Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen.
Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen
gleed, zei hij in zichzelf: »Hier moet 't zijn," en keek oplettend
naar de zwarte letters op 't porseleinen naambordje aan den deurpost.
»W. F. Hostein" 't stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand
beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop
aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel
de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de
garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te
trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers.
Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan.
»M'neer thuis?"
»Wie bedoelt u? Menheer,--of meneer Hostein, die hier binnenshuis
woont?"
»Meneer Hostein!"
»Jawel, die is thuis, maar....."
»Niet te spreken misschien?"
»Meneer is aan 't studeeren voor van avond en...."
»O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of 't schikt dat ik weerom kom."
Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het
meisje zeggen: »Wacht u dan maar effentjes."
Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: »Adriaan Walten,
tooneelspeler a/d. K. S." en onwillekeurig keek zij even om naar den
ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een
oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn
linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen
hing.
Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit 't portaal een
welluidende mannenstem: »Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar
boven komen."
»Neen, meneer; 't is een..." 't Woord »heer" wilde niet vlot over
Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: »'t
Is zoo'n raar persoon, weet u, zoo'n..." Zij reikte 't kaartje over.
Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den
linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige
rechterhand een paar droppels van 't hooge voorhoofd, terwijl hij in
de spiegelruit van de tochtdeur, die op 't haakje was vastgezet,
trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten.
»Kom boven, meneer Walten!" klonk van het portaal af de mannenstem; 't
meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk
hijgend door 't haastige trap op- en af snellen: »Gaat u maar naar
m'neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien."
* * * * *
In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de
gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht
in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond,
gladgeschoren gezicht; op 't kort gesneden haar draagt hij een roode
Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte
pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding.
Den bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: »Pas op 't
drempeltje, ouwe heer: 't is een beetje duister op 't portaal."
De »ouwe heer" nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem
een: »voorzichtig!" tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van
sigarettenrook de woorden: »Leef je nog, papa Walten?--Kom binnen."
Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een
bijna schuwen blik, vóórdat hij antwoordt.
't Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden
eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk
ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt
eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich
merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit.
»'t Is hier mooi, fijn!" zegt hij zacht, zóó zacht dat de andere 't
niet verstaat en vriendelijk vraagt:
»Zei je wat, Walten?"
»U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik
u erg kom hinderen, maar...."
»Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje
over."
»Dat dacht ik wel, meneer Hostein."
»Hé?"
»Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein."
»Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: »Meneer"--en dàt
tegen mij, je ouwen leerling Willem?"
»Ja, maar meneer Hostein..."
»Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik
heet?"
Een glans van vreugde glijdt bij 't hooren van dien hartelijken toon
als een zonneschijntje over 't gelaat van den ouden Walten, en als
toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt
hij beide handen uit naar den vóór hem staanden jongen man, terwijl
een: »Willem, beste jongen!" zijn mond ontsnapt.
»Zoo! dàt mag ik hooren!" Hartelijk drukt Hostein Waltens magere
handen, terwijl hij vraagt: »Waarmee kan ik je dienen, papa?"
Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met
doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met:
»Ik ben zoo ongelukkig, Willem!"
Hostein werpt vluchtig een blik op 't oude beduimelde kaartje, dat hij
in de hand houdt, leest de woorden: »Tooneelspeler a/d K. S." en
terwijl hij denkt: »Aan den Koninklijken Schouwburg,--dat's heel lang
geleden, arme vent!" zegt hij met een kleine trilling in zijn stem:
»Is 't waarachtig?"
»Ja, ik weet nu geen raad meer."
»Arme ouwe kerel!"
»'t Is hard, hé! dat ik zóó voor jou moet komen staan! Maar...."
»Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.--Is 't alleen dàt?" Hostein
maakt de beweging van geld tellen.
»Niet alleen; maar--toch...."
»Zit je weer in den brand?"
»Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.--Ik
wou, hum!--'t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je?
Waarachtig niet, want ik kan 't nooit teruggeven en...."
