VIII.

Het was dat jaar een lange, ruwe winter. Weken en weken na elkaar bleef

het doodsche veld onder de dikke sneeuw begraven; en daarop vroor het,

hard als steen. De menschen liepen met opgetrokken schouders, tot over

hun ooren in wollen halsdoeken gewikkeld, als zwarte, sukkelige

stumperds over al die harde, strakke blankheid; en de kinderen die van

de dorpsschool kwamen leken van verre op misvormde kaboutertjes: de

oorlappen der petten neergetrokken, de blauw-verkleumde handjes in de

grijze wollen wanten, de neusjes purperrood en de waterige oogjes

schreiend van de scherpe kou. Enkele liepen soms met ijssleetjes onder

den arm, om ergens op een ondergeloopen stuk weiland te gaan "ijsstoelen";

anderen gingen "baantje slieren" op de smalle slootjes, in benden van

tien en vijftien glijdend en buitelend in uitgelaten pret onder elkaar.

Heel enkelen hadden schaatsen, en die waren zeer trotsch en reden met

aanstellerige minachting, in groot gezwaai van armen en geschrijd van

beenen, de tragere ijsstoelers en baantjesslierders voorbij. Hun drukke

pret bracht telkens als een korte herleving over het verlaten veld, dat

dadelijk na hun lawaaiïgen voorbijtocht weer in doodschen winterslaap

verzonk.

Vreemd zag het heele land er uit: alles verkleind en als 't ware

ineengekrompen. De mooie fruitboomen der boerderijen leken nu niet

grooter dan ontbladerde heesters op de smal en klein schijnende erven;

en zelfs de woonhuizen, de stallen en de schuren schenen tot de helft

geslonken en als 't ware in den grond gedrukt, onder de dikke, gewafelde

sneeuwlaag die log de dakpannen bedekte. Het dorpje, in de verte, over

de wijdte van het blanke, vlakke veld, was niets meer dan een hoopje

lage, nauwelijks zichtbare gebouwen onder een trosje zwarte boomkruinen;

en de grijze torennaald der kerk, die anders zoo fier en zoo slank uit

het frissche zomergroen opschitterde, leek nu wel een brooze, schrale

ijskegel, die elk oogenblik om zou kunnen vallen. En ook het statig

kasteel in rood steen met zijn gesloten vensterluiken, maakte thans geen

grooteren indruk dan een gewoon buitenhuis; en 't prachtig park, 's

zomers zoo ondoordringbaar zwaar en donker, was nu vol gapende holten en

gaten, waar men dwars door de verre landerijen en de boerenhuizen zag,

als hadden schendende handen er in groot getal de mooiste boomen

weggekapt.

Die winter-kleinheid en bekrompenheid van alles verbaasde en beangstigde

bijna Alfons en Rozeke.

"Ha moar, dat 'n es hier zeu greut niet as dat Dons gezeid hèt! Da es

amoal veel kleinder!" riepen zij soms met onthutste verwondering uit,

toen zij wel eens, in één enkelen oogopslag, geheel hun erfje met

gebouwen en omliggende landerijen opnamen. En Alfons moest dan eerst de

afstanden stappen, de boomen van den boomgaard tellen, de hoogte der

gebouwen en de uitgestrektheid van de akkers meten, vóór zij gelooven

konden dat zij niet bedrogen waren.

Doch er waren ook soms heerlijke verrassingen.

Op een ochtend, toen Rozeke in de vroegte buitenkwam, scheen het haar

toe of ze zich plotseling op een heel andere doening, in een soort van

wonder-of-tooverland bevond. Wat was dat! al die boomen eensklaps zoo

groot en overladen met het weelderigste bloeisel! En dat ruischend

zilverkleed in plaats van grasveld! En die heg om het erf als een

blauw-wazig verre muur van doorschijnend-kristal! En al dat bouwland er

omheen, glinsterend, fonkelend, flonkerend in de zon, als een eindeloos

veld van de fijnst-getinte lichtroze en lichtblauwe, levende en

trillende bloemen? Dat was de winterrijp over de naakte boomen en

gewassen, de blanke rijp doorschijnend tintelend met allerteerste

kleurschakeering in de gouden zonnestralen! Het leefde en beefde, de

overladen twijgjes van de naakte kruinen fluisterden en schitterden in

stil geritsel als waren zij gansch vol van onbekende, wemelende vogels

en kapellen. Zij schitterden en wemelden in zacht-suizend gefladder en

gekweel, maar 't was slecht een illuzie: zij vielen ritselend in risten

op het wit-glanzende grasveld neer en vloeiden er weg als groote, stille

droefheidstranen; en weer stonden de boomen zwart en naakt als dorre

heesters, en weer omheinde de schrale heg met haar doorzichtbaar

doorngeraamte 't kleine erfje, en weer lagen de akkers kleintjes

afgemeten er omheen, in de langzaam uitdoovende schitterpracht van al

dat vreemd en broos-fantastisch leven, dat er eindelijk nat en triestig,

onder een aanhoudend dof geruisch als van stille zuchtjes en snikjes, te

smelten en te sterven lag.

Zij leefden in afwachting van wat langzaam aan komen en worden zou: de

lente; en met de lente: de arbeid op het land. Alfons had tegen Maart

een knecht gehuurd: Vaprijsken, die boer Kneuvels' boerderij verlaten

had en gelukkig was, bij een vroegeren werkkameraad en vriend, een

goeden meester en een vaste betrekking te zullen vinden; en Rozeke, die

in haar zwangerschap het zware werk van koeienmelken en beestenvoeder-

koken niet goed meer verrichten kon, had reeds een dienstmeisje, ook een

vroegere kennis en een flinke werkster: het Geluw Meuleken. Met die twee

konden zij 't vooreerst wel stellen. Een paardenknecht hadden zij niet

noodig: dat baantje zou Alfons zelf waarnemen.

Stil en gelukkig leefden zij, met hun hoop en hun gedachten in de

toekomst. Slechts bij zeldzame uitzondering ging Rozeke nog een enkelen

keer naar het ouderlijk huis, dat nu wel wat ver afgelegen was, maar

bijna elken zondag kreeg zij bezoek van de haren. Meestal kwamen moeder

en La na de vesper aanhijgen, telkens klagend dat het niet te doen was

door de sneeuw; en als ook vader en de broeders kwamen spraken zij uren

lang over vee en landerijen, en eindigden doorgaans met een partijtje

kaart te spelen, de mannen rookend bij het haardvuur, met koppen koffie

en borrel-glaasjes op de tafel om zich heen. Dat mooie boerderijtje was

de trots en als 't ware de rijkdom van hen allen. Zij waren er allen in

een hoogeren stand en voornamer aanzien door gekomen; zij waren boeren,

echte boeren geworden; en iederen zondag bij het huiswaarts keeren

voelde vader de behoefte nog enkele herbergen in het dorp te bezoeken,

waar hij dan, dikwijls tot ergernis en spotlust der aanwezigen, zonder

eind op het rijk huwelijk en op die schoone rijke "doening" van zijn

oudste dochter zat te snoeven en te pochen.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 · 第 13 / 18 题