't Is even na den middag. 't Is koud en guur winterweer, zonder
sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend
kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje
een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat
der achterbuurt, waar Walten woont, maar 't is geen zonneschijn die,
weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, 't is alleen een
teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt
als komt.
Op 't open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten
de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft,
staat een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan
de waschtobbe! 't Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar
goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige
herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan
helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een
klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn
kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee 't
plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er
uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij
bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er
bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend
luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en
»'t lawaai" haar te erg wordt. »Stil, Keesie!" zegt ze, hem even met
den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de
achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar
galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en
bevelender: »Stil dan toch, joggie!"
[1] Turf- en houtverkooper.
Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf,
het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor
zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den
grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op
eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel
mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn,
wanneer niet, door de openstaande deur van 't kleine keukentje het
volle daglicht binnenviel.
Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite
woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het
bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar:
»Stil dan toch, Keesie" en klimt behoedzaam op 't bankje. Nu reikt ze
met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar
binnen in de kamer kan zien.
»Hum!" mompelt zij, »de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch
net effetjes zien." Zij stapt van 't bankje af en luistert opnieuw,
want binnen klinkt de stem al luider en luider.
»Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; 'n mensch kan niks niet
hoore, als jij aldoor zingt; 't wordt nou net persies mooi." Zij doet
een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: »Juffrouw
Jaling! Juffro-ou-w!--toe Keesie, hou je mond nou--juffrouw, kom nou
gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere,
vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!"
Uit de openstaande achterdeur van 't naburig huis, dat eveneens op 't
erf uitkomt, klinkt een heesch: »Ik kom al!" en dadelijk daarop
waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar
buiten.
Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om
't lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren
pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken,
als zij nadert.
»Benne ze weer bezig?" vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze
een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande 't
koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt.
»Nou! uwé komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; 't is posetief 'n
extratje vandaag. Uwé kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat
u maar op 't bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in
de kamer zien; 't eene raam staat een êndje ope, dat tref je. Je mot
nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht 'k zal je
helpe.--Komaan dan!--Ho!--Huup! Eén ootje, twee ootje, mensch! mensch
wat ben je toch dikkig: als m'n bankie 't maar uithoudt--drie ootje!
oepla!--Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.--Nou ben je d'r.--Zie
je wat?"
»Gut, lieve ziel, wacht effies!--'k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor
'n dikkig persoon is 't een heele toer om op zoon bankie te komme; ik
ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik
zien."
»Zie je wat?"
»Nou!"
»Wat dan?--Zeg 't me maar zoetjes."
»Kristemensch! wat is 'r 'n herrie in die kamer."
»Nou hé!"
»Alles leit overhoop; zij zit op 't bed. O! Gossie! wat ziet ze 'r
raar uit, en hij maakt grimassies voor d'r. Hij buigt. Hè! hè! hè!
hè!"
»Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie 't!"
»Dat's allemachtig kemiek: hij zoent 'r hand.--Zeg, 'k kan ommers niet
valle, juffrouw Daters?--Hij doet 't bij wijs alsof ie 'n onderdaan is
of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit 'n soortement vers op."
»Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, hé?"
»Stil dan, mensch, laat me nou hoore."
»Vertel dan ereis, wat ie zeit?"
»Nou persies kan 'k 't niet verstaan, maar.... Hè! hè! hè! hij gaat op
z'n eene knie legge en zij--o, groote Gerritje, dat's grappig--zij
vliegt op en pakt die ouwe kerel om z'n hals. Sjuut! nou ken 'k 'r
verstaan. Jij ook?"
»Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!"
Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk:
».... Hernani! 'k beef.... In 's hemels naam,
Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zaâm."
en Waltens stem, antwoordt:
»Te zaâm?--Neen! neen!.... Hélaas! dat uur is heengevaren,
Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren;
Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m' uw liefde boodt,
Mocht ik u bieden, wat mijne armoê overschoot."
»Zeg," fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, »hij heit 't
over z'n armoê. Nou! dat 's geen wonder: 't is daar 't noordermarkie
wel."
»Nou hé?--Pas op dat je niet om valt; 't bankie is zwak; je mot
stilstaan, hoor!--Wat 'n malle mensche om zoo met mekaar in d'r eentje
komedie te doen."
»Nou!"
Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als
eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt:
»Neen, 'k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen;
'k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen."
zegt juffrouw Jaling zachtkens: »Wat 'n mooie stem heit ze'."
»Jawel, maar luister nou liever, m'n goeie mensch."
Walten antwoordt:
....... Laat mij alleen ontvluchten!
»Gaat ie 'r van door?" vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere,
die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet.
