»Hoe staan we er nu mede, Walten?" vraagt den volgenden dag de
Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een
portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem
staat.
»Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?"
»Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in
Arthur of zestien jaren later."
»Hm! die rol is niet groot voor 'n beneficiant."
»Wat dunkt u dan van »De Vrek?" Die heb'k altijd met succes gespeeld."
»Niet kwaad, ten minste wanneer je..." de Directeur zwijgt een paar
seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan--»hm!
wanneer je die rol nog aandurft."
»Nòg...?" Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft.
»Ja! je wordt een dagje ouder en 't is een zware rol."
»O, ik ken ze nog wel op mijn duim. 't Is een van mijn beste creatiën;
ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een
engagement te zoeken. 't Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had,
die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel
weer willen optreden."
In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden
man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende
verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen:
»Jij?--Zoek jij nog een engagement? Neen, 't is niet zoo, je houdt mij
voor 't lapje."
't Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er
snel bij: »Ik meen 't in vollen ernst: als u me kunt emploieeren..."
»Daar zullen we later wel over spreken. Walten.--Vertel me nu eerst
eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?"
»'t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten
bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder
met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: _'t
Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt._"
»Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer
succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen
heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van 't tooneel;
ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en
daarom...."
Walten wordt bleek; dat gezegde: »Enkelen zullen zich jou nog wel
herinneren" heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige
waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de
herinnering van enkelen; den Walten van 't heden kent men nauwelijks
meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen,
wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan
antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: »'k Heb al een paar oude
kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen;
maar--als u 't niet kwalijk neemt, meneer Schröder, wou 'k wel gaan
zitten, want...."
»Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden,
excuseer mijn lompheid!" En snel opspringend, neemt hij een stoel, die
onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten.
Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale
bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een
congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. »Ik
weet niet wat mij mankeert, meneer Schröder, maar in den laatsten tijd
heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om...."
»Wel, m'n goeie man, geneer je niet, neem je gemak."
»Dank u; 't gaat nu alweer over. 't Is een alleronaangenaamst angstig
gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben, dan
draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen."
»Dat's niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?"
»O, als u 't bij de hand heeft, graag."
Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is
het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te
zien, dat hij nog niet geheel normaal is.
»Ik denk, dat 't van 't heen en weer loopen en draven komt," zegt hij:
»ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb 'k weinig nachtrust gehad
in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw
achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken
vrij. 't Is treurig, erg treurig."
»We willen 't beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde
behandeling komt," troost de Directeur.
»Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in 't gesticht zou ze...."
»Ja, ja!" valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds
herhaalde malen 't relaas van den vader heeft gehoord; en om een
andere wending aan 't gesprek te geven, vervolgt hij: »Hoe sta je met
de artisten?"
»Goed!"
»Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt
krijgen, des te beter."
»Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andrée
zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt."
»Hoezoo?--Die moet je vooral hebben, die is op 't oogenblik »the grand
attraction.""
»Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou.
Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat _ik_ wel begrijpen zou,
dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi
vallend, kon aannemen."
»Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo
goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar
aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is
erg van 't hondje gebeten, nogal over 't paard getild.... Binnen!"
Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en
rijst werktuiglijk op van zijn stoel.
»Is er belet?" vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te
gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer
intelligent en prettig voorkomen, om 't hoekje van de deur.
»Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!"
antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende
dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten
en neemt op den haar aangeboden stoel plaats.
»U komt als geroepen, mevrouw!"
»Waarom?"
»Hier is"--de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn
stoel staat,--»Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen
of...."
»Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!" En vriendelijk
lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem
zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: »Ga eerst weer
zitten, collega. 'k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu
zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit.
Ben je ziek geweest?"
»'k Voel me niet wel, mevrouw!"
»Dat's verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den
laatsten tijd.... hm! hoe zal ik 't zeggen...."
»Dat ik oud word, mevrouw! Zeg 't maar."
»Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je
benefiet te geven?"
»Ik hoop »De Vrek"."
»Ei! dat's geen kleinigheid. Ben ik er ook in?"
»Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; 'k had u
beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om...."
»Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf."
»Ja?" Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe.
»Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?"
»Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw
emplooi...."
»Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan;
geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een
collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik
alles. Als 't niet anders kan, figureer ik zelfs mee,--ten minste als
je mijn naam graag op 't programma wil hebben," voegt zij er met een
klein vleugje van ijdelheid bij.
»Wat is u goed, mevrouw Groote!"
»Zie je, Walten, daar spreekt nu 't artistenbloed," zegt de Directeur;
en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: »Juffrouw Andrée is
minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd."
»Wel! wel!" antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid
in haar stem. »Nu, zoo'n grrroote artiste mag haar kuif ook wel
opzetten. Zoo'n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben,
is 't niet zoo?"
»Ja, mevrouw."
»'t Is om te lachen,--zoo'n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een
mooi figuurtje,--dat 's waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij
niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel
komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze
geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?"
»Nog geen rol; 't was maar bij voorbaat, dat zij...."
»Wel goeie hemel! wat 'n drukte voor niemendal!--Luister eens, Walten,
ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?"
»Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als 't niet in haar..."
»Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!"
En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener
coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende
stem: »'t Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet....
Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen
loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur 't
goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles--ik heb 't land aan dat
creatuur--en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol.
Dat's een aardig eenvoudig kind met 'n snoepje van 'n gezichtje en met
meer talent dan die »grrhoote juffrrrhouw Andrrhée." Dan zetten we op
't programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw
Groote.--Wat zeg je daar van, meneer Schröder?"
»Nu, dat 's nog zoo kwaad niet," merkt Schröder, die eigenlijk
juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan. »'n Debuut met 'n
benefiet samen is een goed idee."
»Mevrouw, 'k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb."
»Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.--Kijk!" Mevrouw Groote wrijft
zich eventjes in de handen, »ik ben heusch in m'n schik, dat we die
Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan
haar niet zetten; ze heeft zoo'n paar opera-maniertjes, die 't publiek
aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit
de stalles, 't balcon enz. Voilà tout! Voor 't overige zit alles er
dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen
dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen...."
»Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo _heel lang_ en beter
kende, zou ik werkelijk denken, dat hier 'n beetje »jalousie de
métier" in 't spel was," hervat Schröder, lachend mevrouw Grootes
woordenvloed stuitend.
»Kom, Schrödertje! dat weet je wel beter; _ik_ heb me waarachtig niet
te beklagen, _ik_ heb succes genoeg gehad"--en met een zelfgenoegzaam
lachje--»en nog succes! Begrijp je, dat's veel gezegd, als men bijna
vijf en dertig jaren op de planken is.--Maar ik zie, dat je heen wilt
gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en
repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens
flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil 'k ook 'n
beetje eer met 'r inleggen."
»Wanneer dunkt u dan, meneer Schröder?"
»'k Zal er met den régisseur over spreken; overmorgen weet u 't."
»Best!"--Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed.
»Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet
na »De Vrek" een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische
rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien
hebben en die zoo'n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de
zuster van Jocrisse.--Ja, hm! voor Jocrisse ben je--hm! niet boos
worden!--een beetje af-tandsch. Maar--zing je nog?"