VI.

Zooals van zelf spreekt, had hij bij boer Kneuvels zijn dienst opgezegd.

Hij was nu rijk genoeg om als eigen baas te werken; en bijna dadelijk

deed zich een uitmuntende gelegenheid voor. Een boerderijtje met één

paard, behoorende aan den baron, mejonkvrouw Anna's vader, kwam tegen

Kerstdag te huur. Het was er lief gelegen op de grens der vruchtbare

bouwlanderijen en der malsche weiden, met een lange, mooie olmendreef

naar den hoogen zandweg op de golvende vlakte en een beukenboschje

achter schuur en stallen. Deze waren nog met stroo gedekt en eigenaardig

overdakt als in den ouden tijd; de uitgestrekte boomgaard stond vol

oude, knoestige fruitboomen, sommige zoo grillig krom-gegroeid dat de

ruige stammen als kronkelende grauwe slangen over 't gras schenen te

kruipen; en 't woonhuis was geheel geschilderd in de teerste rozekleur,

met een zwarte plint langs onder aan den muur en blinkende wit-en-roode

vensterluikjes, de kleuren van 't kasteel. Midden op het dak prijkte een

klein, grijs, houten torentje met een klokje.

"Hoast ou, toe, goa d'r mee mejonkvreiw Anna over spreken ier dat er nog

ander liefhebbers komen," had Alfons tot Rozeke gezegd, zoodra hij

hoorde dat het boerderijtje zou beschikbaar komen. En op een ochtend, op

haar uiterst best gekleed, trok Rozeke naar het kasteel en vroeg er om

een onderhoud met jonkvrouw Anna.

De knecht die haar ontving zette een bezorgd gezicht.

"'K wete niet of da mejonkvreiw op 't kasteel es en of g' heur wel zilt

keune zien," zei hij.

Hij bracht haar door de ruime, wit-marmeren vestibule, die vol bloemen

en sierplanten stond, en waar een groote, glinsterende kachel brandde,

in een kabinetje met oude kasten en blauw porselein aan de donkere

wanden en verzocht haar eventjes te wachten.

Rozeke, sterk door de prachtige omgeving geïmponeerd, nam plaats bij 't

eenige venster en keek tusschen de zware, bruine gordijnen naar buiten.

Zij zag het glooiend grasveld met den grooten vijver, waarop stille

zwanen dreven, een hoekje van 't bordes, met den steenen leeuw in

wakende rust op den breed-arduinen balustrade-pijler; en verder, onder

de reeds ontbladerde hooge boomen, de lief-roode gebouwtjes van

tuinmanshuis, remise en stallen. Vlak vóór haar lag de statige

beukendreef waardoor zij was gekomen en gansch in het verschiet, over

de groene en bruine golving der najaarsvelden onder effengrijzen hemel,

ontwaardde zij de dichte, donkere kruin van een andere dreef: die naar

het, van hier onzichtbaar, lieve boerderijtje leidde, waarnaar zij

vragen kwam.--Stil, benauwend-doodstil leek het groot, plechtig kasteel

van binnen. 't Was of geen mensch erin bewoog of leefde en een bijna

angstige beklemdheid maakte zich langzaam van Rozeke meester. Is dát het

vroolijk leven van de rijke menschen die op kasteelen wonen? dacht zij;

en zij vond dat die zware stilte, die benauwende plechtigheid die zij

overal om zich heen voelde, niets paste bij mejonkvrouw Anna's lief en

vriendelijk en opgewekt karakter.

Zacht ging de deur open en mejonkvrouw Anna, geheel in 't zwart gekleed,

kwam te voorschijn.

"Dag mejonkvreiwe," zei Rozeke, met haar vriendelijksten glimlach en van

emotie hoogkleurende wangen opstaande. Maar die ontroerde glimlach

veranderde in een uitdrukking van onthutste verwondering, voor het heel

onverwacht bedroefd en bleek gelaat met hetwelk haar voorname vriendin

op haar toetrad.

"Mejonkvreiw Anna!... wa scheelt er? Zij-je ziek dan?" vroeg Rozeke

verschrikt.

"'n Beetje Rozeke, ik ben niet heel wel geweest," antwoordde

neerslachtig de jonkvrouw.

Zij ging zitten, wees Rozeke op haar stoel terug en vroeg wat zij

verlangde.

Rozeke vertelde 't haar.

"Ik zal er aanstonds met papa over spreken; dàt zal hij mij

waarschijnlijk niet weigeren," zei ze bijna bitter.

Rozeke dankte, maar wist nu verder geen woord meer te zeggen. Die

droeve, strakke houding, die donkere kleeren, die wanhopig-weemoedige

oogen van haar mooie, eertijds zoo opgewekte en levenslustige

beschermvriendin verlamden haar de woorden in den mond en ontroerden

haar inwendig tot een medelijden, dat haar bijna tranen in de oogen

bracht. Van de reden haars bezoeks durfde zij heelemaal niet meer

spreken, wel voelend dat de geest der jonkvrouw met heel andere dingen

bezig was; en eensklaps kon zij zich niet langer bedwingen: echte

droefheidstranen kwamen in haar oogen en zij vroeg met bibberende

lippen, in gehorte woorden:

"Mejonkvreiw Anna... 'k zie da ge triestig zijt... kan ik niets veur ou

doen?... kan ik ou nie helpen?"

Een schielijke, teer-roode kleur bloosde even vluchtig over der

jonkvrouw bleeke wangen en haar fijne witte tanden trilden zenuwachtig

op haar onderlip, terwijl zij blijkbaar alle moeite deed om haar eigen

aanstekelijk-opwellende tranen te weerhouden. Twee, drie korte, vlugge

zuchten golfden ontstuimig uit haar keel en haastig haalde zij haar

zakdoek uit en drukte hem op haar oogen, hoofdschuddend dof-snikkend:

"Nee nee nee, Rozeke, gij kunt niets voor mij doen."

En Rozeke zat daar en staarde, roerloos, als verslagen. Zij durfde niets

meer vragen, maar zij voelde, zij raadde instinctmatig, dat het

liefdesmart was, waaronder de jonkvrouw leed. Zij had ook in den

laatsten tijd wel vagelijk iets gehoord: dat er eerst plan was voor een

huwelijk tusschen jonkvrouw Anna en haar neef, maar dat haar ouders--om

welke reden wist men niet--er zich op 't laatste oogenblik, toen het

engagement al haast publiek was, tegen verzet hadden. Zooveel was zeker,

dat de jonge neef op een ochtend plotseling het kasteel verlaten had en

er sinds niet meer was teruggezien.

"Och Hiere, mejonkvreiwe, da pakt mij toch aan 't herte da 'k ou azeu

zie schriemen en da 'k niets veur ou 'n kan doen," klaagde Rozeke, met

innig medelijden het diep-bedroefd meisje aanschouwend.

De jonkvrouw schreide en snikte stilletjes, haar mooie, slanke, witte

handen bevend op den fijnen zakdoek vóór haar oogen, haar vermagerde,

bijna puntige schouders zenuwachtig op en neer schokkend; en Rozeke

hoorde, door haar snikken heen, het rammelen van haar holle maag, als

van een ongelukkige, arme vrouw, die niet genoeg te eten heeft.

"O, mejonkvreiwe ge 'n meugt ou toch nie loate veroarmôen; ge moet

koeroaze hên en ou beter voên," streelde Rozeke, zelve van ontroering

weer schreiend. "O, da 'k toch moar iets veur ou 'n kon doen,

mejonkvreiwe, gij die zelve altijd zeu goed en zeu broave veur mij

geweest hét!"

"Merci, Rozeke, 'k weet het, ge zijt goed," zuchtte de jonkvrouw.

"Belooft-e mij da ge 't mij vragen zilt às ik oeit iets veur ou kan

doen?" drong Rozeke aan.

"Ja, Rozeke, ja, ik beloof het u."

De jonkvrouw stond op, kropte met inspanning haar tranen terug, streek

met haar bevende hand over 't voorhoofd.

"Ga nu, Rozeke," zei ze met zwakke stem. "Ik heb zoo'n hoofdpijn. Ik zal

er papa over spreken en mijn best doen dat ge 't boerderijtje krijgt."

"O, merci, merci, mejonkvreiwe," dankte Rozeke. "'K zal veur ou bidden,

mejonkvreiwe, omda ge weere zoedt gelukkig worden."

Zij greep plotseling 's meisjes hand, drukte er een vromen, vurigen kus

van onderdanige liefde op, en verliet schreiend het somber kamertje.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 · 第 11 / 18 题