VII.

Zij hàdden 't mooie boerderijtje!...

De dorpsnotaris liet hun op een ochtend de gelukkige tijding aanzeggen,

en 's avonds vóór Kerstdag werd de huur-acte op het kasteel geteekend.

Rozeke, die Alfons vergezeld had, ontmoette er nog even vluchtig

jonkvrouw Anna. Zij zag er niet minder bezorgd en bedroefd uit dan op

den dag toen Rozeke haar was komen opzoeken. Zij vertelde aan 't jong

boerenvrouwtje dat zij dien winter niet als gewoonlijk naar de stad

gingen, maar op reis, naar 't Zuiden, voor verscheiden maanden.

"Moar te noaste zomer komt-e toch weer op 't kastiel, mejonkvreiwe?"

vroeg Rozeke bijna angstig.

"Ja, Rozeke, ik denk het toch wel, als 't God belieft," antwoordde zij

neerslachtig.

Ook de baron, haar vader, zag er bekommerd, somber, triestig uit. Hij

ontving hen in hetzelfde kamertje met de bruine kasten en het blauw

porselein waar de jonkvrouw Rozeke ontvangen had, legde Alfons met

gefronste wenkbrauwen de te onderteekenen acten voor, gaf hem het eene

stuk en hield het duplicaat; en zonder verder gepraat, met een

eenvoudig, "ik hoop dat gij op uw boerderij zult welvaren" stond hij op,

ten teeken dat hij de zaak als afgehandeld beschouwde. Voor alle verdere

schikkingen hadden zij zich te wenden tot den dorpsnotaris.

"D'er es verdriet op 't kastiel," merkte Alfons fluisterend op, terwijl

zij door het statig ingangshek in de groote beukenlaan terugkwamen.

Rozeke schudde weemoedig het hoofd.

"Alles hên wat de weireld geven kan en tòch nie gelukkig zijn," zuchtte

zij.

* * * * *

Zij, ten minste, waren nu toch wèl gelukkig!

Na de vele, vermoeiende en vervelende, maar gelukkig niet langdurige

beslommeringen van overname en inrichting, betrokken zij eindelijk in

het begin van Januari hun dierbaar hoevetje; en dadelijk daarna, op

Driekoningen-avond, had de "overhaal-feeste" plaats.

Alfons en Rozeke hadden de gelukkige kans getroffen bijna alles van boer

Dons, den vorigen pachter te kunnen overnemen. Deze had zich in de goede

jaren "rijkgeboerd" en wilde nu rustig in het dorp, als rentenier, zijn

verdere dagen slijten.

De koeien, de varkens, het paard; het hooi, het stroo en het verdere

voeder; de oogst in de schuur, het vlas op den zolder en de vruchten te

velde; karren, wagens, ploegen, eggen en ander landbouwgereedschap; tot

zelfs een groot gedeelte van het huisgerief en van de meubels: alles was

mogen blijven waar het lag of stond; en als bij tooverslag waren zij aan

't hoofd van een mooi-ingerichte, degelijk-ouderwetsche hoeve, met zware

oude kasten in de kamers, met veel koper, tin en gekleurd-aardewerk

boven op den zwartgerookten schoorsteenmantel van den haard en overal

rondom tegen de bruingerookte wanden van de ruime keuken, net als een

bejaard gezin van deftige, welgestelde boeren, die er hun leven lang

zouden gewoond hebben. Zij hadden alleen te verhuizen gehad hun eigen

klein inboedeltje van moeders huis, hun enkele meubeltjes en kleeren,

hun beetje aardappels en veldvruchten, hun kippen en konijnen. Toch

waren met dat kleinood nog twee groote wagens gevuld, die volgens

traditioneel gebruik van goede buurschap, kosteloos door den

naastbijwonenden boer--in dit geval boer Kneuvels--naar Alfons' nieuwe

woning, waren overgebracht. Daartegenover bestond voor Alfons de

verplichting boer Kneuvels met zijn vrouw en ook den knecht die 't

vervoerd had, op de "overhaal-feeste" te noodigen. Wel had het hem

even onaangenaam aangedaan dat juist boer Kneuvels en dus ook zijn

paardenknecht Smul de daartoe aangewezen personen waren; doch aan een

ander vragen wat Kneuvels om zoo te zeggen van rechtswege toekwam, ware

zijn vroegeren meester vijandig behandelen en nutteloos beleedigen, en

dit had Alfons niet durven noch willen doen. Trouwens, Smul zelf was

immers verzoenend naar hem toe gekomen, 's avonds van hun

bruiloftsfeest: waarom zouden zij langer haatdragend blijven dan hun

vroegeren vijand?--Zij wachtten dus, als een vervelende, niet te

ontwijken noodzakelijkheid, ook de komst van Smul op dit intiem

familie-en-vriendenfeestje.

* * * * *

Het was drie uur. Moeder van Dalen en La waren reeds den vorigen avond

gekomen en weldra verschenen ook vader en Rozeke's twee broeders. Het

had den ganschen dag en ook den nacht te voren aanhoudend gesneeuwd, de

wegen lagen bijna onbruikbaar en daarom waren zij maar liefst heel vroeg

gekomen, om ook niet te laat in den avond weer huiswaarts te kunnen

keeren.

Nauwelijks waren zij binnen of een gestamp van sneeuw-afkloppende voeten

klonk aan de voordeur en met het geijkte "gien belet?" verschenen de

insgelijks genoodigde, vroegere bewoners van het hoevetje: boer en

boerin Dons.

De boer was een lange, magere, kaarsrechte man van bij de zeventig, met

zilvergrijze, dunne haren en een éénkleurig-vuurrood gezicht, waarin

twee heel kleine, bijna dichtgeknepen oogjes als 't ware in voortdurende

pret schenen te lachen. Zijn vrouw, wel een twintig jaar jonger, was nog

gitzwart van haar, met dikke zwarte wenkbrauwen en donkere oogen zonder

glans, en in haar getaand, bijna wasgeel gelaat lagen sterke rimpels als

grauwgrijze lijnen en streepen gegroefd. Glimlachend kwamen zij binnen,

de oude boer luidruchtig, de boerin stil, en dadelijk zetten zij, als in

hun eigen huis nog, hun parapluies achter het houten schut naast de deur

en kwamen handenwrijvend bij het helder-vlammend haardvuur, de boer met

schel-galmende stem vertellend van de onbegaanbare wegen en van de vele

sneeuw die zonder twijfel nog met hoopen uit de dikke, grijze lucht zou

vallen. Rozeke nam de boerin haar zwarten kapmantel af, terwijl moeder

van Dalen naar den kelder liep en dadelijk weer, hijgend, met twee

flesschen boven kwam: jenever voor de mannen; roode kriek voor de

vrouwen. Met algemeene belangstelling werd gevraagd of de oude boer

en zijn vrouw zich reeds gewend hadden aan hun heerlijk, zorgeloos

renteniersleven in 't dorp; en nauwelijks waren zij goed gezeten en

aan 't praten, of daar kwam in snellen draf boer Kneuvels' sjees den

boomgaard oprijden.

