VII.

De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In 't oosten

kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in

strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette

wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn

en leven.

Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht

en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg

zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen

vergaan.

* * * * *

In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de

gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over 't bed, waarop

Annette in diepen slaap verzonken ligt.

Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen

aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en

herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.

Voor 't bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend,

ligt Walten, nog in 't kostuum van den »vrek", onbewegelijk stil.

Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er

niet van.

De zon komt hooger, 't wordt al lichter en lichter; de schoone,

frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal

verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze

hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en

glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze

een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar

bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t'huiskomst, in

der haast neergeworpen.

Zóó was het ook.

Terwijl alles op 't tooneel in rep en roep was en Walten alleen in

Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd,

dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en

hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart

onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, 't klamme

zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een

krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte.

Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: »Hij, Walten! de

eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor

altijd!" Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor 't

hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den

schouwburg verlaten.

Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet

alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij 't

eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem

de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een »van

harte 't beste meheer Walten!"

Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.

De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar

zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met

olie brandend, op tafel stond.

Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem

lodderig aan en vroeg: »Is uwes daar; veel pleizier gehad?"

Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit

de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: »Je kunt--wel

heengaan--ik--blijf thuis." Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij

schaamde zich voor die vrouw!

Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn

overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen

bleef hij een oogenblik gebogen staan over 't bed, kuste zijn dochter

zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de

knieën voor 't ledikant.

»Morgen heb ik toch 't geld,--voor jou," fluisterde hij en drukte zijn

brandende oogen tegen haar op 't dek rustende hand.

Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar

eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee,

drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe

vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.

Zóó bleef hij liggen.

't Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in 't glas

was verbrand, 't pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en

streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het,

met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door 't

vertrek--en toen ging 't uit.

Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer;

hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te

hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.

»Vader, ik heb dorst!" riep zij zwakjes en tastte in 't duister met

haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even

aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: »Slaap je, vader?"

Geen antwoord.

»Och! hij slaapt," herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en

dommelde weer in.

* * * * *

»Niet ankomme! M'n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de

polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat 'n geval," roept juffrouw

Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren

in Waltens kamer staat bij 't bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk

in dezelfde houding, ligt.

't Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot

in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de

werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast,

met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar

bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.

»Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel 'n kouwe voete krijge," zegt

een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt

Netjes voeten daarin, met de woorden: »Hoe kan je zoo'n schepsel nou

zóó op 'n stoel zetten?"

»'k Was al blij, dat ze zat; 't was me ook een geschiedenis,"

antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: »Zit je zóó

goed, kind?"

»Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe,

dat ie...."

»Blijf jelui nou toch met je handen van 'm af! Hij mot blijve legge

zoo as ie leit, anders heb je 'r gedoe mee. Is er nou al iemand om de

polisie?" vraagt nogmaals vrouw Daters.

»Jawel! Pieterse haalt 'n agent," antwoordt de werkster.

»Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op 't bed legge of op 'n

stoel zette?" zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept

dadelijk: »Hoor die dikke nou? Wel nee! da's teugens de wet!"

»Maar 'k zou toch zeggen, dat...."

»Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de

schrik zit me nog in me knieën." Juffrouw Daters gaat even op een

stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken:

»Wat zeg jelui er wel van? Wat ken 'n mensch er toch gauw uit weze!"

Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en

daardoor onverstaanbaar, geven 't antwoord op juffrouw Daters' vraag.

»Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die

mooiïgheid om," fluistert een van de omstanders tot een ander, die

doodkalm antwoord: »'t Is wat moois, 't lijkt wel niks."

»O! daar komt de agent met den hokkebaas!" klinkt het plotseling bij

de deur.

De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet

gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend,

duwend en vloekend op de trap en in 't portaal verdringen, komen de

kamer in.

»Laat meheer de agent door, menschen!" roepen verschillende stemmen.

»Wat is hier te doen?" vraagt de politieman.

»'n Dooie, meheer de agent!" zegt juffrouw Daters, en haastig voegt

zij er bij: »Zóó morsdood naast 't bed gevonde bij dat gekke mensch;

we binne d'r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei."

»Hoe lang ben jelui hier al?"

»'n Groot kertier, meheer!"

»En heb jelui dien man zóó laten liggen?"

»We hebben d'r geen hand an gehad!"

»Dat's dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!"

»Niet? Nou, as 'n pier hoor," roept een man, die achter in de kamer

staat. »'k Heb 'm evetjes over z'n hoofd gevoeld en an z'n hande

gepakt: hij is al koud en stijf."

»Allo! pak eens meê aan; we zullen zien." De hokkebaas en een paar

anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op 't

bed neer te leggen.