»Wel, mensch, 't is ommers allemaal spul!--Nou begint zij weer, hoor
je wel?"
..... »Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind
Zijn leven te offeren aan den een'gen, dien men mint,
En, weggestooten, nog 't geluk te moeten derven
Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven."
Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd
geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen,
gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de
andere zegt: »'k Heb met 'r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je
gaat er niet voor naar de komedie, hoor; 't is waar wat je zei--hè!
dat's jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt 't zoo donker dat
'k bekans niets zie--maar hoore kan 'k wel."
»Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is 't niet?"
»Nou! Maar hij is van de tand--dat hoor je wat goed."
»'t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als
ie praat. Je ken 'm haast niet verstaan tusschenbeie.--O! daar beginne
ze weer; maar...."
Krak! krak! doet 't bankje en meteen: »Groote Gerritje, daar heb je 't
nou," vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar
tegen en helpt haar veilig op den grond. 't Bankje is door »de
dikkigheid" van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot
het uiterste gebracht en bezweken.
Met een: »Da's nog net bijtijds" blijft de zwaarlijvige juffrouw een
oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte
japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat,
vraagt ze:
»En is daar nou alle dage weêr-an zoo'n spektakel?"
»Alle dage, ten minste in den laatsten tijd."
»Heere, Heere!--'k Wou dat 'k hier eerder was komme wone; 't
verdiverteert me wel."
»M'n man is ereis op z'n kamer geweest."
»Kom?"
»Waarentig!--'n Rommel, m'n goeie mensch, een rommel, van alles en nog
wat!"
»Wel, wel!"
»En speult ie nou nog op den Schouwburg?"
»Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel."
»Wat je zegt!"
»'t Mot vroeger anders 'n baas zijn geweest."
»Zoo!"
»Jawel, 'n eerste kemiekeling!"
»Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt;
anders is z'n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je 'm zoo
ziet."
»Nou!"
»Zoo'n beetje verloopen ook, hé?"
»Nou! 't is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien
zeit ie toch nog wel ereis 'n grappie."
»Och kom!"
»Ja, als Pietersen komt."
»Wie is Pietersen?"
»O! ken je dien nog niet?"
»Neen!"
»'t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie
vroeger bij 'n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie
zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat's zoo'n mirakel
van 'n vent. Hij heit nog één haar en één tand en de rest is beentjes
met 'n jas van »dankie meneer" er over. 'n Liefhebber van een slokkie,
erg! Maar vinnig, als 't er op ankomt ook."
»Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg 'm
maar weg achter je stropdas." Juffrouw Jaling maakt met twee vingers
van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt.
»Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie
niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om
'n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.--O Pietersen!--O!
Pie-ie-ietersen!"
»Mensch, wat begin je?"
»Nou! mot je 'm niet ereis zien? 't Is wat 'n smakelijke poelepetaat;
misschien krijgt ie nog idee in je; zoo'n dikke weduwvrouw zonder
kindere zou 'm nog wel lijke.--Dag, Pietersen; hoe gaat 't?"
De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling
type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knieën loopend, ziet
hij er uit alsof hij op 't punt is om door te breken.
Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel
als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier
geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en
't is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan
sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins
scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een
groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn
jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of
anderen menschenvriend.
Door 't bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan
dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn
stem een klank, die aan 't klokken van een flesch, die uitgeschonken
wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig
was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die
eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze 't voortdurend zijn.
Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des
alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een
zoogenaamde »pleizierige bui", die zich bij hem aankondigt door een
kleine moeilijkheid bij 't uitspreken van enkele woorden en letters.
Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat
heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog
knipt hij niet vaker dan anders.
De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want
Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een
zoogenaamden »ui" op haar lachspieren te werken; hij is de schim van
een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een
eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van
overwicht bezorgt. »Hij is vroeger een heer geweest," zeggen ze, en
hoewel ze hem zoodra ze kunnen in 't ootje nemen, gaan ze nooit te
ver; »dat ken je niet met 'm risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig
beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt," beweert
vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen
ernst:
»Rr-oept u, schoone dame?"
»Ja, Pietersen!"
»Meneer Pietersen, als ik u verz--zoeken mag!"
Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: »Nou, voor
mijn part mag je »meheer" wezen, maar 'n meheer met angst ben je toch,
ha! ha! ha!"
»Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?"
»Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch 'n oud mirakel."
»Wanneer u me roept om geridicu--cu--liseerd te worden, beminnelijke,
dan vertrek ik liever vóór ik arriveer, Donna mia."
Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw
Daters: »Hij heit 'm te pakke van middag!" en luid zegt ze: »Ouwe
graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je
te wachte. Ha! ha! 'n mooi spannetje voor 'n bokkewage die twee."
»Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protège!"
Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen
toon: »Verdikke! die wasch--tobbe ko--kon je wel ergens anders hebben
gezet, lieveling!"
Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is
gestruikeld, zijn hoed uit 't zeepsop opvischt en, tegen den muur
leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft.
»Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe," lacht vrouw Daters, en
juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam
was, voegt er bij: »Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers
niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! 't is de pijne waard om te zien."
Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat
Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur,
die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is
door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe
uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd.
»Canaille-pak," zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat,
keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende
buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: »Au revoir, mes anges".
Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen
binnensmonds en gaat dan de trap op.
't Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen,
maar hij wacht toch even in 't enge donkere portaal, vóórdat hij naar
boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit
de kamer:
»Ik volg u!"
»Dat's Annette," zegt hij in zich zelf. »Och Heere! zou 't weer mis
wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar."
»De hertog heeft het al, geluk en goud en eer,"
klinkt boven hem Waltens stem.
»Jongens! jongens! 't is toch 'n ding voor Walten," vervolgt hij
hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt
hij de treden op.
Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere
bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe
lichtstreep onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas
een weinig naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en
strijkt de enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad.
»Binnen!" roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft
aangeklopt.
Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat hij
zwijgen moet.
Zijn »me voilà monsieur le Directeur" besterft hem op de lippen, als
hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe:
»Geen grappen, hoor je! 't Is heelemaal mis, o, zoo erg! 'k Heb 'n
nachtje gehad!--Ze is nu Donna Sol. Begrepen?"
Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en slaat
dan langs zijn rooden neus een meêwarigen blik op de vrouw, die op 't
bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze
langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te
herkennen en zegt:
»Wij gaan op morgen saam--ik wil niets anders meer.
Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven."
Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen naderen
moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten hem haastig toe: »Maar
ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!"
Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor 't
bed, kust de hem toegestoken hand en zegt:
»Ik nader, Donna Sol, ik plaats me aan uw voeten."
Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend,
vervolgt Waltens dochter:
»O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven.
Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven?
Geliefde! 'k weet het niet, maar zeker is 't, o ja!
_Ik_, ik ben uw slavin. Ga wáár gij wilt, ik ga.
Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen.
Waarom?... 't Is m' onbewust... Met u noch angst noch vreezen,
Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat,
Is 't of mijn hart niet meer in d'engen boezem slaat.
Hernani! spreek dan toch....."
Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik
tegen de deur van 't keukentje leunend, de zonderlinge groep dáár voor
hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: »Zeg
maar wat, als ze je de »de wacht"[1] geeft; anders wordt ze zoo
ongeduldig."
[1] »Stichwort"--'t laatste woord, waarop de andere speler invallen
moet.
Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet 't nu uit
verlegenheid, antwoordt Pietersen:
»'k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde Donna Sol."
Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast haar
zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar kalm:
»Je kent je rol niet; dàt staat er niet. Ha! ha! ha!--wat 'n leelijke
Hernani--maar dat's minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je niet."
»Tot morgen Hernani, te middernacht! 'k Zal waken.
't Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken.
Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken;
Aan 't venster wacht ik u......"
Pietersen, die niet meer weet wàt hij antwoorden moet, ziet met een
angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de
armen om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend,
op innigen toon vraagt:
»Weet gij thans wie ik ben?"
Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur, die
met een meêwarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een hoek
van 't vertrek zwijgend blijft staan kijken.
't Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder, tusschen
de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt enkele
malen een flauw, roodgele zonnestraal op 't vergroende goudgalon van
den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon hangt;
ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en 't verguldsel
van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en dan een
ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de
koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna
Sol prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw
met een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken 't
zonlicht onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele
lichtstreep langs de kozijnen heen op den houten vloer der kamer,
blijft daar afwisselend flauwer en helderder een korte poos met de
kwasten en naden van 't hout spelen en verdwijnt dan, allengs
verbleekend, geheel en al.
't Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten en door
de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In
de kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle
voorwerpen dommelen weg in één mistigen, vaalgrauwen toon.
* * * * *
Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het »een rommel" noemde
wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door.
De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den
naam van »ameublement" aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een
latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat
uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen
hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en
geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de
onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite
caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om
in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die
nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen
zaken, die òf uit de onderste lade zijn gevallen òf daarvoor moeite
doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een
geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een
kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder
oor te bedekken.
Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den wand
leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud afgedragen
Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest zijn einde
verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die onder den
stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden schepter en
een parapluie, die er eendrachtig uitkijken.
Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan een kapstok
ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van
verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en
grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen.
Op de tafel, midden in 't vertrek, liggen in kunstvolle wanorde
allerlei voorwerpen, die bij het toilet van een actrice noodig kunnen
zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met
benoodigdheden voor 't grimeeren en blanketten; verschillende
haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal
armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een
kapmantel, die half over de tafel is gehangen.
Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje
vol rouge de théâtre, met een hazenpootje er in, en een groote
krulstok ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een
halve boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn
duim in een half leeggedronken glas met melk doopt.
Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder
en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen
eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien.
Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder twijfel
't beste meubelstuk dat er aanwezig is. 't Schijnt òf uit beter tijden
te stammen òf bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn
gekomen, want 't is een zoogenaamd »Lit trône" met een hemel van
donker gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende
gordijnen zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar
toch met een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel
over 't bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad
iets troonachtigs aan 't geheel, vooral nu op die roode deken de
rijzige gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon
op 't hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud
geborduurde Turksche muiltjes steken en even van onder het witte
nachtkleed zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te
vergrooten.
In den tegenovergestelden hoek van 't vertrek naast een bedstede staat
een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond is
verspreid.
Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over een
paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een
Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander
liggen op 't vuilwitte Pierrotpak, dat te zamen met een duffelsche jas
uit den koffer hangt.
Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk in
de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen
beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te
verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en
dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die
hier zoo akelig werkelijkheid wordt.
Pietersen, moe van 't staan, heeft zonder gedruisch te maken een stoel
genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de
ellebogen op de knieën en de handen onder 't hoofd naar Walten en
Annette, die samen »voortspelen," te kijken.
»Kom, lieveling," zegt de oude man op zacht, overredenden toon »houd
op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!" en zeer
voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets
beters te doen, dan deel te nemen aan 't applaudissement; hij richt
zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij
luidkeels »Bravo! Bravissimo!" roept.
»Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders schrikt ze,"
fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe.
»O! dat wist ik niet!"
»Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze 't
graag.--Zóó,--ja zóó doe je 't goed."
De ongelukkige ziet met strakke oogen vóór zich uit, rijst op van haar
bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond
vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee- of driemaal,
als voor een onzichtbaar publiek.
»Zie je wel, m'n lieve, dat ze tevreden zijn?--Kom! ga nu wat liggen;
je bent moê, dat zie ik!" smeekt Walten met angstige blikken zijn kind
aanziende.
Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge
huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de
handen tegen de borst gedrukt.
»Zoo m'n kind! zóó is 't goed. Ben je nu tevreden? Ja hé?--Dan nu
rusten. Kom! doe 't maar!"
Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande doet
zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die een
schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en
langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen
voortdurend op één punt staart.
Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door 't vertrek; ademloos
hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt:
»Onder 't loof der boomen,
In het donkere woud,
Is mijn lief gekomen,
Heb ik hem vertrouwd:
Hoe 'k hem heb geschonken
Heel mijn ziel en hart,
En hoe trouw mijn liefde
Storm en onweêr tart."
»Neen, neen! Stil! niet doen," fluistert Walten haastig tot Pietersen,
die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen. »Stil! De
bui loopt op z'n einde; als ze gaat zingen, is 't gauw gedaan.--Wat 'n
geluid, hé? God! hoe jammer toch van 't kind!--Dat lied is nog 'n
herinnering aan dien--hm! dien moffen-muzikant--dien hm!--Dàt vergeet
ze niet; hij heeft 't op muziek gezet, weet je?"
Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een
waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde
goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de
nachtjapon steken, op de maat van 't lied sierlijk heen en weder.
De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend
aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon
hij haar bewegingen en gebaren vindt.
Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette,
die nu 't tweede couplet van 't lied meer neuriet dan zingt, hoort het
niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze
op de maat der melodie op- en neer beweegt. Walten daarentegen is naar
den hoek der kamer gegaan, van waar 't knorrend geluid komt, schopt
met den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt
Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: »Wil jij je bek wel eens
houden?"
't Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een
hevig gestommel in de kist.
De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt
met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan
Walten: »Wat is dàt daar?"
Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort
naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met
een eerbiedige beweging aanneemt en kust. Zij slaat haar eenen arm om
zijn hals en zingt luider:
»Zeg hem luid, gij bloemen,
Hoe mijn hart verlangt,
Hoe mijn ziel, mijn leven,
Aan zijn leven hangt."
Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn
schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij
vleiend: »Ja, ja! ma chérie, dat is zoo.--Zeg! Walten, wat heb je toch
in die kist? 't Lijkt waarachtig wel een...."
»Stil dan toch!"