"Zou Smul er werkelijk bij zijn?" dacht Rozeke met een korten angstgreep

aan het hart.--Jawel; zij zag hem vlug uit 't rijtuig wippen en het

paard bij den breidel houden, terwijl boer Kneuvels en zijn vrouw op hun

beurt uitstapten. Alfons haastte zich naar buiten, zijn vroegere baas en

bazin te gemoet.

Zij kwamen binnen, terwijl Smul het paard bij den stal ging uitspannen:

de mooie, jonge boerin op haar zondagsbest gekleed, met haar lange

gouden oorbellen en gouden kettingkruis; de boer als een suffige

lomperd, den hals omwonden met een dikke, groen-en-zwart-gestreepte

bouffante en den rooden, opgeblazen kop onder een zware bonten muts,

waarvan hij voor de kou de oorlappen had neergetrokken. Hij hakkelde

zijn goeden dag, de weerbarstige woorden in zenuw-trekkende beweging als

't ware met de hand van tusschen zijn paars-trillende lippen halend; en

dadelijk na het vlug naar binnen slaan van een paar borrels wilde hij de

"doening" bezichtigen: de stallen, de beesten, den boomgaard, alles wat

er op de boerderij te zien was.

't Was ook maar goed dat ze dat eerst en vooraf waarnamen, want het zou

al spoedig donker worden met die zware, grijze sneeuwlucht; en 't heele

troepje behalve moeder, Rozeke en La, die het nog druk hadden om alles

voor den maaltijd in orde te brengen, gingen weer naar buiten en stapten

dwars over den dik-besneeuwden boomgaard naar de schuur-en-stal-gebouwen.

Alfons ging als de baas voorop, naast Kneuvels die druk stotter-praatte

tegen Dons en de van Dalens. De twee boerinnen volgden, voorzichtig-

schrijdend in het soppend-zuigen van haar voeten in 't weeke mestbed vóór

de stallen, haar rokken met de beide handen ophoudend om zich niet te

bevuilen.

Zij bekeken de melkkoeien en de kalveren, de zeug en haar biggen, zij

roemden de stevigheid en goede indeeling der gebouwen, 't geriefelijke

van de ruime bergplaats in de schuur en in het wagenhuis; en vóór de

bruine merrie bleven zij in lang gesprek en lange contemplatie. Het was

alsnog niet duidelijk uitgemaakt of het beest al of niet veulen in had.

Dons beweerde ten stelligste van ja; Alfons twijfelde. Kneuvels ging bij

't paard, bevoelde 't, twijfelde insgelijks. Vader van Dalen en zijn

zonen zeiden ja noch neen; zij hadden er geen verstand van. Een discussie

ontstond, de boeren werden het niet eens, en de boerinnen, op een afstand,

luisterden en keken met belangstelling. Smul, die in den stal daarnaast

boer Kneuvels paard aan het verzorgen was, werd er eindelijk bij

geraadpleegd om ook zijn advies te geven.

"Of da ze veulen in hêt!" riep hij op zijn gewone ruwe manier,

onbeschroomd, met een bruusken ruk in de krib der merrie binnendringend;

"'k zal ulder da sebiet goan zeggen!"

Hij legde zijn rechterhand op den rug van het beest, dat dadelijk, als

van angst, onder zijn strakke aanvoeling huiverde, en bevoelde haar

nauwkeurig van onder, met zijn onomzichtige, grove vingers.

Het paard keek schichtig naar hem om, snuivend met wreedglinsterend wit

van oogen.

"Hè! stille!" riep Smul barsch, en voelde door. De boeren zagen roerloos

toe, in een soort eerbied voor zijn durf en kunde.

Het beest trappelde, drong even, rilde en schudde over gansch zijn huid.

Het keerde even vlug zijn hoofd om en plukte flappend met de lippen aan

Smuls vest.

"Stille dan, nondedzju!" bromde hij, de merrie met een woesten stoot op

zij duwend.

Zij hinnikte even, als uitte zij een klacht, maar stond meteen

onbewegelijk. De boeren glimlachten, stil bewonderend. Ook de boerinnen

zagen met zwijgende bewondering toe. Geen een die durfde om te gaan met

paarden als die Smul; geen een die er verstand van had als hij.

Smul liet zijn hand los en richtte zich op.

"Da peird hé zeuveel veulen in as ikke!" orakelde hij ruw, met een

rechten blik op Dons uit de krib komend.

Noch boeren, noch boerinnen moesten om zijn uitval lachen. 't Was ernst,

geen grapje.

"En en en z'es twie kiers van den hijngst gediend!... en en en den derde

kier sloeg ze'r noar!" brabbelde Dons, door Smuls onverwachte, ruwe

bevestiging van zijn stuk gebracht.

"Al ha z'er honder kiers bij geweest en duuzend kiers noar geslegen,

'k zegge da ze nondedzju gien veulen in 'n hét!" herhaalde Smul met

toenemenden nadruk.

"Ha da zal nondedzju uitkomen! Ha da zal nondedzju uitkomen of da ze

gien veulen in 'n hêt!" bromde de oude boer, die begon boos te worden.

Alfons bleef twijfelen. De merrie was hem door Dons verkocht met de

waarborg van het veulen. Daarom ook had hij er honderd frank meer voor

betaald. Als dat nu niet uitkwam, dan had hij ook wel recht op zijn

honderd frank terug. En hij wou er juist iets van reppen, toen de oude

boer in zijn kwaadaardige opwinding hem de woorden uit den mond nam.

"As ze gien veulen in 'n het 'n geef ik ou nie allienlijk d' honder fran

weere, moar bovendien nog twintig fran op de keup toe!" riep hij, bijna

uitdagend.

"Ha moar boer toch!" zei zijn vrouw ontsteld.

"O da mannevolk, mee ulder peirden!" lachte bazin Kneuvels.

