't Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want
't loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht
zwaar.
»Oude heer," had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem
gemoedelijk op den schouder klopte, »ik vertrouw, dat je 't
verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me,
wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen
teekenen,--eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de
lijst laat aanbieden." Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op
Waltens gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen
hij zoo ondoordacht zei: »Wanneer ze jou zien."
't Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een
geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald--aan den lijder
zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.
Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook
Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een
fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn
bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. 't
Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en
verviel; de vermoeienis van 't loopen bracht er misschien ook nog toe
bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk 't ook scheen, toch volkomen
geschikt was om medelijden op te wekken.
De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen
daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van
't hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden
kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke
gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks
blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en
oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat
iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee
hij zijn korte aanspraak bij 't aanbieden van de benefiet-lijst
begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.
* * * * *
Over 't algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn:
»Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.",
bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden.
Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel
dáár waar hij die 't minste verwacht had. Oude goede kennissen,
begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens
droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening
op of gaven door een kort: »'k Heb al TE VEEL van die dingen aan de
hand" te kennen, dat ze »er niet aan deden". Een rijk geworden
kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van »de kunst"
te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en
zei: »Wel, wel! ben jij nou Walten?--Manlief, 't doet me plezier, dat
ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om
jou motte lache, m'n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke
pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn
en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; 'k zal je
maar vooruit betale, want om de duite is 't toch te doen. Dat 's nege
rikse, hé? Daar heb je een bankie van [f]25.--; voor dat ééne
achterwiel, dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke,
hoor!"
O! 't was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die 't hart zoo hoog
droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl
de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met
moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar----'t was vijf en twintig
gulden op eens, en--hij was zoo moe van 't loopen, van 't vragen. »'t
Schijnt bijna bedelen," dacht hij, terwijl hem 't bloed naar 't hoofd
schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te
uiten.
Hier en daar werd hij kortaf met: »Dank je, ik zal er niet van
profiteeren," afgewezen; 't deed hem minder smartelijk aan dan de
woordenrijkheid van »den ploert," die zoo royaal was.
Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke
stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend,
op zijn vraag antwoordde: »Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer
Walten?--Wel zeker, gaarne! Ik zou 't u niet vergeven hebben, als u
mij had vergeten, want ik heb u niet vergeten; 'k heb veel genot en
ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog
eens weer te zien spelen.--Ei zoo! geeft u »De Vrek?" 'n Mooi stuk,
een van uw beste rollen. En den Nikolaas in 't blijspel »De dochter
van Dominique" toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik
me op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef
me maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort
zullen komen."
Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede
tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen.
Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand
uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te
gemoet kwam.
Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts
een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den
vorm van: »Meneer is niet thuis" of: »We houën hier niet van comedie",
herhaaldelijk ondervond.
Toch kon hij tevreden zijn, want 't aantal genomen plaatsen was vrij
aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als
uitverkocht.
Pietersen liep, zooals hij 't zelf eigenaardig uitdrukte, »en tempête"
de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met
spiritueus genot afwisselde,--»'t hoorde er onvermijdelijk bij",
beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters
»exploiteerde",--kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden
welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien
hij had binnengehaald.
Ook aan 't bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de
aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar
welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden
gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den
vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op
den speelavond zelf nog wat publiek »inliep", er een batig saldo voor
hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot,
voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht
te verzekeren.
* * * * *
Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat »de rommel" bij
Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder
diezelfde vrouw voorloopig als »gezelschap" bij de ongelukkige Annette
gelaten, omdat zij vond, dat »de stumperd" zoo akelig alleen en
verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan
en had gezegd: »Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis
geweest; 't is daar een echt treurige boel, veel armoediger en
ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de
handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man
heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.--'t Is waar, hij was
vroeger 'n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo
heeft iedereen wat.--Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de
lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem
dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een
lauwerkrans gebonden.--Wat dunkt je?"
»Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel 'n
beetje opwarmen," antwoordde Hostein. »Maar hoe is 't op 't oogenblik?
Hij heeft een voorschot, hé?"
»Och, beste vrind! 't was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur
enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat
gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij 't graag aan, zoo'n
beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in
huis.--Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me
mee; ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. 'n Mooie vrouw is
't zeker, 'n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij
zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van
dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner,
was 't verder niets buitengewoons.--Wat dunkt jou?"
Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: »Ieder denkt zijn
uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook
niet geschikt om....."
»Och ja!" viel mevrouw Groote hem in de rede. »Je kunt op hem niet
veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen
loopt. Op de repetitie's was 't niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_
kreeg 't benauwd voor hem; 'k geloof nooit, dat hij 't er goed
afbrengt."
»Kom! 't is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij 't
wel,--hij kent de trucs!"
»Neen, waarachtig, 't was brabbelen wat hij deed."
»Was 't zóó slecht?"
»Abominabel! Hij is op,--totaal op!"
* * * * *
»'t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is
gegaan; de zaal wordt vol," zegt Walten op den avond vóór het benefiet
tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.
»C'est clair, mon Prince!" antwoordt Pietersen, en met een schuinschen
blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: »En is 't nu wat
beter gegaan op de repetitie?"