»Och, ze hoort 't immers niet.--Ja! ja! m'n beste, je zingt subliem.
Ja! ja! we zullen gaan zitten, hé?--Ze is heelemaal abnormaal zie je
dat niet?"
»Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom...."
»'k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.--Wel sacristie! wat 'n
gestommel en 'n geknor; 't is of dáár een varken in zit. Heb je
soms....?"
»Stil! 't is een big."
»Hè?"
»Ja! een big.--Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten,
gauw!"
»Kom! dan," herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de
krankzinnige plaats nemen op 't bed; zij omklemt krampachtig zijn hand
en staart opnieuw vóór zich op den grond.
»'t Is een biggetje," herhaalt Walten, steeds moeite doende om het
dier stil te houden. »Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom
.... je weet wel....?"
»Ja!" knikt de andere, »ze hebben er zulk goed oranjebitter."
»In de Zwaan," vervolgt Walten, »heb ik 't gisterenavond getrokken op
'n lootje van 'n kwartje."
»Ei!"
»Och! 't was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de zestien
en 't guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen."
»En?"
»Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een
lootje nemen. Jij een lootje op 't zwijntje, en wij lootjes op je
benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes
helpen; voor m'n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne
lui raak ik die plaatsen niet kwijt.--Kijk naar Annette,
Pietersen.--Stil dan toch beest!"
»Ik nam 't mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb
ik 't hier zoolang in die kist ge...."
»Ha! Ha! Ha! Ha!" lacht Pietersen plotseling overluid.
»Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen."
»O, dat's waar ook!--Stil! ze snapt 't niet,--ja toch wel."
De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen,
opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden
nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, zóó
akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar
beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig
verdraait.
Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt,
stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen
en met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar
lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard
met zenuwschokken, die haar achterover op 't bed doen vallen.
Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn
dochter vast. »Water, geef water!" roept hij. De souffleur grijpt
haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen
en polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk
voort; in de kist stommelt al knorrend de big.--Walten roept zijn kind
met angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en
akelig lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar
nieuwsgierige mannen en vrouwen, die tusschen en onder de
gordijnfranje door naar binnen trachten te zien en lachend de hoofden
bijeensteken om elkander toe te fluisteren: »Nou is de kemedie goed ân
den gang; hoor ze nou ereis angaan. Wat 'n spul! Wat 'n spul!"
* * * * *
»De kemedie" is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half uur
is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen, vermoeid
en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor kneuzingen
van hoofd of lichaam te bewaren, bij 't bed, waarop de ongelukkige
vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te slapen.
Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine schuimblaasjes
van de lippen en eenige kille droppels van 't voorhoofd, dan brengt
hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu en dan
schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de
oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is
voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering
aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt.
Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw,
die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om
den mond stil blijft liggen.
»Dat's me een baantje geweest," zegt Pietersen, die met zijn mouw
langs zijn voorhoofd strijkt. »Heb je niet een druppeltje van een of
ander in huis, Walten?"
»'k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet."
»Hum! dàt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wèl."
»Dat's juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent, als
je maar niet zoo...."
»Pimpelde, hé?--Och! spaar je Philippica's, die kennen we; ik weet
wel, dat je 't goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo'n
likkebroêr, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig
niks,--niemendal?"
»Neen!"
»Niks ter wereld, rien du tout?" Pietersen ziet den ouden man zóó
doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en
guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: »Hum!
misschien heb ik nog een druppeltje brandy; 'k heb laatst een flesch
cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou
drinken."
»C'est tout ce qu'il me faut, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat
voor me zoudt opduiken, hè hè hè!"
»Nou ja, maar...."
»Geen excuses, mon Directeur; voor den dag er mee."
Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds,
voor _zijn_ doen, _te_ lang nuchteren geweest.
Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch
te voorschijn, vult 't eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het
voor den souffleur neer met de woorden: »Daar dan; meer krijg je in
geen geval."
Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot
grijpen vooruitgestoken, naar 't glaasje, dat hij knipoogend toelacht;
maar op 't oogenblik dat hij 't aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk,
met een licht kuchje: »Et vous, mon Directeur? Neem je niet zoo'n
klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit."
»Ik ben niet koud, maar 'k voel me al dagen lang ongesteld duizelig,
onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar 'k ben niets wèl."
»Dan moet je juist zoo'n cognac fine nemen. Une petite goutte, mon
Prince.--Après vous dan!"
»Neen! ga jij je gang maar!"
»Jamais de ma vie!" Pietersen schuift met ware zelfverloochening het
glaasje naar Walten.
»Och zanik nou niet; drink uit."
