Zacht-troostend in veel droefheid is de verrassing voor hem die een
toekomst van geldelijke zorgen te gemoet ziet, eenklaps van arm bijna
rijk te worden.
Dit wel eenigszins verwacht, maar toch onzeker geluk viel Alfons te
beurt toen hij, na nicht Begijntje's begrafenis, door den notaris haar
testament hoorde voorlezen. Wel had hij gehoopt dat aan zijn moeder, en
na zijn moeder aan hem, als eenig familielid, iets van nicht Begijntje's
fortuin na haar overlijden zou toekomen; maar vooreerst vermoedde hij
bijlange niet dat ze zóó rijk was en verder verwachtte hij wel dat
nagenoeg het grootste deel van haar vermogen aan het Begijnhof of aan
godvruchtige werken besteed zou worden.
Dit was ook wel gedeeltelijk het geval. De notaris las een vrij lange
opsomming voor: zooveel aan 't Begijnhof, zooveel aan 't begijntje dat
haar jarenlang verpleegd had, zooveel aan meneer de pastoor van het
Begijnhof, zooveel aan de kerk van het Begijnhof; en verder aan de
voortplanting van het Geloof, aan het werk tot bekeering der jonge
Chineezen, aan de congregatie van de Onbevlekte Ontvangenis; en dan nog
zooveel voor haar lijkdienst en gezongen en gelezen missen tot lafenis
harer ziel; maar met dat alles, en erfenis-onkosten en notaris-honorarium
er af gerekend, bleef voor Alfons nog een goede vijftienduizend frank--een
schat voor hem--over.
Het duizelde in zijn hoofd toen hij die ontzettende som hoorde noemen,
en hij werd bleek van emotie toen de notaris een lijvig pak papieren uit
zijn dikke portefeuille haalde en die voor hem op tafel openlegde.
De notaris begon op te tellen:
"Vijf acties Westvloamsche speurwigmoatschappije duuzen frank ieder,
intrest viere per cent, vijf duuzen frank."
Hij vouwde een der stukken open, wees op het couponsblad en zei:
"De loatste coupon es vervallen, van van doag af meugt 'em knippen."
"Wa... wa b' lieft er ou, menier de notoarus?" vroeg Alfons, die nog
nooit een effect gezien had en met verbouwereerdheid staarde op het half
afgeknipt couponsblad."
"Dat de loaste coupon vervallen es, zeg ik, en da g' hem dus van nou af
aan meug knippen as ge wilt; verstoa-je 't?"
"Aha joa joa, c'est ça," antwoordde Alfons, doende alsof hij verstond,
maar eigenlijk niets ervan begrijpend.
De notaris ging verder door:
"Vier acties Dépôts et Reports, duuzen frank ieder, intrest drei em half
per cent: vier duuzen frank."
Evenals van de andere stukken vouwde hij 't couponsblad open en zei:
"De vervallen coupon es geknipt; de volgende vervalt 1 April."
Alfons, de wangen hooggekleurd, staarde met toenemende verbazing op de
groote vreemde stukken vol dikke letters en lange risten cijfers. Zijn
handen waren klam van transpiratie, zijn wenkbrauwen stonden van
inspanning samengefronst.
De notaris legde de vier effecten boven op de vijf eerste, ontvouwde er
twee andere en ging voort:
"Twie acties Geconsolideerde Schuld, ingeschreven op de greutboek van de
Stoat...."
"Meneer de notoarus as 't ou belieft?" viel Alfons hem plotseling met
ontroerde stem in de rede.
"Menier de notoarus, ge 'n meug het mij nie kwoalijk nemen, moar k'n
verstoa 't niet, k'n kenne die dijngen niet. Es da geld weird, de
pampieren?"
"Of 't geld weird es!" riep verbaasd de notaris, "'t Ês geld!"
"Ha moar da ziet er zeu oardig uit, meneer de notoarus! Dat 'n zijn gien
bankbriefkes!"
De notaris barstte in een korten proestlach uit, welken Alfons beschaamd
en ongelukkig als een schuldige deed den blik ten gronde slaan.
"G'n verstoa 't niet, e-woar, mijne vriend? vroeg eensklaps goedig de
notaris.
"Nien ik, menier de notoarus, 'k 'n verstoa d'r niets van," bekende
Alfons, wanhopig de schouders ophalend.
De notaris zat een oogenblik in perplex nadenken, de oogen op den jongen
boer gevestigd.
"Zoe-je liever geld hên, mijne vriend?" vroeg hij plotseling.
"Rechtaf gesproken, joa ik, menier de notoarus. 'K zoe veel liever geld
hên!"
"Moar wa goa-je mee da geld doen? 'T'n goa mij wel nie aan en g' hét gij
't recht van d'r mee te doen wat da ge wilt, moar 't zoe mij toch
spijten da ge 't moest verliezen of gestole worden."
Alfons bedacht zich even, de wangen vurig rood, de oogen strak op 't
tafelkleed gevestigd. Toen antwoordde hij met een soort weerzin, als
ontsluierde hij ten ontijde een groot geheim dat nog liefst moest
ongerept blijven.
"'K hé lijk halvelijngen 'n gedacht van d'r mee op 'n hofstee te goan,
menier de notoarus."
"Hoho! dà es 'n ander kwestie!" zei de ambtenaar ernstig. "Hét g' al
iets in 't zicht?"
"Nog niet, menier de notoarus; moar 'k goa zoeken."
Weer bleef de notaris een poosje peinzend en stilzwijgend, zijn kin
tusschen wijsvinger en duim.
"Luister," zei hij eindelijk. "As ge wilt 'k zal ik ouw geld bewoaren
zeu lank of da ge 't nie neudig 'n hét en d'r ou den intrest van
betoalen. 'K zal ou 'n schuldbekentenesse tiekenen van de somme die
'k ontvange, en effen aan da ge wa neudig hét meugt ge 'r bij mij omme
komen. Ge 'n moet mij veur mijn verantwoordelijkheid en moeite niets
betoalen; 'k zal da gratis veur ou doen.--Es 't azeu goed?"
"Joa 't, heul goed, as 't ou b'lieft menier de notoarus, ge zij wel
bedankt," zei Alfons met een zucht van verlichting, als van een zwaar
pak op het hart verlost.
In enkele oogenblikken was alles klaar. De notaris teekende hem een
schuldbekentenis van vijftienduizend frank en stelde hem het overige van
zijn erfenis: vierhonderd twee en twintig frank en zeventig centimen, in
speciën ter hand.
Alfons was gelukkig. Met geld en schuldbekentenis zorgvuldig in een
binnenzak vastgespeld, keerde hij haastig weer naar huis.
* * * * *