»Hoe bedoel je?"
»Wel, zit »De Vrek" er weer goed in?" Pietersen wijst met het boekje,
waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit »De dochter van Dominique"
overhoort, op zijn voorhoofd.
»Ik geloof 't wel, maar 'k heb nog altijd last van die duizeligheid,
vooral als ik me inspan bij 't spelen. Zou dat zwakte zijn?"
»Misschien?--'t Is ook een zware rol."
»'k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er
niet goed meer in. Ik begrijp 't niet: ik kon »De Vrek" vroeger als
mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik
telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed."
»Geweest!" denkt de souffleur, terwijl hij 't boekje opnemend zegt:
»Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel
maar weer »de wacht" geven. 't Is een echte lachrol, die Nikolaas."
»Ja! maar 't lachen gaat me niet natuurlijk meer af.--Enfin! begin
maar."
Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de
souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder 't
hoofd, zit te souffleeren wat »Nikolaas" zeggen moet, dan weer loopt
hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die
somber voor zich uit ziende, op den rand van 't bed zit en in hetgeen
in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.
»Heb je weer hoofdpijn, kind?" vraagt Walten bezorgd, terwijl hij
zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.
»Neen!" Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende
ochtendjapon.
»Waarom is die vrouw weg?"
»Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!"
»Neen! ze maakt leven, buiten op de trap."
»Zij? Wel neen, Netje.--Hoor jij wat, Pietersen?"
»Niets, mon Prince!--St! ze zal 't in haar hoofd hebben."
»Bonst 't weer in je hoofd, kindlief?"
»'t Is zoo warm, dáár, dáár," en met krampachtig gekromde vingers
grijpt Annette boven op haar kruin.
»Wil je een doek met water erop hebben?"
»Neen!"
»Hindert 't je, als we spreken?"
»Neen! maar die muziek buiten wèl."
»Muziek? Er is geen muziek; 't is doodstil!--God! Pietersen, ze zal
toch niet weer...?"
»Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!"
»Maar lieve Netje, 't is...."
»Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer."
»Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw
Groote je gebracht.--Pietersen! 't wordt weer mis: wat moet ik
beginnen?" Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.
»'k Weet het niet, mon Directeur! maar 't is niet in orde met haar,
cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?" Pietersen
slaat 't boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.
»Vader! vader! laat ze uitscheien." Annettes oogen krijgen een wilden,
zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en
hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich
angstig aan Walten vast.
»Als je haar eens 'n klein tikkie cognac liet drinken; wil 'k je de
flesch eens aangeven?" vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn
breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar
worden.
Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn
stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein
meisje was.
»Kijk! zoo'n half kelkje--c'est un tonique!--dat zal 'r waarachtig
goeddoen." Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en
Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt
terugdeinst, bij 't hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig
snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de
flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.
Zoo'n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft
Pietersen 't restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige
flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even,
veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: »Ze lacht
leelijk van avond; 't zal een krasse bui worden. Wil 'k ook even naar
den dokter loopen?"
»Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo
meteen neervalt. Stil! 't gaat wat over."
Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig,
hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en
Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is
genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem
toesnauwt: »Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet
lachen."
Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den
souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: »Lach!"
»Lach! In Godsnaam, lach dan toch!" fluistert Walten.
Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en
als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders
arm. »Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!"
Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de
oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij
stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt
half zittend voorover op 't bed.
Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als
van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en
glazig de groote oogen, werpt 't hoofd trots in den nek en zegt op
bevelenden toon: »_Mijn mantel!--Don Alfons, breng mij mijn
hermelijn!_"
Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst:
»Daar is 't weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien
morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen
avond spelen?" Hij huivert en snikt.
Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch
cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt
glimlachend: »Waar is je alma-viva dan, m'n wijfje?"
Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend
over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik
tegen zijn lippen.
Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil
midden in de kamer.
»_Zet mij de kroon op 't hoofd en blijf hier naast mij staan!_"
Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.
»Toe! Pietersen, gauw de kroon!"
»De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k--kroon ook
aan?--Verdijd! daar stoot ik m'n elleboog.--Dat bordpapieren ding is
er niet; 'n mooi l--lorrr!"
»Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze
niet? Dáár!"
»Ja, ja! nou zie 'k ze wel; hou je gem--mak, mon P--prince; ik heb ze
al. Tout doucem--ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch--oone D--donna."
En vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.
»God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb
je...? Je bent bez...."
»Dronken? Waarachtig niet, m--mon Général; 'n beetje tipsy maar,
legèr--re--m--ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha!
ha! Annette, mon--id--ôle, je zit daar heel leuk. 'n Mooie troon, dat
onopgemaakte mandje!"
»Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder
En luister ned'rig naar mijn Koninklijk bevel!"
declameert de ongelukkige luid en krachtig.
»Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest
en dan is ze straks niet te houwen."
»H--houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo
naar je zin ma--majesteit, koningin van mijn hart, r--reine de mon
c--c--coeur?"
»God! hij slaapt in.--Pietersen, word wakker!"
»Hé?"
»Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan
haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet
slapen!"
»Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was
zuiv--ver sterk...." De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten
van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de
hand van haar vader vasthoudend verder declameert.