Valt me geducht mee", antwoordt Schröder en klapt met zijn
rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij
Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch
gezegde woorden: »_Wat 'n juweel van 'n knecht!--'n Gelukkig mensch,
die er zóó een heeft en zóó goedkoop._"