»Neen!" Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt: »Ik
begrijp je: geen glaswerk meer in huis, hé?--Qui se gêne est gêné;
dáár is raad voor." En vóór Walten recht weet wat de andere wil,
grijpt deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met
vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt 't vluchtig af
met de slip van zijn jas, giet den inhoud van 't glaasje er in over en
zegt lachend: »Voilà! dee'z beker is voor mij.--A vous!"
Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult 't
glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet
met de woorden: »'k Word er misschien wat pleizieriger door; hè! 'k
ben zoo rillerig."
»Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad."
»Ja!"
»En hoe is 't nu met de lijsten, mon Directeur? Wanneer krijg ik die?"
»Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn."
»Magnifique! Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me
sterk, dat ik 't geheele parterre en 't amphitheater voor je verkoop;
ik zal er wel een broodje uithalen."
»Tien percent voor jou, Pietersen."
»Akkoord! Misschien kan ik nog wat loges ook plaatsen."
»'t Is te wenschen! Ik moet, vóórdat ik mijn benefiet bepaald
annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten."
»Hoeveel?"
»Driehonderd gulden!"
»Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.--Zeg! die cognac is délicaat.
Smaakt ze jou niet?"
»Ik hou er niet erg van."
»Ik wèl!" Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het
schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend:
»Da capo, mon Prince."
»Neen! je hebt genoeg; 't deugt je niet."
»Kom!--'n Halfie dan?"
»Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan 'n half."
»Bon! maar 'n slordig halfie, hé? Dan werk ik morgen met meer ambitie
en dubbel hard."
»Onverbeterlijke nathals, dáár dan!"
»Merci!--Op je gezondheid, hoor!"
»Vader!" klinkt uit 't bed Annettes stem. »Vader! Een glas water
asjeblieft!"
Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg,
gaat naar 't bed en vraagt: »Ben je wakker lieveling? Wou je drinken?
Ben je weer beter?"
»Ik ben zoo moe, 'k heb zoo'n dorst, zoo'n hoofdpijn."
»Je hebt ook weer 'n toeval gehad, m'n kind; 't is geen wonder, dat je
arme hoofd dan klopt. Wil 'k er een doek met water op leggen?"
»Nog niet; eerst wat drinken, vader!"
»Goed, Netje! Hier, drink dan maar."
Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich op
en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der
tafel is gaan zitten, bemerkend: »Wie zit daar?"
»Pietersen."
»O! zoo, Pietersen."
»Dag, juffrouw! Is 't 'n beetje over?--Jongens, jongens, wat had je 't
benauwd daar straks."
»Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand,
laat me slapen."
»Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is 't zóó goed?"
»Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil 'k
niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?"
»Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart."
»En die kroon,--wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?"
»Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je."
»Deed ik?"
»Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!...."
»'k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand, vader;
hou m'n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!"
Walten zit op een stoel, naast 't bed en omsluit met zijn rechterhand
Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht
liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die
zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken.
Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en
kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat
wordt rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna
onmerkbaar gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem.
Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de koffer
plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de
handen om de opgetrokken knieën samengevouwen, zit hij doodstil vader
en dochter aan te zien en mompelt: »Wonderlijk! nu gaat ze slapen,
rustig en kalm; 't is toch een allerzonderlingste historie: 'k
begrijp er niks van.--Slaapt ze nu, Walten?"
»St!"
Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in 't vertrek, alleen
nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken van de
big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt of
heen en weer schurkt.
Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne
glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan
een der cretonnen draperieën los, zoodat 't gordijn de slapende vrouw
halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf:
»Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust."
»Heeft die bui dezen keer lang geduurd?" vraagt de souffleur
opstaande.
»Van gisterennacht tot nu."
»Dat's lang, zoo'n heele nacht."
»Ik ben ook doodop; 'k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al niet
richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik t'huis
kwam. Ze begon met Ophélia te wezen."
»Mon Dieu!--En jij?"
»Ik was Hamlet natuurlijk."
»Heelemaal buiten je emplooi," merkt Pietersen aan, met 't ernstigst
gelaat der wereld.
Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: »Toen werd
ze in eens Ines de Castro en later Donna Sol.--Dat was ze nog, toen
jij kwaamt en...."
»Ja!--'t Is toch ongelukkig voor je, Walten!"
»Wel is 't dat," zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een traan
uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: »En voor haarzelf 't
ergst."
»Nu is ze zoo goed, als 't maar hoeft,--merkwaardig goed, mon
Directeur!"
»Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden jaar
heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien....."
»Jawel, van 't gesticht."
»Juist!--Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze
voortdurend geobserveerd moest worden."
»C'est clair!--Zeg! dat beestje in die kist is geen eau de cologne. Je
hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat's me 't
zelfde."
»Neen! ik rook al sedert lang niet meer."
»Och kom! en je was vroeger zoo'n liefhebber."
»Ja! maar Netje kon er niet meer tegen."
»O!"
Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt dan:
»Als ik nu maar 't geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt, dat
'k haar kan laten genezen, dan....."
»Hoeveel moet er wezen?"
»'n Goeie vijfhonderd, op z'n minst."
»Hm! die blijven er wel over, als 't een beetje vol loopt."
»Zoo reken ik ook, Pietersen.--Och! als ik haar maar eerst van den
vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,--ik kan nog best
mee;--dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en....."
Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog Walten
strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als wilde
hij zeggen: »Dat zal er nog om spannen."
De andere vervolgt: »'t Is wel niet pleizierig om ondergeschikte
rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al
niet voor je kind? Wie weet wanneer zij weer heelemaal in orde is, of
ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig
veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is 't niet zoo?"
»Zeker, mon Prince, zeker!" Pietersen spreekt schijnbaar in vollen
ernst.
»En wat 'n geluid, hé?"
»Kolossaal!"
»En wat 'n verschijning!"
»Kapitaal!"
»Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar
als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op 't tooneel een
schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog
»goed" was."
»Oui, mon directeur!"
Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch
Walten, noch Pietersen hebben 't gehoord, en daarom zien beiden
verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren
zeggen: »Pin jelui hier toof? 'k Hèv wol dreimaal jeklopft."
»Wâblief!" vragen beiden ongeveer te gelijk.
Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig
witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een
oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: »Wer von
jelui ist Walten?"
»Ik! En u is meneer Träger!"
»So! ja noe herken ik je; 't wordt hier al doenkel."
»Wat wenscht u?"
»Was ich will?--Noe das soll jij wol begrijpen" en terwijl de dikke
man zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt,
zegt hij: »Ich will de couleur von jou centen 'r is zien."
»Ik heb waarachtig niets op 't oogenblik, baas Träger; maar wees niet
bang: je geld zul je hebben."
»So! soll je denken?"
»Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je...."
»Papperlapap! 'n benefiz--so'n praatje kennen wir; das heb jijlui
komödianten-volk immer bij der hand; wann's voorbij ist, krijg jelui
gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op."
»Maar baas Träger, ik heb je toch altijd eerlijk betaald."
»Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om je
das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet."
Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn
lippen trillen, als hij antwoordt: »Ik ben een eerlijk man, baas
Träger, en als ik 't had, zou je dadelijk geld krijgen; maar...."
»Maar noe hèv je 't nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von
de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die
is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil
'k nicht nehmen weil je kind krank ist.--Oend noen basta! overmorjen
verhuis je,--versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig
blijven; dat doe ich omdat jij »Walten" bint, waaroem ich vroeger so
dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.--Noe!
bin je zoefrieden?"
Schamper lachend, antwoordt Walten: »O! volkomen".
»Komân, dat's joet; dan kennen wir als vrinden sjeiën. Jij bint
allezeit 'n fatsoenlicher kerl geweest oend...."
»Dáárom moet ik met m'n zieke kind op straat? 't Is mooi, baas
Träger."
»Kan d'r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die 'n
puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d'r over klagen das
jijlui zoo spektakelt."
»Maar, Träger! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang
je 't zeker en...."
»Das ist mir ejaal. Hèv je jeld?"
»Neen!"
»Dan overmorjen von die kamer af--verschta je?"
Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord,
vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt
daarom op tamelijk gezwollen toon: »Mijnheer! 't is een crime om een
fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert,
dat zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen
spekslagersziel. Je hart is gevoelig!--Is 't niet zoo?"
»Nein! ich will blos jeld."
»Kom, kom! mon Prince, je meent 't niet! Nog een wijl geduld en alles
komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil
garant blijven, dat...."
»Kottorie! das waar noch besser!" De spekslager ziet Pietersen aan en
nolens volens moet hij lachen.
»Qui rit, est desarmé," zegt Pietersen, maar bij Walten komt
plotseling de oude trots weer boven.
»Pietersen voor mij borg blijven? Ba!" denkt hij, »'t is al te akelig;
zóó ver is 't dus met me gekomen." Hij heft het hoofd hooger op, doet
een pas vooruit en zegt: »Ik zal je betalen, baas Träger, morgen aan
den dag. Hoeveel ben 'k je schuldig?"
»Acht-oen-vierzig joelden!"
»Kom ze morgenavond halen!"
»Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich
dadelich wat op afrekening jeeft, dan...." De spekslager houdt
eensklaps op met spreken, steekt 't hoofd vooruit en luistert, want
uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid
op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de
kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.--Ja! 't is een
gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. »Maar hoe is 't
mogelijk", denkt hij, »hier?"
Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen,
knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den
wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven:
»Daar krijg ik op eens een idee" en is met twee stappen bij de kist.
Voordat baas Träger eigenlijk weet wàt hem gebeurt, voelt hij den
snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij
schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat
Pietersen met één greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen
drukt met de woorden: »Il te connait, beau masque! Dáár! neem dat op
afrekening; dat's voor jou contant geld, mon Prince!"
»Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt," roept
verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van 't vak, de
big, binnensmonds zeggend: »'n Feines diercke, joet soort, moess nog
fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig."
Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de
andere er in slaande, roept de souffleur: »Voor vier ben je koopman!"
»Drei!"
»Vier!"
»Noen in Kottesnamen, 't is jekocht."
»Mooi!" En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem
wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: »Neem 't mee, baas Träger!
Maar zal u 't goed behandelen? 't Is zoo'n lief beestje." En met een
traan in de stem voegt hij er bij: »We waren er al zoo aan gehecht,
niet waar Walten?"
Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af.
»Noen, soll ich's mitnemen voor 'n tientje?"
»Ja, ja! maar laat 't in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!" Walten
ziet angstig naar 't bed, waarop zijn dochter rust.
»Sjreeuwen thoen al die ferkens; da's die natoer."
»En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M'n dochter ligt daar ziek
achter dat gordijn en dus..." Met een tamelijk trotsche beweging wijst
Annettes vader naar de deur.
»Kott im Himmel! armoeth hèvt 'n hooge broest ooch nog; allemaal
Komödiantenbluf. Hà! Hà! Hà! Hà!"
»Lach niet, kerel, of...!"
»Maak je niet boos. Dat 's heelemaal verkeerd, mon Directeur!" zegt
Pietersen, die 't onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar zóó tegen
zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend,
vervolgt hij soetsappig: »Meneer Träger, je moet dat zoo hoog niet
opnemen: hij meent 't zóó niet.--'n Fijn varkentje, hé?"
»Wie er 's nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das
overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze
rataplan op de jroote schteenen."
Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar
onverstaanbare woorden.
Walten ziet angstig naar 't bed en zegt kalm, bijna fluisterend: »Je
_zult_ 't hebben, baas."
»Joet, maar noen verder?"
»Verder?"
»Jawol, denk jij dat ich jou op 's nieuw drei monate zal laten wonen
oend....?"
»'k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik
je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om 't hardst, en mijn
arme Netje _moet_ rust hebben."
»Jou Netchen kan mir jestohlen worden."
Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den
grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas
Träger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe:
»Breng me niet tot 't uiterste; ga heen, man!"
Er ligt iets in Waltens blik, in 't heesche geluid van zijn stem dat
den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat
gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn
dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer
bewegend: »Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen.
Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit,
macht samen vieroendfünfzig. Wenn jij die morjenabend vóór negen uur
nich hev't; logier jij verder in 's Hôtel blauwe lucht, verschta
je?--Adjé!"
* * * * *
Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op
den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs
het lijf hangend, het hoofd vóórovergebogen, in doffe moedeloosheid
voor zich zit te staren: »Jij bent en blijft toch altijd onpractisch,
Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen
met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zóóver
gekregen, dat hij...."
»Ik wil van zoo'n vent niets hebben, geen consideratie, geen...."
»Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je
benefiet niet veel over. Betaal je morgen hém, dan weet overmorgen de
heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve
dàt zal 't nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden
voorschot wil geven op je...."
»Pietersen, hou je in godsnaam stil!"
»Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?"
»Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je
hebt zoo'n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?--Ga
nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. 't Zijn eerste galerijen;
die kun je hier en daar wel plaatsen."
»Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.--Hm! heb je soms niet
een versleten gulden voor me ter leen?--"
»Neen!"
»'n Paar kwartjes dan?"
»Och!"
»Nou één dan?"
»Enfin! daar heb je er één. Maak nu dat je wegkomt."
»Mon Prince! waar er één is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje
bij; ik heb m'n portemonnaie thuis gelaten."
»Dáár dan!--En nu...."
»»Vertrek, heer graaf,"" zooals Egmond zegt. »Adieu!"
* * * * *
Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel
en ziet naar 't flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de
groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is.
De avond valt; 't is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met
een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje
lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die
hij zóó op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen
kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt
rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt
hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er
voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand
over 't zacht bedauwde voorhoofd der slapende.
Langzaam knielt hij neder bij 't bed, legt zijn wang tegen Annettes
hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang--heel lang.