"Gezeid es gezeid! Hè ze gien veulen in, hij krijgt honderd twintig

fran!" herhaalde Dons met nadruk.

"Gewed!" trad Smul met brutaal-uitgestrekte hand naar hem toe.

"Tut tut tut! wedders zijn kijvers!" kwam bazin Dons misnoegd in 't

midden.

Kneuvels was driftig iets aan 't hakkelen dat geen van allen begreep.

Vader van Dalen en zijn beide zonen stonden belangstellend te

glimlachen.

Maar Dons, in zijn rijken-boerentrots gekrenkt, duwde zijn vrouw op zij

en stak op zijn beurt driftig de uitgestrekte hand naar Smul toe.

"Veur zeuveel of da ge wilt!" riep hij.

"Euk veur 'n stik van twintig fran!" gilde Smul.

"Gezeid!" riep Dons; "ge zij amoal getuigen." En met geweld sloeg hij

zijn ruwe hand in die van Smul, die dadelijk met flinken zwaai den klap

teruggaf.

"Ala toe toe, ala toe toe, 't es zottigheid!" riep de boerin boos. Maar

al de anderen babbelden en lachten opgewonden en Dons en Smul waren

beiden even verrukt dat zij zoo flink op hun stuk hadden gestaan,

terwijl ook geen van beiden twijfelde of hij had het stuk van twintig

frank gewonnen.

Toen zij weer in huis kwamen stelde moeder van Dalen voor dat ze wat

kaart zouden spelen, terwijl het nog licht was en zij met Rozeke en La

het eten verder klaar maakte. Dat vonden zij allen een uitstekend plan.

Moeder van Dalen had de voorzorg genomen een paar kaartspellen van huis

mee te nemen en dadelijk zaten zij om twee tafeltjes bij ieder der twee

kleingeruite raampjes, boer Dons met bazin Kneuvels, Smul en vader van

Dalen aan het eene, bazin Dons met boer Kneuvels en de beide zonen van

van Dalen aan het andere. Alfons speelde liever niet mee; hij zou rechts

en links wat toekijken en ook de vrouwen helpen om de tafel te schikken.

Genoeglijk en gezellig speelden zij het boeren-jasspel. De

grauwbeduimelde kaarten werden langzaam, met telkens weer nat-gelikte

vingers, uit elkaar geschoven en rondgedeeld, en toen zaten zij even

heel ernstig hun spel te bestudeeren, wantrouwend van terzijde naar

elkander kijkend en zorgvuldig hun eigen kaarten tegen loerende en

spiedende blikken vrijwarend, totdat er eindelijk een "uitging" en de

anderen dan om de beurt "oplegden." De mannen rookten een pijp, de

vrouwen kregen een frisch-levendige kleur onder de warmte van het

houtvuur, dat gezellig in den breeden haard opflakkerde; en vlak naast

hen, op tafeltjes en vensterriggels, stonden de jenever-en-krieksap-

flesschen en de kleine glaasjes. Buiten viel langzaam de vroege, grauwe

schemering in. De muren en daken van stallen en schuur smolten weg in

grijze doezeling van de naakte boomen rezen als zwarte, dor-takkige

geraamten uit het dik-besneeuwde gras. Weldra begon het weer te sneeuwen:

eerst als een heel fijn, kleurloos stuifmeel, nauw zichtbaar in de grijze

lucht; toen ietwat grootere, wittere vlokjes, die vlug en druk door

elkander warrelden als stoeiende vlindertjes, en eindelijk groote, witte,

trage brokken, loom dalend in zware verdooving van alle geluiden uit een

lagen, loodkleurigen hemel, die er gansch van trilde en wemelde, als werd

een onuitputtelijke voorraad witte watten met reusachtige grepen op de

gesmoorde aarde neergestrooid. De laatste op het erf verspreid loopende

kippen vluchtten ijlings naar hun roestplaats, de grauwe, ruigharige

waakhond kroop met hangenden staart en knippende oogen in zijn hok.

"Oo!... es dá snieuwen! es dá snieuwen!" riepen zij om de beurt, naar

buiten starend. Maar binnen werd het des te gezelliger en zij vulden nog

eens goed de glaasjes en staken versche pijpen aan terwijl de pret van

lieverlede hooger opklonk, met luid-geestdriftige uitroepingen en gebons

van vuisten op de tafeltjes, telkens als er een opwekkende slag

uitgespeeld werd.

Rood en zweetend, den mond hijgend open en 't dikke buikje als een

tonnetje onder haar schort, kwam moeder van Dalen met opgestroopte

mouwen uit het achterhuis te voorschijn.

"Zeg ne kier meinschen," riep zij van op den drempel, "'k ha iest

gepeisd van de toafel in de beste koamer te dekken, moar zoe 't nie

achenoamer zijn hier in de keuken, bij 't vier?"

"Joa 't jong, veele, veele!" riepen zij allen.

"Zij-je wel, houdt ou wel!" gilde de oude Dons.

"Al gezeid!" besloot moeder van Dalen. Zij riep om La en Rozeke en met

behulp van Alfons plaatste zij twee tafels naast elkaar vlak langs den

haard en begon er de wit-en-rood geruite kleedjes over uit te spreiden.

Door de opengebleven deur van 't achterhuis, waar gekookt werd, drong

de fijne geur van 't sissend-bradend varkensvleesch naar binnen en de

verlekkerde spelers staken den neus in de lucht en snoven die wellustig

op, terwijl hun 't water van verlangen in den mond kwam.

Maar het werd heelemaal donker, zij zagen haast de kleuren en figuren

van hun kaarten niet meer en Alfons stelde voor de blinden te sluiten en

het licht aan te steken. Zoo werd gedaan. De winter-triestigheid van

buiten werd door het helder licht van een groote petroleumlamp verbannen

en met vernieuwde pret speelden zij verder door en vulden nog eens weer

de glaasjes en staken versche pijpen aan.

Maar uit het achterhuis galmde eindelijk de hooge stem van moeder: "Ala

jongens, schiedt er nou moar uit, 't es geried!" en meteen kwam zij

binnen, 't gezicht verborgen achter de dampnevelen van een reusachtige

schotel, die zij op haar beide uitgestrekte handen droeg, terwijl Rozeke

en La ook alle twee met heet-dampende schotels volgden.

Een luid gejuich steeg op en al de spelers stonden overeind. Maar Dons,

die zijn partijtje niet had uitgespeeld, gilde driftig dat de kaarten

moesten blijven liggen tot na 't eten om dan voort te spelen; en eerst

nadat de anderen daarin hadden toegestemd kalmeerde hij en kwam

glimlachend met zijn flikkeroogjes naar de tafel toe.

