Het was dat jaar een lange, ruwe winter. Weken en weken na elkaar bleef
het doodsche veld onder de dikke sneeuw begraven; en daarop vroor het,
hard als steen. De menschen liepen met opgetrokken schouders, tot over
hun ooren in wollen halsdoeken gewikkeld, als zwarte, sukkelige
stumperds over al die harde, strakke blankheid; en de kinderen die van
de dorpsschool kwamen leken van verre op misvormde kaboutertjes: de
oorlappen der petten neergetrokken, de blauw-verkleumde handjes in de
grijze wollen wanten, de neusjes purperrood en de waterige oogjes
schreiend van de scherpe kou. Enkele liepen soms met ijssleetjes onder
den arm, om ergens op een ondergeloopen stuk weiland te gaan "ijsstoelen";
anderen gingen "baantje slieren" op de smalle slootjes, in benden van
tien en vijftien glijdend en buitelend in uitgelaten pret onder elkaar.
Heel enkelen hadden schaatsen, en die waren zeer trotsch en reden met
aanstellerige minachting, in groot gezwaai van armen en geschrijd van
beenen, de tragere ijsstoelers en baantjesslierders voorbij. Hun drukke
pret bracht telkens als een korte herleving over het verlaten veld, dat
dadelijk na hun lawaaiïgen voorbijtocht weer in doodschen winterslaap
verzonk.
Vreemd zag het heele land er uit: alles verkleind en als 't ware
ineengekrompen. De mooie fruitboomen der boerderijen leken nu niet
grooter dan ontbladerde heesters op de smal en klein schijnende erven;
en zelfs de woonhuizen, de stallen en de schuren schenen tot de helft
geslonken en als 't ware in den grond gedrukt, onder de dikke, gewafelde
sneeuwlaag die log de dakpannen bedekte. Het dorpje, in de verte, over
de wijdte van het blanke, vlakke veld, was niets meer dan een hoopje
lage, nauwelijks zichtbare gebouwen onder een trosje zwarte boomkruinen;
en de grijze torennaald der kerk, die anders zoo fier en zoo slank uit
het frissche zomergroen opschitterde, leek nu wel een brooze, schrale
ijskegel, die elk oogenblik om zou kunnen vallen. En ook het statig
kasteel in rood steen met zijn gesloten vensterluiken, maakte thans geen
grooteren indruk dan een gewoon buitenhuis; en 't prachtig park, 's
zomers zoo ondoordringbaar zwaar en donker, was nu vol gapende holten en
gaten, waar men dwars door de verre landerijen en de boerenhuizen zag,
als hadden schendende handen er in groot getal de mooiste boomen
weggekapt.
Die winter-kleinheid en bekrompenheid van alles verbaasde en beangstigde
bijna Alfons en Rozeke.
"Ha moar, dat 'n es hier zeu greut niet as dat Dons gezeid hèt! Da es
amoal veel kleinder!" riepen zij soms met onthutste verwondering uit,
toen zij wel eens, in één enkelen oogopslag, geheel hun erfje met
gebouwen en omliggende landerijen opnamen. En Alfons moest dan eerst de
afstanden stappen, de boomen van den boomgaard tellen, de hoogte der
gebouwen en de uitgestrektheid van de akkers meten, vóór zij gelooven
konden dat zij niet bedrogen waren.
Doch er waren ook soms heerlijke verrassingen.
Op een ochtend, toen Rozeke in de vroegte buitenkwam, scheen het haar
toe of ze zich plotseling op een heel andere doening, in een soort van
wonder-of-tooverland bevond. Wat was dat! al die boomen eensklaps zoo
groot en overladen met het weelderigste bloeisel! En dat ruischend
zilverkleed in plaats van grasveld! En die heg om het erf als een
blauw-wazig verre muur van doorschijnend-kristal! En al dat bouwland er
omheen, glinsterend, fonkelend, flonkerend in de zon, als een eindeloos
veld van de fijnst-getinte lichtroze en lichtblauwe, levende en
trillende bloemen? Dat was de winterrijp over de naakte boomen en
gewassen, de blanke rijp doorschijnend tintelend met allerteerste
kleurschakeering in de gouden zonnestralen! Het leefde en beefde, de
overladen twijgjes van de naakte kruinen fluisterden en schitterden in
stil geritsel als waren zij gansch vol van onbekende, wemelende vogels
en kapellen. Zij schitterden en wemelden in zacht-suizend gefladder en
gekweel, maar 't was slecht een illuzie: zij vielen ritselend in risten
op het wit-glanzende grasveld neer en vloeiden er weg als groote, stille
droefheidstranen; en weer stonden de boomen zwart en naakt als dorre
heesters, en weer omheinde de schrale heg met haar doorzichtbaar
doorngeraamte 't kleine erfje, en weer lagen de akkers kleintjes
afgemeten er omheen, in de langzaam uitdoovende schitterpracht van al
dat vreemd en broos-fantastisch leven, dat er eindelijk nat en triestig,
onder een aanhoudend dof geruisch als van stille zuchtjes en snikjes, te
smelten en te sterven lag.
Zij leefden in afwachting van wat langzaam aan komen en worden zou: de
lente; en met de lente: de arbeid op het land. Alfons had tegen Maart
een knecht gehuurd: Vaprijsken, die boer Kneuvels' boerderij verlaten
had en gelukkig was, bij een vroegeren werkkameraad en vriend, een
goeden meester en een vaste betrekking te zullen vinden; en Rozeke, die
in haar zwangerschap het zware werk van koeienmelken en beestenvoeder-
koken niet goed meer verrichten kon, had reeds een dienstmeisje, ook een
vroegere kennis en een flinke werkster: het Geluw Meuleken. Met die twee
konden zij 't vooreerst wel stellen. Een paardenknecht hadden zij niet
noodig: dat baantje zou Alfons zelf waarnemen.
Stil en gelukkig leefden zij, met hun hoop en hun gedachten in de
toekomst. Slechts bij zeldzame uitzondering ging Rozeke nog een enkelen
keer naar het ouderlijk huis, dat nu wel wat ver afgelegen was, maar
bijna elken zondag kreeg zij bezoek van de haren. Meestal kwamen moeder
en La na de vesper aanhijgen, telkens klagend dat het niet te doen was
door de sneeuw; en als ook vader en de broeders kwamen spraken zij uren
lang over vee en landerijen, en eindigden doorgaans met een partijtje
kaart te spelen, de mannen rookend bij het haardvuur, met koppen koffie
en borrel-glaasjes op de tafel om zich heen. Dat mooie boerderijtje was
de trots en als 't ware de rijkdom van hen allen. Zij waren er allen in
een hoogeren stand en voornamer aanzien door gekomen; zij waren boeren,
echte boeren geworden; en iederen zondag bij het huiswaarts keeren
voelde vader de behoefte nog enkele herbergen in het dorp te bezoeken,
waar hij dan, dikwijls tot ergernis en spotlust der aanwezigen, zonder
eind op het rijk huwelijk en op die schoone rijke "doening" van zijn
oudste dochter zat te snoeven en te pochen.
* * * * *