"Gij brengt den beul mede en geen priester!" zegt zij bitter. "Geef
hem en mij tenminste den tijd om onze gebeden op te zeggen--want als
hij sterft--breekt mijn hart ook."
Maar nu komt er eenige beweging onder de krijgslieden aan de deur,
en een man in priestergewaad zegt: "Plaats voor een vader van de Kerk!"
En als de krijgslieden hem doorlaten, ziet Guy tot zijn verbazing,
dat het vader Anastasius is, dien hij had laten opsporen, om hem
dezen avond te trouwen.
"Nu," roept Hermoine uit, "hertog van Alva, kunt gij niet langer
weigeren."
"Dat zal hij ook niet," zegt de priester, "hij zal het mij niet
weigeren, mij, vader Anastasius, die zooveel jaren in Zeeland heb
geleefd en vervolgd ben ter wille van onzen Heer; hij mag mij de
vergunning niet weigeren om de ziel van dezen man te redden."
"En waarom niet?" antwoordt Alva hooghartig.
"Omdat ik u in den ban zou doen. Goed Katholiek als gij zijt, hebt
gij geen recht, om een ordonnantie van Rome te schenden."
"Ga uw gang dan. Bindt hem stevig. Bid met hem in die kapel, als gij
meent, dat dit plechtiger is, en red zijn ziel. Nu, meisje, ga naar
uw kamer."
"Niet voordat ik het laatste oogenblik heb gezien en de laatste woorden
heb gehoord van den man, dien ik bemin. Gij hebt mij alles geweigerd,
waarom ik u smeekte, gij hebt geweigerd het leven van mijn geliefde te
sparen en ik heb er u niet om vervloekt--omdat ik uw dochter ben. Maar
ik zal 's hemels wraak over u inroepen, als gij mij van zijn zijde
wegzendt, zoolang er nog leven in hem is."
Hierop zegt Alva niets, doch zinkt neer bij de tafel, met het hoofd
in de handen, terwijl hij tot den luitenant mompelt: "Met uw leven
staat gij ervoor in, dat hij niet ontsnapt."
Als er een wacht is geplaatst voor den ingang van de kapel, wordt
Guy er gebonden en hulpeloos heengeleid, en hij zinkt voor den
priester neer.
Maar terwijl hij de biecht van den stervenden zondaar aflegt, hoort hij
het geruisch van zijde naast zich en de witte kant en de oranjebloesem
raken zijn gelaat aan, dat gewond is door geweerkolven, en een schoon
wezen, op wier gelaat wanhoop te lezen staat maar tevens goddelijke
liefde, knielt naast hem neer en fluistert tot den priester: "Niet het
sacrament der stervenden, maar het sacrament _van het huwelijk_!--met
dezen man, dien ik liefheb en die mij liefheeft--en die zijn leven
keer op keer heeft gewaagd, om mij te komen zien. Nu weet ik, welke
gevaren gij hebt getrotseerd om mij te winnen--mijn Guido!--nu weet
ik het--mijn Guy, mijn Engelschman!"
"Maar de hertog van Alva!" mompelt de priester ontsteld.
"Gij toondet daareven ook geen vrees voor hem. Wees even barmhartig
als gij goed zijt. Kijk naar het altaarstuk, zie, de Madonna smeekt
u voor mij!"
En naar het altaarstuk ziende, schrikt vader Anastasius, maakt het
teeken des kruises en stamelt: "Een wonder! Het gelaat van de Moeder
Gods is het uwe, mijn kind; dezelfde oogen, dezelfde mond--wonderbaar!"
"Gij ziet, dat Moeder Maria mijn gelaat heeft aangenomen, om mijn
voorspraak bij u te zijn," fluistert het meisje, een ingeving
krijgend. "Spoedig, maak de ceremonie zoo kort mogelijk."
Aldus aangespoord, spreekt de priester, denkende dat het op bevel van
de Heilige Maagd zelve geschiedt, over Guy Chester en Hermoine de Alva,
ofschoon haastig, het sacrament van de Heilige Kerk uit, die dezen
man en deze vrouw samenvoegen tot één vleesch, één lichaam en één naam.
Als hij het antwoord geeft, is het Guy eensklaps alsof alle hoop
nog niet behoeft te worden opgegeven; God zal deze edele vrouw, deze
teedere engel redden en hem met haar; hij hoort haar nu fluisteren:
"Ik ben uw vrouw; _nu zullen wij zien of mijn vader mijn echtgenoot
zal durven dooden_!--Heilige man Gods, uw zegen."
En als de priester zijn handen over hen uitbreidt, komen er tranen in
zijn oogen en hij zegt: "_Benedicte_! De Heilige Maagd zal den man,
dien gij bemint, behoeden."
Daarna voelt Chester de lippen zijner vrouw, die koud zijn als marmer,
op de zijne, en zij, opstaande, gaat naar haar vader en zegt met een
heesche, onnatuurlijke stem: "Het is geschied!"
Want het vertrek heeft nu veel van een gruwelkamer en alle stemmen
klinken hol en onnatuurlijk; zelfs Hermoine's eigen stem is hard en
schor geworden.
"Hij is gereed?"
"Neen, hij is _getrouwd_."
"Wat?"
"Ja, hij is met mij _getrouwd_."
"Met u getrouwd! Misericordia! Nu zult gij voortaan uw vader steeds
beschouwen als den moordenaar van uw echtgenoot! Haal mij dien
vervloekten priester hier!" roept Alva uit; er is woede, vermengd
met angst, in zijn stem.
"Wat verlangt gij van mij?" antwoordt vader Anastasius.
"Hoe hebt gij het durven wagen, hen in den echt te vereenigen?"
"Op bevel van de Heilige Maagd! Zie! Moeder Maria heeft de trekken
van zijn vrouw aangenomen, om hem te beschermen."
"O! wat een bedriegerij!" roept Alva uit. "Het schilderij van den
verrader Oliver zou mij beletten wraak te nemen! Maar dat zal niet
gebeuren, het is een staatszaak!" En hij geeft den beul, die naast
hem staat met den strop in de hand, een teeken.
Hermoine echter gaat voor haar vader staan en zegt: "Geen onteerende
dood voor mijn man, die evengoed een edelman is als gij. Wees tenminste
zoo barmhartig en veroordeel hem tot het zwaard."
"Goed! ik zal hem denzelfden dood toestaan als Egmont en
Hoorne. Onthoofd dien Engelschman op deze tafel!"
"Voor mijn oogen?" vraagt zijn dochter huiverend.
"Gij hebt het verlangd. Het is een staatszaak."
"Vader!" gilt het meisje, want de beul heeft het zwaard
getrokken. "Vader, daar gij zelf op genade hoopt, betoon ze ook
mij. Wenscht gij, dat iedereen op aarde u een vervloekten en wreeden
moordenaar zal noemen? Er was slechts één, die u nooit zoo noemde,
tot nu toe. Dat was uw dochter. Zoudt gij wenschen, dat zij zeide:
'Mijn vader heeft mijn echtgenoot gedood?'"