»Hij is waarachtig al zoo goed als stijf," zegt de hokkebaas, terwijl

hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt,

terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen.

»Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn

gezicht vrij."

»Hij is dood, meheer de agent, 'k versikureer 't je. 'k Heb zooveel

dooien gezien van m'n leven. Dek z'n gezicht maar gerust toe,"

antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van 't laken over 't

gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu 't

volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt,

door 't »schmink" en de onafgewasschen grimeerlijnen.

»Wat ziet ie er raar uit: z'n gezicht is beschilderd!" roept er een

uit den hoop.

»Wie is 't?" vraagt de agent.

»Hij hiet Walten en speulde op de kemedie," antwoordt de hokkebaas.

»Zeg!" hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van

Annette staande, zwijgend toekijkt, »zeg! jij zelt er wel 't fijne van

weten?"

»'k Zal 't uwe vertellen, meheer de agent," antwoordt de vrouw, en tot

een van de buren gewend: »Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik

zeggen wat 'r gebeurd is."

»Wie ben jij?"

»Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die

vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou

nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had

z'n benefiesie gespeuld, weet u?--Gut, meheer! ik bin 'r nog besturve

van; zoo'n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo

sebiet is toch...."

»Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat

'r gebeurd is."

Niemand verroert zich, want allen willen hooren »hoe 't geval

eigenlijk in mekaar zit". Daarom herhaalt de agent: »Allo, gauw!" en

een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: »Ga jij

dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter."

Brommend verwijdert zich de man.

»En nou verder. Hoe heet jij?"

»Ikke? Grietje Bruin!"

De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt

zij angstig: »Ik kan d'r toch geen kwaad bij?"

»Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor 't

proces-verbaal."

»'k Weet van die dinge niet af, want 'k bin 'n fatsoenlijke vrouw,

ziet uwee, en ik zal met 'n woord van waarachtigheid getuige wat 'k

gezien heb."

»Vooruit dan, vrouwtje!"

»Van morgen was ik 'n beetje later dan anders, 'k heb zelf nog 'n

huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges 'n uur of twalef, en ik

dacht ook zoo bij m'n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest

van z'n benefiesie en zal misschien 'n glaassie wijn gedronke hebbe:

hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig

gelijk met Pietersen, hier voor de deur."

»Ho! Pietersen, wie is dat?"

»Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald," roept vrouw

Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: »Hij is 'n mirakel van 'n

vent, 'n sefleur, en...."

»Stilte! laat die vrouw verder vertellen."

»Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m'n drie

gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.--Was 't mooi? zeg ik

zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? 't Was 'n... Nou, toen

zei ie 'n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie

wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt

hij an. Ook geen antwoord. 'k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was

niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei

sliepe.--'k Vond 't wel raar, dat ie nog zóó in z'n konstuum lei, maar

ik dacht er niks niet bij."

»Verder!"

»Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, 't is twalef uur. Maar zij

werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d'r

posetieve,--maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen

aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork 't 't eerst en zei weer

wat op z'n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit

z'n lije. Z'n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik

natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo

koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit

ze nou nog.--Ik was erg geschrokke en gooide 't raam ope, om de bure

te roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale."

»Zoo! en waar is die man dan nu?"

»Da' kan 'k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid

weggeloope, of uit z'n eige zelve naar 'n dokter gegaan.--Pieterse is

nogal gevat, weet u?"

* * * * *

Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward

gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: »Menschen,

gaat wat op zij; daar komt 'n dokter an. Laat de heeren passeeren!"

Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan

onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te

snellen, komt de actrice--die juist gereedstond om uit te gaan, te

gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn

koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.

Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat 't bed nadert,

waarop Walten is neêrgelegd.

»Hou jelui stil--St!--'t is de dokter", zeggen fluisterend eenige

buren.

Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant

staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te

hebben geworpen, kortaf zegt: »Dood?"

Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van

spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk

haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik

op den »Harpagon" van gisteren neerziet:

»Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien

overleden."

»Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?" Mevrouw Groote wischt zich de

tranen van de wangen.

»'k Vermoed een plotselinge stilstand van 't hart, hij heeft NIET

geleden."

»Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat....." Snikkend buigt

zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud

voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over

het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht:

»_Hij is op 't veld van eer in 't harrenas gestorven._"[1]

[1] Vondel, Gijsbrecht.

--»Arme ouwe vrind!"

Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt

langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig

naar den doode en fluistert: »Den krans van gisterenavond zullen we nu

toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt

hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar--hij wijst op

Annette--worden?"

»Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen

zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij"--en zij legt even haar hand

op 't lijk--»hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend."

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 15 / 47 题