»Dat is ook niet noodig."
»Neen! Willem, dàt wil ik niet. Maar ik--hum! ik wou nog één ding
probeeren en daartoe...."
»Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere
collega's je met alle liefde wat assisteeren willen en...."
»Ja! ja! dat weet ik wel," knikt Walten; »maar ik begeer niets te
hebben; ik...."
»Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!"
»Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers
wel, dat ik nu dan toch...."
»Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.--Ga nu
eerst eens bedaard zitten, dáár in dien fauteuil.--Wil je
rooken?--Hier staan sigaren.--Niet?--'n Sigaret?--Ook niet?--'n Glas
port dan?--Kom! dat zou ik nemen, dat geeft 'n beetje toon in de
maag.--Wil je niet?--Nu wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten
nog wel!"--Hostein schelt, en als 't meisje een oogenblik later is
binnengetreden, zegt hij: »Haal eens een kop bouillon, hiernaast in 't
café--en 'n paar beschuitjes."
»Wat heb je dat goed onthouden, Willem?" Een lachje begeleidt die
woorden.
»Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag
bouillon. 't Is bepaald een behoud voor de stem."
»Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en...." Plotseling houdt
Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psyché,
die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen
door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo
fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de
bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en
droevig zegt: »'k Ben ijselijk oud geworden, hé? De laatste jaren
hebben me kapotgemaakt, en hum!--'k zie er zoo echt sjofel
uit.--Neen! zeg maar niet, dat ik 't me verbeeld; 't is de
waarheid,--ik word langzaam aan oud; dat voel ik wel."
»Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar...."
»Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb 't ook zoo
hard gehad in den laatsten tijd."
»Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?"
»Ook al, Willem; maar dat was 't ergste niet: 'k heb eeuwig en altijd
»Pech" gehad in de laatste jaren."
»Ja! voor den wind is 't je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom
sprak je niet?"
»Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig
vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu...." Walten
zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van
den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart.
»Heb je niets om handen op 't oogenblik?"
»Niets, Willem. Je weet immers 't ongeluk, dat mij trof met mijn
schouwburgtent?"
»'k Heb er destijds van gehoord."
»Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk
brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde
en....."
»Je was toch geassureerd?"
»Ja natuurlijk! maar...." Eensklaps worden Waltens oogen rood en
vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn
wangen rolt, glinsterend in 't zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder
verlicht, vraagt hij zachtkens: »Je weet immers, hoe ik toen bestolen
ben?"
»Hum ja! ik herinner me wel zoo iets."
»Ik heb geen cent van 't geld gezien."
»Dat 's een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?"
»Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar...."
»O! nu herinner ik 't me weer, 't is waar ook; dat 's een ellendige
historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak
geven; die gemeene schoelje had haar 't leven toch al zuur genoeg
gemaakt.--Zij is onlangs gestorven, hé?"
»Ruim een jaar geleden. Tot zóólang heb ik haar en haar kinderen ook
nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in 't weeshuis."
»En hij?"
»Zit ergens in Australië, geloof ik."
»Zoo'n schoelje!--En--Annette, je tweede meisje?"
»Die is nog altijd 'tzelfde."
»Dus totaal....?" Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd.
»Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar 't wordt gaandeweg erger,
de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik...."
»Jammer, doodjammer van 't arme schepsel. Ze had wel wat talent, hé?"
»Of ze talent had? Kerel, Willem!"--Waltens oogen worden minder
dof--»ik heb nooit zoo'n talent gezien als van dàt kind, 'n geboren
tragédienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer
die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er
alles van. Wat 'n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de
Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor 't eerst
optrad? Wat 'n stem, hé? Sonoor, mooi en fluweelig.--O! dat geluid
heeft ze nog, maar--'t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm
is,--zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,--zit ze met de
handen over mekaâr en zegt niets." Walten wacht even, en als spreekt
hij tot zichzelf, herhaalt hij: »Niets, bijna geen stom woord. Die
vervloekte kale mof met z'n gladde tong had m'n arme Netje totaal
ingepakt en...."
