De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In 't oosten
kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in
strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette
wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn
en leven.
Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht
en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg
zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen
vergaan.
* * * * *
In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de
gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over 't bed, waarop
Annette in diepen slaap verzonken ligt.
Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen
aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en
herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.
Voor 't bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend,
ligt Walten, nog in 't kostuum van den »vrek", onbewegelijk stil.
Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er
niet van.
De zon komt hooger, 't wordt al lichter en lichter; de schoone,
frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal
verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze
hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en
glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze
een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar
bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t'huiskomst, in
der haast neergeworpen.
Zóó was het ook.
Terwijl alles op 't tooneel in rep en roep was en Walten alleen in
Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd,
dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en
hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart
onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, 't klamme
zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een
krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte.
Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: »Hij, Walten! de
eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor
altijd!" Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor 't
hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den
schouwburg verlaten.
Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet
alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij 't
eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem
de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een »van
harte 't beste meheer Walten!"
Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.
De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar
zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met
olie brandend, op tafel stond.
Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem
lodderig aan en vroeg: »Is uwes daar; veel pleizier gehad?"
Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit
de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: »Je kunt--wel
heengaan--ik--blijf thuis." Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij
schaamde zich voor die vrouw!
Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn
overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen
bleef hij een oogenblik gebogen staan over 't bed, kuste zijn dochter
zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de
knieën voor 't ledikant.
»Morgen heb ik toch 't geld,--voor jou," fluisterde hij en drukte zijn
brandende oogen tegen haar op 't dek rustende hand.
Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar
eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee,
drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe
vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.
Zóó bleef hij liggen.
't Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in 't glas
was verbrand, 't pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en
streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het,
met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door 't
vertrek--en toen ging 't uit.
Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer;
hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te
hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.
»Vader, ik heb dorst!" riep zij zwakjes en tastte in 't duister met
haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even
aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: »Slaap je, vader?"
Geen antwoord.
»Och! hij slaapt," herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en
dommelde weer in.
* * * * *
»Niet ankomme! M'n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de
polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat 'n geval," roept juffrouw
Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren
in Waltens kamer staat bij 't bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk
in dezelfde houding, ligt.
't Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot
in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de
werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast,
met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar
bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.
»Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel 'n kouwe voete krijge," zegt
een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt
Netjes voeten daarin, met de woorden: »Hoe kan je zoo'n schepsel nou
zóó op 'n stoel zetten?"
»'k Was al blij, dat ze zat; 't was me ook een geschiedenis,"
antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: »Zit je zóó
goed, kind?"
»Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe,
dat ie...."
»Blijf jelui nou toch met je handen van 'm af! Hij mot blijve legge
zoo as ie leit, anders heb je 'r gedoe mee. Is er nou al iemand om de
polisie?" vraagt nogmaals vrouw Daters.
»Jawel! Pieterse haalt 'n agent," antwoordt de werkster.
»Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op 't bed legge of op 'n
stoel zette?" zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept
dadelijk: »Hoor die dikke nou? Wel nee! da's teugens de wet!"
»Maar 'k zou toch zeggen, dat...."
»Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de
schrik zit me nog in me knieën." Juffrouw Daters gaat even op een
stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken:
»Wat zeg jelui er wel van? Wat ken 'n mensch er toch gauw uit weze!"
Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en
daardoor onverstaanbaar, geven 't antwoord op juffrouw Daters' vraag.
»Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die
mooiïgheid om," fluistert een van de omstanders tot een ander, die
doodkalm antwoord: »'t Is wat moois, 't lijkt wel niks."
»O! daar komt de agent met den hokkebaas!" klinkt het plotseling bij
de deur.
De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet
gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend,
duwend en vloekend op de trap en in 't portaal verdringen, komen de
kamer in.
»Laat meheer de agent door, menschen!" roepen verschillende stemmen.
»Wat is hier te doen?" vraagt de politieman.
»'n Dooie, meheer de agent!" zegt juffrouw Daters, en haastig voegt
zij er bij: »Zóó morsdood naast 't bed gevonde bij dat gekke mensch;
we binne d'r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei."
»Hoe lang ben jelui hier al?"
»'n Groot kertier, meheer!"
»En heb jelui dien man zóó laten liggen?"
»We hebben d'r geen hand an gehad!"
»Dat's dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!"
»Niet? Nou, as 'n pier hoor," roept een man, die achter in de kamer
staat. »'k Heb 'm evetjes over z'n hoofd gevoeld en an z'n hande
gepakt: hij is al koud en stijf."
»Allo! pak eens meê aan; we zullen zien." De hokkebaas en een paar
anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op 't
bed neer te leggen.
»Hij is waarachtig al zoo goed als stijf," zegt de hokkebaas, terwijl
hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt,
terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen.
»Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn
gezicht vrij."
»Hij is dood, meheer de agent, 'k versikureer 't je. 'k Heb zooveel
dooien gezien van m'n leven. Dek z'n gezicht maar gerust toe,"
antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van 't laken over 't
gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu 't
volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt,
door 't »schmink" en de onafgewasschen grimeerlijnen.
»Wat ziet ie er raar uit: z'n gezicht is beschilderd!" roept er een
uit den hoop.
»Wie is 't?" vraagt de agent.
»Hij hiet Walten en speulde op de kemedie," antwoordt de hokkebaas.
»Zeg!" hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van
Annette staande, zwijgend toekijkt, »zeg! jij zelt er wel 't fijne van
weten?"
»'k Zal 't uwe vertellen, meheer de agent," antwoordt de vrouw, en tot
een van de buren gewend: »Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik
zeggen wat 'r gebeurd is."
»Wie ben jij?"
»Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die
vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou
nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had
z'n benefiesie gespeuld, weet u?--Gut, meheer! ik bin 'r nog besturve
van; zoo'n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo
sebiet is toch...."
»Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat
'r gebeurd is."
Niemand verroert zich, want allen willen hooren »hoe 't geval
eigenlijk in mekaar zit". Daarom herhaalt de agent: »Allo, gauw!" en
een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: »Ga jij
dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter."
Brommend verwijdert zich de man.
»En nou verder. Hoe heet jij?"
»Ikke? Grietje Bruin!"
De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt
zij angstig: »Ik kan d'r toch geen kwaad bij?"
»Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor 't
proces-verbaal."
»'k Weet van die dinge niet af, want 'k bin 'n fatsoenlijke vrouw,
ziet uwee, en ik zal met 'n woord van waarachtigheid getuige wat 'k
gezien heb."
»Vooruit dan, vrouwtje!"
»Van morgen was ik 'n beetje later dan anders, 'k heb zelf nog 'n
huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges 'n uur of twalef, en ik
dacht ook zoo bij m'n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest
van z'n benefiesie en zal misschien 'n glaassie wijn gedronke hebbe:
hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig
gelijk met Pietersen, hier voor de deur."
»Ho! Pietersen, wie is dat?"
»Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald," roept vrouw
Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: »Hij is 'n mirakel van 'n
vent, 'n sefleur, en...."
»Stilte! laat die vrouw verder vertellen."
»Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m'n drie
gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.--Was 't mooi? zeg ik
zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? 't Was 'n... Nou, toen
zei ie 'n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie
wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt
hij an. Ook geen antwoord. 'k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was
niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei
sliepe.--'k Vond 't wel raar, dat ie nog zóó in z'n konstuum lei, maar
ik dacht er niks niet bij."
»Verder!"
»Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, 't is twalef uur. Maar zij
werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d'r
posetieve,--maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen
aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork 't 't eerst en zei weer
wat op z'n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit
z'n lije. Z'n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik
natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo
koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit
ze nou nog.--Ik was erg geschrokke en gooide 't raam ope, om de bure
te roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale."
»Zoo! en waar is die man dan nu?"
»Da' kan 'k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid
weggeloope, of uit z'n eige zelve naar 'n dokter gegaan.--Pieterse is
nogal gevat, weet u?"
* * * * *
Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward
gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: »Menschen,
gaat wat op zij; daar komt 'n dokter an. Laat de heeren passeeren!"
Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan
onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te
snellen, komt de actrice--die juist gereedstond om uit te gaan, te
gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn
koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.
Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat 't bed nadert,
waarop Walten is neêrgelegd.
»Hou jelui stil--St!--'t is de dokter", zeggen fluisterend eenige
buren.
Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant
staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te
hebben geworpen, kortaf zegt: »Dood?"
Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van
spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk
haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik
op den »Harpagon" van gisteren neerziet:
»Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien
overleden."
»Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?" Mevrouw Groote wischt zich de
tranen van de wangen.
»'k Vermoed een plotselinge stilstand van 't hart, hij heeft NIET
geleden."
»Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat....." Snikkend buigt
zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud
voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over
het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht:
»_Hij is op 't veld van eer in 't harrenas gestorven._"[1]
[1] Vondel, Gijsbrecht.
--»Arme ouwe vrind!"
Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt
langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig
naar den doode en fluistert: »Den krans van gisterenavond zullen we nu
toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt
hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar--hij wijst op
Annette--worden?"
»Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen
zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij"--en zij legt even haar hand
op 't lijk--»hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend."