IV.

't Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want

't loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht

zwaar.

»Oude heer," had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem

gemoedelijk op den schouder klopte, »ik vertrouw, dat je 't

verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me,

wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen

teekenen,--eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de

lijst laat aanbieden." Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op

Waltens gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen

hij zoo ondoordacht zei: »Wanneer ze jou zien."

't Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een

geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald--aan den lijder

zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.

Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook

Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een

fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn

bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. 't

Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en

verviel; de vermoeienis van 't loopen bracht er misschien ook nog toe

bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk 't ook scheen, toch volkomen

geschikt was om medelijden op te wekken.

De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen

daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van

't hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden

kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke

gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks

blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en

oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat

iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee

hij zijn korte aanspraak bij 't aanbieden van de benefiet-lijst

begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.

* * * * *

Over 't algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn:

»Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.",

bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden.

Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel

dáár waar hij die 't minste verwacht had. Oude goede kennissen,

begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens

droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening

op of gaven door een kort: »'k Heb al TE VEEL van die dingen aan de

hand" te kennen, dat ze »er niet aan deden". Een rijk geworden

kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van »de kunst"

te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en

zei: »Wel, wel! ben jij nou Walten?--Manlief, 't doet me plezier, dat

ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om

jou motte lache, m'n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke

pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn

en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; 'k zal je

maar vooruit betale, want om de duite is 't toch te doen. Dat 's nege

rikse, hé? Daar heb je een bankie van [f]25.--; voor dat ééne

achterwiel, dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke,

hoor!"

O! 't was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die 't hart zoo hoog

droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl

de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met

moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar----'t was vijf en twintig

gulden op eens, en--hij was zoo moe van 't loopen, van 't vragen. »'t

Schijnt bijna bedelen," dacht hij, terwijl hem 't bloed naar 't hoofd

schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te

uiten.

Hier en daar werd hij kortaf met: »Dank je, ik zal er niet van

profiteeren," afgewezen; 't deed hem minder smartelijk aan dan de

woordenrijkheid van »den ploert," die zoo royaal was.

Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke

stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend,

op zijn vraag antwoordde: »Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer

Walten?--Wel zeker, gaarne! Ik zou 't u niet vergeven hebben, als u

mij had vergeten, want ik heb u niet vergeten; 'k heb veel genot en

ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog

eens weer te zien spelen.--Ei zoo! geeft u »De Vrek?" 'n Mooi stuk,

een van uw beste rollen. En den Nikolaas in 't blijspel »De dochter

van Dominique" toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik

me op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef

me maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort

zullen komen."

Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede

tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen.

Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand

uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te

gemoet kwam.

Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts

een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den

vorm van: »Meneer is niet thuis" of: »We houën hier niet van comedie",

herhaaldelijk ondervond.

Toch kon hij tevreden zijn, want 't aantal genomen plaatsen was vrij

aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als

uitverkocht.

Pietersen liep, zooals hij 't zelf eigenaardig uitdrukte, »en tempête"

de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met

spiritueus genot afwisselde,--»'t hoorde er onvermijdelijk bij",

beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters

»exploiteerde",--kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden

welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien

hij had binnengehaald.

Ook aan 't bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de

aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar

welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden

gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den

vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op

den speelavond zelf nog wat publiek »inliep", er een batig saldo voor

hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot,

voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht

te verzekeren.

* * * * *

Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat »de rommel" bij

Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder

diezelfde vrouw voorloopig als »gezelschap" bij de ongelukkige Annette

gelaten, omdat zij vond, dat »de stumperd" zoo akelig alleen en

verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan

en had gezegd: »Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis

geweest; 't is daar een echt treurige boel, veel armoediger en

ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de

handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man

heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.--'t Is waar, hij was

vroeger 'n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo

heeft iedereen wat.--Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de

lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem

dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een

lauwerkrans gebonden.--Wat dunkt je?"

»Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel 'n

beetje opwarmen," antwoordde Hostein. »Maar hoe is 't op 't oogenblik?

Hij heeft een voorschot, hé?"

»Och, beste vrind! 't was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur

enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat

gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij 't graag aan, zoo'n

beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in

huis.--Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me

mee; ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. 'n Mooie vrouw is

't zeker, 'n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij

zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van

dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner,

was 't verder niets buitengewoons.--Wat dunkt jou?"

Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: »Ieder denkt zijn

uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook

niet geschikt om....."

»Och ja!" viel mevrouw Groote hem in de rede. »Je kunt op hem niet

veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen

loopt. Op de repetitie's was 't niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_

kreeg 't benauwd voor hem; 'k geloof nooit, dat hij 't er goed

afbrengt."

»Kom! 't is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij 't

wel,--hij kent de trucs!"

»Neen, waarachtig, 't was brabbelen wat hij deed."

»Was 't zóó slecht?"

»Abominabel! Hij is op,--totaal op!"

* * * * *

»'t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is

gegaan; de zaal wordt vol," zegt Walten op den avond vóór het benefiet

tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.

»C'est clair, mon Prince!" antwoordt Pietersen, en met een schuinschen

blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: »En is 't nu wat

beter gegaan op de repetitie?"

»Hoe bedoel je?"

»Wel, zit »De Vrek" er weer goed in?" Pietersen wijst met het boekje,

waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit »De dochter van Dominique"

overhoort, op zijn voorhoofd.

»Ik geloof 't wel, maar 'k heb nog altijd last van die duizeligheid,

vooral als ik me inspan bij 't spelen. Zou dat zwakte zijn?"

»Misschien?--'t Is ook een zware rol."

»'k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er

niet goed meer in. Ik begrijp 't niet: ik kon »De Vrek" vroeger als

mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik

telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed."

»Geweest!" denkt de souffleur, terwijl hij 't boekje opnemend zegt:

»Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel

maar weer »de wacht" geven. 't Is een echte lachrol, die Nikolaas."

»Ja! maar 't lachen gaat me niet natuurlijk meer af.--Enfin! begin

maar."

Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de

souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder 't

hoofd, zit te souffleeren wat »Nikolaas" zeggen moet, dan weer loopt

hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die

somber voor zich uit ziende, op den rand van 't bed zit en in hetgeen

in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.

»Heb je weer hoofdpijn, kind?" vraagt Walten bezorgd, terwijl hij

zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.

»Neen!" Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende

ochtendjapon.

»Waarom is die vrouw weg?"

»Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!"

»Neen! ze maakt leven, buiten op de trap."

»Zij? Wel neen, Netje.--Hoor jij wat, Pietersen?"

»Niets, mon Prince!--St! ze zal 't in haar hoofd hebben."

»Bonst 't weer in je hoofd, kindlief?"

»'t Is zoo warm, dáár, dáár," en met krampachtig gekromde vingers

grijpt Annette boven op haar kruin.

»Wil je een doek met water erop hebben?"

»Neen!"

»Hindert 't je, als we spreken?"

»Neen! maar die muziek buiten wèl."

»Muziek? Er is geen muziek; 't is doodstil!--God! Pietersen, ze zal

toch niet weer...?"

»Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!"

»Maar lieve Netje, 't is...."

»Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer."

»Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw

Groote je gebracht.--Pietersen! 't wordt weer mis: wat moet ik

beginnen?" Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.

»'k Weet het niet, mon Directeur! maar 't is niet in orde met haar,

cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?" Pietersen

slaat 't boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.

»Vader! vader! laat ze uitscheien." Annettes oogen krijgen een wilden,

zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en

hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich

angstig aan Walten vast.

»Als je haar eens 'n klein tikkie cognac liet drinken; wil 'k je de

flesch eens aangeven?" vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn

breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar

worden.

Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn

stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein

meisje was.

»Kijk! zoo'n half kelkje--c'est un tonique!--dat zal 'r waarachtig

goeddoen." Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en

Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt

terugdeinst, bij 't hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig

snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de

flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.

Zoo'n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft

Pietersen 't restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige

flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even,

veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: »Ze lacht

leelijk van avond; 't zal een krasse bui worden. Wil 'k ook even naar

den dokter loopen?"

»Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo

meteen neervalt. Stil! 't gaat wat over."

Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig,

hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en

Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is

genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem

toesnauwt: »Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet

lachen."

Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den

souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: »Lach!"

»Lach! In Godsnaam, lach dan toch!" fluistert Walten.

Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en

als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders

arm. »Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!"

Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de

oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij

stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt

half zittend voorover op 't bed.

Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als

van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en

glazig de groote oogen, werpt 't hoofd trots in den nek en zegt op

bevelenden toon: »_Mijn mantel!--Don Alfons, breng mij mijn

hermelijn!_"

Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst:

»Daar is 't weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien

morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen

avond spelen?" Hij huivert en snikt.

Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch

cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt

glimlachend: »Waar is je alma-viva dan, m'n wijfje?"

Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend

over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik

tegen zijn lippen.

Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil

midden in de kamer.

»_Zet mij de kroon op 't hoofd en blijf hier naast mij staan!_"

Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.

»Toe! Pietersen, gauw de kroon!"

»De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k--kroon ook

aan?--Verdijd! daar stoot ik m'n elleboog.--Dat bordpapieren ding is

er niet; 'n mooi l--lorrr!"

»Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze

niet? Dáár!"

»Ja, ja! nou zie 'k ze wel; hou je gem--mak, mon P--prince; ik heb ze

al. Tout doucem--ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch--oone D--donna."

En vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.

»God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb

je...? Je bent bez...."

»Dronken? Waarachtig niet, m--mon Général; 'n beetje tipsy maar,

legèr--re--m--ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha!

ha! Annette, mon--id--ôle, je zit daar heel leuk. 'n Mooie troon, dat

onopgemaakte mandje!"

»Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder

En luister ned'rig naar mijn Koninklijk bevel!"

declameert de ongelukkige luid en krachtig.

»Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest

en dan is ze straks niet te houwen."

»H--houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo

naar je zin ma--majesteit, koningin van mijn hart, r--reine de mon

c--c--coeur?"

»God! hij slaapt in.--Pietersen, word wakker!"

»Hé?"

»Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan

haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet

slapen!"

»Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was

zuiv--ver sterk...." De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten

van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de

hand van haar vader vasthoudend verder declameert.

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 12 / 47 题