»En 't kind, is dat blijven leven?"
»'t Is drie jaren geworden; toen is 't goddank gestorven. Wonderlijk,
hé! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was 't bepaald alsof ze 't
niet kende. Ja! dàt was al een raar verschijnsel."
»'t Is treurig.--O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop
maar neer, voor meneer.--Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed
is.--Ja 't is een droevig geval met je dochter."
»Ja waarachtig, wel is 't dat! Dadelijk na haar bevalling is 't al
eens mis geweest, maar 't liep er toen niet zoo erg door; ze beterde
en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een
paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor
mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs 't kleinste
werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig--en dan toch weer
oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in
orde. Ja, 't is 'n ellende! Die muzikant met z'n sentimenteele oogen
heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem
gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij
haar heeft laten zitten was nog 't ergste niet, dat gebeurt meer; maar
dat zij door die hum!--die geschiedenis aan 't malen is geraakt, dat
's fataal." Walten drinkt langzaam een paar teugen en vervolgt dan:
»'t Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo
allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; en daarom heb
ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald,
dat ze geholpen kan worden, maar--ze moet goede verpleging en rust
kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in 'n gesticht en...."
»Zou je dat waarlijk denken, Walten?"
»Waarachtig! Maar gauw zal 't niet gaan. Jongens, Willem, als ze van
die talentbuien heeft--zoo noem ik ze, weet je?--dan moest je eens
hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed
zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God!
wat 'n jammer, dat ze zoo...."
»'t Is zonderling!"
»Ja, wel is 't dàt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder
behandeling te krijgen; lukt me dàt, dan kan ik voor mij altijd nog
wel hier of daar »emplooi" vinden." Een min of meer ijdel lachje
glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: »Als ik
wil, kan ik 't nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat
begrijp je; maar »père noble", dat zou best gaan; ik zou nog menig
»jonkie" een lesje kunnen geven."
Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze 't merkt,
met medelijden aan en antwoordt; »Ja, je hebt van de piek op gediend,
je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als
ik...."
»Als je niet zoo'n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen,
artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb 't je dikwijls
gezegd: je zult carrière maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je
pakken moet." En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij
vervolgt: »'k Heb eer met jou ingelegd--en ik heb je altijd graag
mogen lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe
vrinden--daarom kom ik nu ook bij jou om hulp."
»Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?"
»Ik wou probeeren om 'n benefiet te geven!"
»Ei! Ei!"
»Ik weet wel, Willem, dat 't moeilijk zal gaan bij deze directie, want
die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad,
maar--dat 's al lang geleden. Nu dacht ik, dat 't misschien gaan zou,
als jij mijn voorspraak woudt zijn."
»Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik 't wel voor je in orde speel."
»Zou je denken?--Maar, Willem, 't moet 'n benefiet zijn, waar ik goed
wat van overhoud; ik heb bij 't vorige, een jaar of vier geleden, maar
'n kleine tweehonderd gulden gemaakt."
»Dat's weinig!"
»Och! je begrijpt, 't ging voor 't derde, na aftrek van de
avondkosten; ik was toen al blij, dat 'k 't kreeg, al had de Directie
er per saldo ook 'n »goeien" avond aan, want 't was in den slappen
tijd, en daarom deden ze 't. De zaal was goed bezet, we hadden ook
hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat
negenhonderd gulden; daar ging 'n groote driehonderd gulden af voor
armengeld en avondkosten. Ik kreeg één derde: reken dus maar zelf na."
»Ja, dat's akkoord!"
»En toen ik 't geld in handen had, was 't dadelijk geblazen, want
iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren
zelfs lui, die geld van me moesten hebben, 's avonds aan den
schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet."
»Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je
opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal 't wel
zóó voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de
avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over."
»Zou 't lukken, Willem? Zie je, 't is wel hard om zoo'n
armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar--och!