"Haha! da zal smoaken! da zal smoaken!" lekkerbekte hij.--"Mag 'k doen

lijk thuis?" vroeg hij; en zonder op 't antwoord te wachten trok hij

zijn ouderwetsche, bruin-lakensche jas uit, hing hem aan een deurknop en

nam plaats in zijn hemdsmouwen, in het midden der tafel, met den rug

naar het warm en rood opflakkerend haardvuur.

"Den buik noar de toafel en de rugge noar 't vier! da es de gezondheid

van den ouwe Pier!" schetterde hij tot proestens lachend over zijn eigen

grapje.

Zij zaten allen, elk naar zijn eigen zin zich schikkend en plotseling

hield het schertsen en praten op, terwijl een groote, ernstige stilte

even heerschte.

De oude Dons nam zijn zware pet af, maakte een kruis, vouwde zijn

eeltige handen in elkaar en murmelde met neergeslagen oogen een gebed.

Heel zijn gezicht was éénkleurig rood als een gekookte kreeft en de

dunne sluike haren stonden er spierwit als sneeuw omheen. Allen volgden

hem na. Vader van Dalens kale schedel blonk in 't helder lamplicht,

Smuls rossig haar stak borstelig en verward achter zijn ooren uit,

Alfons' gelaat leek fijn en bleek onder zijn donkere lokken en zijn dun

zwart snorretje. Rozeke, een frissche kleur van warmte over haar zachte

wangen, hield liefelijk haar hoofdje scheef-geheld, als een bijna nog

kinderlijk jong meisje; bazin Kneuvels' gouden kruis vonkenschitterde

onbewegelijk op haar zwarte borst. En bazin Dons had nu een trek van

vermoeienis en ouderdom op haar getaand gezicht waarin men niet meer zag

het donkere der neergeslagen oogen; en moeder van Dalen, de gevouwen

handen op haar rythmisch op en neer golvend buikje, zat nog stil van

inspanning te hijgen, met twee langzaam neerzijgende zweetdroppels,

rechts en links over haar bolle, heete wangen. Boer Kneuvels en Rozeke's

broeders staarden strak naar de dampende schotels. De ronde, blonde,

blozende La prevelde haar gebed met vlug-bewegende lippen.

"In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, amen,"

zei eindelijk hardop boer Dons, terwijl hij weer een kruis sloeg en zijn

dikke pet opzette.

Alle handen ontvouwden zich, maakten het kruisteeken, en weer gingen

alle petten op de hoofden, terwijl de ernstige gezichten, opgelicht, tot

vroolijkheid herleefden.

"Allo jongens, valt er moar aan!" riep moeder van Dalen.

Zij hadden eerst booli[3] met aardappels en worteltjes, en Dons vroeg of

hij maar wilde voorsnijden om het niet koud te laten worden.

Dat was uitstekend. Niemand anders had daar veel verstand van, want

enkel op kermissen, begrafenis-maaltijden en overhaal-feesten aten zij

rund-vleesch. In dikke hompen sneed de oude boer de stukken van elkaar.

Zichzelf bediende hij het eerst, aangezien het toch vlak voor hem stond,

riep hij, en gaf toen de schotel verder door.

Zij aten!... De mannen slokten de groote brokken vettig vleesch, de

heele aardappels, de opgehoopte vorken worteltjes naar binnen. De

vrouwen aten trager, met kleinere beetjes, niet zoo schrokkig. Alleen

met korte, vlugge woorden ging 't gesprek nog even door. Zij hadden geen

tijd om te praten. Wanneer zij niet slurpten en kauwden dronken zij van

hun bier, met lange, gulzige, zuigende, in de keel klokkende teugen.

"Haa!... 't es goed, zille! 't doet deugd!" schreeuwde Dons met

blinkende oogen.

"K ie... ie... ieste kla... asse! 'k moa... oak ou mijn compliment,

be... e... zinne van Doale!" brabbelde Kneuvels tusschen twee slokken.

Smul slikte en schrokte zonder opkijken en ook vader van Dalen had

heelemaal geen tijd tot praten. Hij at zooals hij wrocht: zwoegend,

de schouders scheef van inspanning. Hij kreeg het al spoedig benauwd

en legde vork en mes even neer om als boer Dons zijn vest uit te trekken

en ook zijn broekband los te knoopen.

"Goe gedacht!" riep Dons, en knoopte insgelijks los. "Moet-e gulder gien

ploatse moaken?" schertste hij tot de vrouwen.

Zij moesten even schateren.

"Hoe zoên we da moeten doen, boer! We'n droage wulder gien broek!"

lachte de mooie bazin Kneuvels.

"Zeu!" riep Dons verwonderd. "'K miende dat da tegenwoordig mode was!"

Zij gingen daar even op door en dadelijk werden de toespelingen zeer

gewaagd. Bazin Kneuvels deed of ze zich vreeselijk schaamde maar haar

oogen flikkerden van pret; en moeder van Dalen kon zich eensklaps niet

meer inhouden: zij riep den ouden boer een erge schouwiteit toe, en

schaterde met open, tandeloozen mond, de handen op haar schokkend

buikje, terwijl de lachtranen over haar wangen rolden.

"Ha moar moeder, zij-je toch nie beschoamd!" riep Rozeke half boos

wordend.

"Tut tut tut, w'amezeeren ons onder mallekoar en doar 'n zijn hier toch

gien "hemelgieten"[4] lachte moeder.

Na den "booli" kwam er nog een gewichtige schotel "saucietjes en

carbonaden" met spruitjes en ten slotte rijstpap met bruine suiker. Zij

konden niet meer; zij blaakten en hijgden. Het purperrood gezicht van

den ouden, mageren Dons was glimmend als met olie overstreken en zijn

kleine varkensoogjes waren zóó dicht toegeknepen dat men ze nog slechts

als twee donkere flikkerstreepjes onder de rood-gezwollen oogleden zag.

Boer Kneuvels, die nog meer nat dan droog gebruikt had, begon vreemd met

zijn dikke tong te brabbelen; en vader van Dalen, anders praatziek

genoeg en luidruchtig, zat nu stom en roerloos in elkaar gezakt, de

koonen rood-gevlamd, zijn levend één-oog rond-verwilderd en strak vóór

zich uit starend, alsof hij zich onwel begon te voelen. Smul bleef

schijnbaar kalm en als 't ware onverschillig, met de gewone uitdrukking

van stugge barschheid in zijn harde, blauwe oogen. Soms viel zijn blik,

heel even slechts, op Rozeke; maar dadelijk, terwijl zij zelve haar

oogen instinctmatig neersloeg, wendde hij zich af en sprak geen enkel

woord tot haar. Zij was zoo bang niet meer voor hem als in 't begin,

maar zijn aanwezigheid maakte haar stil, doodstil, als voelde zij om

zich heen een vaag en steeds dreigend gevaar.

Allen trouwens, werden van lieverlede stiller en spraken weldra over

ernstige zaken. De van pret haast toegeknepen oogjes van den ouden boer

ontpopten zich weer tot gewone kleine menschen-oogen, en hij sprak heel

verstandig, zonder schreeuwen, met Alfons, als een vader tot zijn zoon,

over de voor-en-nadeelen die verbonden waren aan het boerderijtje, dat

hij van hem had overgenomen. Mooi en buitengewoon geschikt was het

gelegen: alles om het pachthof heen en eerste klasse grond. Van op zijn

boomgaard kon hij zijn werkvolk gade slaan tot op de verst-afgelegen

partij. Droge jaren waren de gunstigste; een drietal bunders lagen wat

te laag en bleven bij natte seizoenen te vochtig. De boomgaard was een

van de rijkste in den omtrek. Meer dan eens had hij Dons de drie-vierden

van zijn ganschen huurprijs opgeleverd. De kateilen[5] waren ruim en

stevig gebouwd; de pachtsom was niet overdreven. Kortom, zonder

onvoorzienen tegenspoed zou Alfons er goed aan zijn brood komen en zelfs

een aardig stuivertje op zij kunnen leggen.

De anderen luisterden, stilzwijgend, vol eerbied voor den ouden boer die

op zijn hoeve rijk geworden was. Hoogst zeldzaam waren ze nog die dat

konden zeggen, want de tijden waren slecht, de pachten hoog, de uitgaven

en lasten ieder jaar grooter. Verreweg de meeste boeren gingen

tegenwoordig achteruit in plaats van rijk te worden. Hoeveel waren er

niet, die na een gansch leven van werken en zorgen en zwoegen, op hun

ouden dag in het armenhuis eindigden?

"Kjoa... joa... kg... hêt gij wel scheune te spreken, boe oer Dons,"

hakkelde Kneuvels, met ingespannen handenwringen de weerspannige woorden

uit zijn mond halend, "kg... hêt gij de goên tijd ggghad... moar kkk da

ge nou nog moest be... be... beginnen kt 'n zoe zoe euk kk azeu nie mier

zijn!"

"De goên tijd, zegt-e gij," antwoordde Dons ernstig, met oogen van

verbazing. "De goên tijd!--T'n was giene goên tijd in de joaren 47 en 48

as de meinschen van den honger op stroate lagen te stirven!" En hij

vertelde van die nare tijden, waarvan zij allen slechts vaag gehoord

hadden, maar die hij, zooveel ouder, in al hun akeligheid had

meegemaakt. Twee opeenvolgende jaren, eerst door zware regens, dan door

maandenlange droogte, waren de oogsten mislukt en er was geen eten meer

voor menschen noch voor beesten. Geen graantje meer in de schuren, geen

aardappel meer op 't veld; alleen nog maar wat half bevroren, half

verrotte raapknollen en bieten, die de hongerige menschen 's nachts op

de akkers kwamen ontgraven. Boeren en gendarmen hielden onophoudelijk de

wacht: arme stumperds werden doodgeschoten; anderen vond men op de

velden 's ochtends dood liggen, versteven van de kou, omgekomen van

gebrek.

"Doar zie, achter ulder schure," sprak plechtig de oude boer naar de

donkere, toegeblinde ramen wijzend, "hé 'k er op nen uchtijnk twieë

gevonden in de snieuwe, 'n mannemeinsch en 'n vreiwe-meinsch, uit 'n

vrend dorp, de man deud, de vreiwe nog 'n zierke levend, alle twieë zeu

moager en uitgeleefd da ze de knecht onder zijn oarms opgepakt hét en in

de schure op 't streu gedregen."

Een plotselinge stilte heerschte om de tafel. Allen staarden met bijna

angstigen ernst naar het vuurrood, gerimpeld gelaat van den ouden boer.

"Es 't vreiwemensch nog blijve leven?" viel hem eindelijk Rozeke,

trillend van emotie, in de rede.

"Nie z', ze was al te verre gezet," antwoordde hij.--"Mijn moeder

zoaliger hè z' hier in huis doen brijngen, hier, veur den heird, bij

't vier, op de zelve ploatse woar da 'k nou zitte, en w' hén heur woarme

melk en brandewijn ingegoten; moar 't was al te loate, 't 'n hé nie mier

g'holpen. Veur den noene was z'euk al deud.--Joa joa de goên tijd!

spreek mij van de goên tijd! Nòù es 't de goên tijd, woar da alles van

't vrende kan komen als 't in 't land zelve nie 'n groeit."

Weer spraken zij, allen ondereen nu, van den goeden en den slechten

tijd, van de menschen van vijftig jaar geleden, die met weinig tevreden

waren en hun geld opspaarden; en van de menschen van den tegenwoordigen

tijd, die veel verteerden en voor hun ouden dag niets overhielden.

Zij waren klaar met eten en slurpten nu koffie, uit groote, witte

koppen, de mannen rookend, de vrouwen af en toe een snuifje nemend,

allen in gemakkelijke houding om de tafel geschaard, de aangezichten

rood-begloeid door 't haardvuur, waarop Alfons weer versche blokken had

geworpen. Nu en dan stond er een op en ging even naar buiten en kwam

toen na een poos rillend weer binnen, zeggend dat het buiten niet meer

sneeuwde, maar dat de lucht zoo grauw en nog zoo vol zat, met

loom-schuivende, zware wolken vóór de volle maan. En weer maakten ze

't zich gezellig om het warme vuur en luisterden naar de vertellingen,

blazend en slurpend uit hun koppen in den blauwen damp der pijpen.

Toen hoorden zij plotseling een dof gestommel aan de voordeur en allen

keken met verwondering, de vrouwen bijna angstig, om.

"Och Hiere, was és dat doar!" riep Rozeke, gejaagd opstaande, bang

geworden door de akelige verhalen.

Maar er werd zacht gekucht daar buiten; en eensklaps hieven zoete

kinderstemmetjes het welbekende Driekoningenavond-liedje aan:

"Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan

Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan.

Naar Bethlehem, naar die schoone stad

Waar Maria met haar klein kindeke zat."

"Och Hiere! de kinders die hier Dertien-oavond kome zijngen! O, da es

toch scheune!" glimlachte Rozeke met tranen van ontroering in haar

oogen.

Ook al de anderen luisterden, eensklaps weer roerloos en zwijgend, in

onbewuste emotie, de stil-glimlachende gezichten naar de voordeur

omgewend.

En zacht zongen de kinderstemmen verder:

"Hoe kleiner het kind, hoe grooter de eer

Dat is er een teeken van God den Heer!"

Zij zwegen even, stommelden en kuchten; en in de groote, luisterende

stilte klonk het tweede Drie-koningenavond-liedje:

"Het is vanavond Driekoningen-avond

En 't is morgen Driekoningen-dag,

Toen Maria al met Magdalena

Al op het Heilige graveke zat."

Rozeke stond op:

"Toe, moeder, geef mij wat veur die kinders: 'n beetse rijspap en wa

cenzen."

"Cenzen!... 'k 'n hé ik hier gien cenzen!" riep moeder verwonderd. "En

rijstpap! woarom moên ze zulder rijspap hên?"

"Neem, doar zijn vijf cens," zei boer Dons in zijn vestzak tastend.

"Och toe, moeder, en 'n beetse rijspap?" smeekte Rozeke.

Pruttelend ging moeder in het achterhuis maar kwam toch met een

rood-steenen schoteltje vol pap terug.

"Doet er 'n beetse meelsuiker op, moeder?" fleemde Rozeke.

"Ha ge zij gij zot, geleuf ik!" riep de oude ontwaardigd.

Maar zij deed het toch ook, en Rozeke haastte zich naar de deur, waar de

kinderen, hun liedje uitgezongen, nu zachtjes aanklopten.

"Joa moar ze moên de schotel weere brijngen, zille," vermaande moeder.

Rozeke opende de deur en op de vaag-bemaneglansde sneeuw zag zij het

troepje vóór den drempel staan: drie meisjes en twee knaapjes, waaronder

een heel kleintje, dat de groote papieren ster droeg. Hij deed ze met

een touwtje ronddraaien zoodra hij Rozeke zag, en weer zongen de andere,

met hun fijne, teere stemmetjes:

"Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan,

Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan."

"Neem," zei Rozeke ontroerd, hun de centen en het schoteltje aanreikend,

"moar 't schotelke moet-e morgen weere brijngen, zille."

"Joa w' bezinne, merci bezinne," dankten zij. En in een druk, dicht

donker troepje liepen zij haastig en verheugd weer naar het hek.

"Bezinne," dacht Rozeke glimlachend; "'t es woar, 'k ben nou bezinne."

Zij staarde even naar het wit, besneeuwde hof met de zwarte

boom-geraamten en naar de hooge maan met de dikke, grauwe wolken erom,

boven 't dak der schuur.--Daar achter, op een wintersneeuwnacht zooals

deze, had de arme vrouw gelegen waarvan Dons vertelde. Zij huiverde.

O, die nare verhalen, wat had het haar aan 't hart gegrepen! Wat was

er strijd, armoede en lijden op de wereld! Wat was háár lot gelukkig

vergeleken bij dat van zooveel anderen! Plotseling dacht zij aan

mejonkvrouw Anna. Ook die was niet gelukkig. Waar zou ze zijn op

't oogenblik? En wat was toch de oorzaak harer droefheid? Zij stond daar

even over te peinzen, vaag luisterend naar 't verwijderd, fijn gezang

der kinderen, die nu reeds op een andere hoeve waren. Maar de

feestvierders daarbinnen klaagden luid dat ze 't koud en ongezellig

maakte en dat ze weer moest binnen komen.

Haastig sloot zij de deur en kwam rillend terug bij den haard.

Nog een poosje bleven zij er doorpraten, gezellig rookend om den haard,

onder het drinken van steeds meer koppen slappe koffie en ook glaasjes

brandewijn; en weer werd hun gesprek nu los en licht en vroolijk, met

ieder oogenblik uitbarstend scherts-gelach om ondeugend-schuine grapjes;

maar toen boer Dons, zeer opgewonden, voorstelde het onderbroken

kaartspel voort te zetten, bleek het reeds te laat geworden en spraken

de vrouwen van nu maar liever weer naar huis te gaan. De mooie bazin

Kneuvels, die tijdelijk zonder dienstmeid was, moest zelve nog alles

tegen den volgenden dag beredderen, beweerde zij; en ook bazin Dons

wilde liefst vertrekken vóór het laat in den avond werd en zij wellicht

spoken op hun weg ontmoetten.

"Speuken! zij-je toch nie wijs! Doar 'n bestoan ommers gien speuken

mier," lachte vader van Dalen.

Maar bazin Dons en ook meestal de anderen bleven zeer ernstig.

"D'r zijn zèker nog speuken!" bevestigde boer Dons, die reeds was

opgestaan en zijn jas had aangetrokken, maar even weer ging zitten. En

hij vertelde een vreemde geschiedenis van zijn ouden paardenknecht, van

het spook en den kasteelhond.

Iederen avond,--dat was nu zeker wel ruim veertig jaar geleden--dwaalde

daar in de buurt een kasteelhond.

"Wa ès da ne kastielhond?" viel Rozeke hem met groote oogen van

belangstelling in de rede.

De oude boer haalde zijn schouders op.

"Da es nou gelijk," sprak hij, bijna korzel, "nen hond, ne kastielhond,

niemand 'n weet precies wa dat dat es. Moar loat mij ne kier veurt

vertellen."

"Iederen oavond dus,--'t was in de winter, omtrent dezen tijd--liep er

hier rond 't hof ne kastielhond. Koarel-Sies, mijnen ouë peirdeknecht,

ha hem al heul dikkels gezien, en telkens zat er hij achter mee zijn

vurke, moar natuurlijk zonder hem oeit te keune krijgen.--Koarel-Sies,

jongen, zei ik azeu, ge moet oppassen of ge goat doar leulijke dijngen

mee ondervinden.--Zoe 'k wel, boas, zeit hij; da 'k hem moar e-kier 'n

kon krijgen, 't zoe hier al gauwe gedoan zijn mee al dat geleup.--'K

zegge: kijk, ge moe 't weten, Koarel-Sies, zeg ik azeu, moar geleuf mij,

jongen, ge goat er vuil mee vangen, zeg ik azeu.--Goed.--Op nen oavond,

nen dag of dreië achter da 'k hem da gezeid ha, komt Koarel-Sies al mee

ne kier noar mij geleupen: "Boas! hij es doar weere zille en deze kier

moe 'k hem hên!" Ik ha hem al ne heulen tijd gezien, moet-e weten: en,

peis ik in mijn eigen...."

"Watte! de kastielhond! Het-e gij hem euk gezien, boas Dons?" viel

Rozeke den ouden boer opnieuw met trillende emotie in de rede.

"Zeu goed of da 'k òù zie," verzekerde kalm boer Dons. Bazin Dons, die

ook vol aandacht luisterde, knikte sprakeloos met het hoofd, om te

getuigen dat het waar was. Al de anderen, om den ouden boer geschaard,

vingen, in roerloos-stille graagte, de woorden van zijn lippen op.

"En wat deed hij? Hoe liep hij? Hoe zag hij d'r uit?" vorschte Rozeke

ademloos.

"Da es nou gelijk!" antwoordde Dons weer ongeduldig wordend. "Ne

kastielhond, zeg ik ou! Niemand 'n weet datte; niemand 'n hèt da van

dichte bij gezien. Loat mij ne kier veurt vertellen...."

"Goed.--Peis ik in mijn eigen: Kaorel-Sies, jongen, doe gij ou gedacht;

leupt gij er achter, aangezien da ge toch nie mier verstand 'n hêt; ik

'n trekke mij den boel nie aan. Goed.--De kastielhond droait hem ne keer

of zeven rondom 't hof, en Koarel-Sies doar achter, mee zijn vurke

veuruit, vliegen lijk de wind. 'K wilde da ge da gezien hadt! Ge kond'

hem heure lessemen[6] toe op de keiter[7]. Wel verdeeke!... peis ik in

mijn eigen, 'k geleuve woarachtig dat hij hem van deze kier goa krijgen,

want 't 'n school gien hoar mier of hij zat er boven op;... moar al mee

ne kier, percies op de moment da Koarel-Sies de kastielhond zijn vurke

deur 't lijf goa steken, verandert de kastielhond in 'n speuk, dat

rechte lijk ne pijl uit nen bogen noar den bosch toe leupt!

"'n Speuk! 'n woarachtig speuk! En hé-je 't gezien, boas Dons? riep

Rozeke.

"Lijk of ik òù zie!... moar loat mij ne kier veurt vertellen."--Goed, 't

speuk den bosch in en Koarel-Sies mee zijn vurke doar achter.--Ik vliege

zeu zier of da 'k kan toe an 't hofgat en 'k roep uit al mijn macht!

"Koarel-Sies! Koarel-Sies! gie dwoaze loeder, komt toch weere!" Moar 't

spel was al verbrod en 't was te loate. 'K zag hem nog precies mee ne

lei al de kant van dan bosch leupen en over de gracht sprijngen; en wig

was hij, nie mier t'heuren of te ziene!"

"En?" vroeg Rozeke, de woorden uit zijn mond kijkend.

"Hewèl... hij hét hij heul den nacht rondgedwaald, zonder nog zijne wig

te keune vinden. 't Speuk ha hem verlied. Tegen den uchtijnk es hij

weere thuis gekomen, slijknat, deudmoe, al schriemende lijk 'n klein

kind. Heul de godsche nacht had hij achter 't speuk geleupen, op alle

soort van vrende prochies, deur bosschen woar dat hij nog noeit van zijn

leven geweest 'n ha; en as hij thuis kwam had hij, in ploatse van zijn

vurke, nen bessemstok in zijn peuten.--Hij hé hem ontklied en veertien

doagen van altroassie in zijn bedde gelegen!"

"En 't speuk? de kastielhond?" vroeg Rozeke.

"De kastielhond! 'n moand lank hé 'k hem hier hoast iederen oavend

rondom 't hof zien leupen. Hij kwam natuurlijk kijken of da Koarel-Sies

nog goest ha om d'er mee zijn vurk achter te zitten; moar Koarel-Sies

had er genoeg van, zille. Ge 'n zoedt hem 't 's oavens mee gien stokken

mier van 't hof gekregen hén."

Er was opnieuw een korte stilte. Allen staarden weer met ernstige

gezichten naar den ouden boer, die zooveel wonderbaars had bijgewoond

en Rozeke durfde geen woord meer vragen.--Maar plotseling ging een

onverwachte stem op òm den hoek der tafel, de ruwe, schorre stem van

Smul, die nu in kort-gehorte woorden ook een wonderheid vertelde.

Dat was een jaar of twaalf geleden; hij woonde toen, als pasbeginnende

paardeknecht, op een groote boerderij, den kant uit van 't Westvlaamsche.

--Eens, op een ochtend, dat hij een verafgelegen partij land aan het

beploegen was, zag hij, in een struik van den elzekant die den akker

omsingelde, een vreemd klein dingetje hangen,--een soort bruinhouten pop

of beeldje, leek het hem--half verborgen in 't gebladerte. Hij liet zijn

ploeg met paarden even staan en ging dwars over 't akkerland, op 't vreemd

verschijnsel af. Het was een klein, bruinhouten Lieve-Vrouwbeeldje, met

een dof-gouden stralenkransje om het hoofd. Wie mag dat daar wel gehangen

hebben? dacht hij. Het had geen waarde, hij liet het hangen en zette zijn

arbeid voort, maar nam het 's middags mede naar de boerderij.

Ook daar begreep geen mensch wat het wel beteekenen mocht. Maar,

aangezien het toch een heilig beeldje was, zou de boer het maar houden,

en het werd in de keuken boven op de schoorsteenlijst geplaatst.

's Anderendaags morgens, toen de boerin beneden kwam en even naar den

schoorsteenriggel opkeek, was het beeldje verdwenen. Dat werd hoe langer

hoe vreemder; zij ondervroeg al de huisgenooten en de knechts en meiden

van de groote boerderij, en allen gaven de stellige verzekering dat zij

geen hand naar 't beeldje hadden uitgestoken. Bij gebrek aan verdere

bewijzen moest de boerin hen wel gelooven, en ieder ging weer naar zijn

werk zonder nog veel aan het beeldje te denken.

Maar nu werd het bepaald een wonder, een mirakel. Het eerste wat Smul

zag, toen hij met ploeg en paarden op den akker kwam, was 't bruine

Lieve-Vrouwbeeldje, hangend precies op de zelfde plaats, aan 't zelfde

takje waar hij het 's ochtends te voren ontdekt had.--Dat heeft mij

niemand voor de grap geleverd, dacht Smul, en 's avonds nam hij weer het

beeldje naar de hoeve mee. Maar hij vertelde 't aan niemand, hij verborg

het in een baalzak en stopte 't zoo weg onder zijn bed, op den zolder

waar hij sliep, boven de paardenstallen.

Toen hij den volgenden ochtend ontwaakte, was zijn eerste zorg haastig

den baalzak te openen. Het Lieve Vrouwtje was weg! Hij liep naar 't

verre akkerland. Het beeldje hing er weer op de zelfde plaats, aan 't

zelfde takje van 't zelfde elzestruikje.--Smul liet het hangen. Het hing

er heel den dag en 's avonds nam hij het ook naar de boerderij niet

mede----

Dien nacht gebeurde iets vreeselijks. Een jong boerenmeisje, dat

tamelijk laat in den avond alleen huiswaarts keerde, werd langs den

eenzamen weg door een landlooper aangerand. Zij vluchtte weg, kwam juist

terecht op dat stuk akkerland, bij de plaats waar 't Lieve-Vrouw-beeldje

in het elzestruikje hing. Daar werd ze verkracht en vermoord!..."

"Och Hiere!" slaakten al de vrouwen. Rozeke zag bleek van schrik en

beefde, haar angstige oogen op den paardeknecht gevestigd. Had hij zelf

niet geprobeerd haar met geweld te nemen, in het koren!...

Maar moeder Van Dalen was verontwaardigd en riep:

"Da was 'n heule slechte Lieve-Vreiwe!"

"'T 'n doet, integendeel," beweerde Smul. "Da was 'n woarschuwijnge van

onz' Lieve-Vreiwe dat er op die ploatse moest gewoakt worden!" En hij

vertelde verder:

"Den boer hèt er 'n kapelleke doen bouwen en 't Lieve-Vreiwke doar in

gezet. Moar alle nachten speukt het er in 't ronde en 't zal d'r blijve

speuken zeu lank of dat de meurdenoare nie gevonden 'n es."

"Hên z' hem dan nie gevonden?" riep Rozeke.

"Nien z'!" zei Smul kortaf, haar voor het eerst dien avond recht in het

gezicht aankijkend.

Zij sloeg den blik ten gronde en sidderde, als voelde zij een dreiging

in zijn blik.

Allen waren langzaam opgestaan en namen afscheid. Ach, men moest maar

niet te veel aan al die vreeselijke dingen denken, meende de oude boer,

terwijl hij zijn dikken bruinen kraag opzette en zijn pet over de ooren

trok: men moest trachten met iedereen goed te staan en ieder geven wat

hem eerlijk toekwam. Dan lieten spoken, kasteelhonden en verschijningen

je wel met rust. Allen waren 't daar ernstig over eens, en dat gesprek

bracht hen eindelijk nog even weer op de kwestie van de weddingschap die

tusschen Dons en Smul was aangegaan.

De oude boer, buiten op den drempel, gilde Smul, die naar de stallen

ging om in te spannen, na:

"Veur twintig fran, hè? Nie vergeten, zille!"

"Ge meug gerust zijn, 'k zal d'er zelf omme komen!" klonk van verre

Smuls ruwe, schertsende stem.

De witte nacht was gansch helder geworden, glans-helder van vol

manelicht over de blanke, donzig-dikke sneeuw; en hun lange, zwarte

schaduwen rekten zich gedrochtelijk vóór hen uit, tusschen het

vreemd-gewirwar van 't weerkaatste, naakte boomen-netwerk op den

onbetreden witten grond. Het vroor en al de sterren tintelden in 's

hemels donkerblauw; maar laag aan den gezichtseinder rezen weer donkere

balken, zwaar-dik van nog dreigende sneeuw.

"Ala, de goê nacht en 'n dreumt er nie van!" riep de oude boer, terwijl

hij met zijn vrouw, met vader en de broeders van Dalen het hoevetje

verliet. Luid pratend onder elkaar verdwenen zij in den helderen,

sonoren maan-en-vriesnacht. Het oogenblik daarna was ook de sjees

van Kneuvels klaar en Alfons en Rozeke, die hen tot aan den weg een

uitgeleide deden, kwamen rillend van de kou terug bij La en moeder,

om het langzaam uitdoovend haardvuur.

Dien nacht had Rozeke vreemde, benauwende droomen. Alles wat ze 's

avonds gehoord had woelde verward door haar geest en zij kreeg akelige

vizioenen van kasteelhonden en spoken, van zieltogende menschen in de

sneeuw en van vluchtende vrouwen die door landloopers overweldigd en

vermoord werden. Mejonkvrouw Anna, van 't kasteel, werd wreed door een

van die honden verscheurd; en zij zelve, eenzaam en verlaten, verre van

Alfons en verre van haar ouders en haar broeders, vluchtte voor een

schurk die haar razend achtervolgde en haar eindelijk vastgreep en

omverwierp op den harden grond onder een elzestruik.

Met een gil van angst schrikte zij plotseling wakker, vloog overeind,

sloeg verwilderd hare armen uit.

"Wa het-e-gij? Wat doe-je gij?" riep Alfons, ook eensklaps uit zijn

slaap wakkergeschrikt.

"Niets! 'k 'n weet niet! 'k miende da 'k iets zag! da 'k iets heurde!"

hijgde ze angstig.

"Kom kom, g' hèt gedreumd, legt ou neere, loat ons sloapen," zuchtte

hij.

Zij zag de hooge maan in bleeken hemel door het bovenste gedeelte van

het kleingeruite raampje; en dat aanschouwen van de kalme, koude,

heldere werkelijkheid, verjoeg haar ingebeelden droomangst. Ja ja, zij

had gedroomd....

Zacht strekte ze zich weer uit en legde haar armen om zijn hals.

"'K zie ou zeu geirne Fons; ge 'n meug mij noeit verloaten, ge moet

altijd... altijd bij mij blijven," nokte zij teer-ontroerd.

Zijn handen drukten haar werktuigelijk tegen zich aan, maar hij gaf geen

antwoord meer. Hij was reeds weer in slaap.

Toen zuchtte zij heel diep en sliep ook kalm weer in.

Noten:

[3] Gerookt rundsvleesch.

[4] Hemelgeiten: kwezels.

[5] Stallen en schuren.

[6] Hijgen.

[7] Kouter; vlakte.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 · 第 12 / 18 题