't is voor Netje, en daarom...." De oude man zucht diep bij die
woorden.
[1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant.
»'t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms »en attendant" 'n pop of tien
hebben?"
»Graag! Van jou neem ik dat aan; 'k zal 't dadelijk weerom geven na
mijn benefiet."
»Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen
kan.... Hier heb je een muntje."
»Dank je, Willem!--Wanneer zou je denken, dat 'k hooren kan of 't
lukt?"
»'k Zal er morgen dadelijk over spreken."
»Wil 'k dan overmorgen komen hooren?"
»'k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?"
»Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan." En na
een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door
Hostein, die hem aan de trap nog naroept: »'k Zal 't wel voor je
klaren."
* * * * *
Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan,
hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten
komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo.
Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij
zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een
notaris-kantoor geplaatst, waar 't droge, iederen dag regelmatig
terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De
kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de
brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het
tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog
kleiner salaris begon.
Allengs »kwam hij op", zooals men dat in de tooneelwereld noemt en
binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten
speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op 't affiche bleek
voldoende om een stuk te doen »trekken."
Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega's
in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega's, en
niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te
gaarne: zijn »geluk" bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en
zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet hebben kunnen
tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen
leeftijd nòg fladderend, in 't net van een Fransche danseuse was
gevlogen, die »le beau Valten" zoodanig de baas werd, dat hij zijn
rug--misschien met een zucht--eindelijk onder Hymens juk kromde. Of
hij 't geduldig droeg, blijft de vraag.
Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem
de eerste schreden deden zetten op 't hellende vlak, waarop hij
langzaam, maar zeker, omlaaggleed.
Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde »Madame la Directrice"
heeten--en ze deed hem vallen.
»Een eigen troep" was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde
die droom niet lang; 't ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig.
»De troep" bestond eenigen tijd, werd toen een »troepje" en na veel
tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw »een troep",
maar in de andere beteekenis van 't woord.
Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te
vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap
te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd
verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de
kermistent voerde.
Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die
vrouw, die hem, als 't ware met magnetische kracht vasthield en
beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn
ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde,
misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed
het niet; Walten was, zooals men 't heet, een goeie vent, een
artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter,
toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen
dáár, waar 't hem inspanning kostte zijn wil door te drijven.
't Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed,
en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een
tijdstip kwam, waarop eenige vrienden--gedachtig aan 't geen hij
vroeger was en rekening houdend met 't geen hij nog kón zijn--hem een
fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang,
was 't alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen zóó hoog te
stellen, dat men die niet kon toestaan.
Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur,
zich lavend en bedwelmend door de bravo's en toejuichingen van een
publiek, dat àl te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn
oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan,
speelde alles, wanneer 't slechts »DE ROL" was van 't stuk; 't
handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals
de flesch aan den dronkaard.
Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond,
zorg en kommer knakten in hem den »artist" voordat de »mensch" Walten
oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof
geworden, zij zagen slechts schemerend 't licht der kunst en straalden
't niet meer uit. 't Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde,
was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer
van »den drank", en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog
veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald.
Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was
hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen--misschien ook in die van
anderen--een »gentleman" gebleven; hij »voelde" zich, niettegenstaande
hij niets meer was.
Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep
hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in
allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult
en juicht, als 't degens en dolken ziet, en dat samenvalt van 't
lachen, als 't hansworsterij aanschouwt. Walten was de ruïne van een
kunstenaar,--een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden
hoe schoon het geheel eenmaal was.
Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven;
zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was
't gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn
zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter,
zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was
geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken.
Dat »zoeken" vond echter een groot beletsel in de omstandigheid,
dat Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was,
die wist hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van
verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte,
verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door
schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij
zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste
acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij 't publiek.
* * * * *
Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit 't venster
hem na en zei in zichzelf: »Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik
kan".
Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van
den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer
bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort
een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na
aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn
van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten.