HOOFDSTUK XX.

"PAPA KOMT! NU ZAL IK HET DOEN!"

"Het is al over tienen--maar beter laat dan nooit," denkt Guy, als hij

uit de boot springt, de trap opvliegt en met haastige schreden het

smalle pad naar Sandvliet opsnelt. "Drommels! Zij is nog niet naar

bed gegaan," lacht hij, ziende, dat de vertrekken, waarin Hermoine

hem gisteren heeft ontvangen, nog helder verlicht zijn. Hij laat den

koperen klopper op de deur vallen.

Deze wordt terstond geopend door Alida, die reeds op hem schijnt te

wachten. Zij fluistert haastig: "Excellentissima wacht u."

"Is zij alleen?"

"Ja, senor coronel."

Chester licht de draperieën van de deur op, en een blik slaande in

het vertrek, geraakt hij geheel en al in verrukking over het schoone

tooneel, dat zich aan zijn oogen vertoont.

De kamer is verlicht door hanglampen, gevuld met welriekende olie,

en versierd met bloemen van Venetiaansch glas, doch te midden

van die pracht staat met een pruilend mondje de godin van dit

feeënverblijf. Zij is gekleed in een licht gazen avondtoilet van het

bleekste amber. De golvende souple stof omgeeft haar als een wolk,

waaruit haar ronde armen, haar fraaie hals en schouders te voorschijn

komen--blinkende in het stralende licht als een lichte zomerwolk,

die even gekleurd is door de zonnestralen. Op haar sierlijken hals

rust een even schoon gelaat, omlijst door het zachte en golvende

zwarte haar, getooid met bloemen, en in het gelaat schitteren twee

verontwaardigde oogen. Zóó staat zij daar, als een fee in een sprookje.

Zij is, zooals het schijnt, geducht uit haar humeur, want een klein

voetje, dat onder haar rok van Mechelsche kant komt uitgluren, trappelt

ongeduldig op den vloer, en haar oogen, ofschoon zij toornig vlammen,

staan vol tranen als Guy binnenkomt. Maar in het volgende oogenblik

komt er een uitdrukking van geluk over haar gelaat en is zij aan zijn

zijde, om hem een welkom toe te fluisteren. "Ik dacht, dat gij nooit

zoudt komen. Gij scheent geen groot verlangen naar mij te hebben!"

"Ik werd opgehouden door zaken."

"Zaken? Welke zaken heeft een luierende dandy?" en Dona Hermoine

steekt haar neusje in de lucht.

"Ja, door zaken, namelijk om mijn vermogen in zulk een staat te

brengen, dat ik er flink mee voor den dag kan komen bij uw vader,

als ik hem om uw hand vraag," antwoordt Guy, voor een enkelen keer

de waarheid sprekend.

"O, daaraan hadt gij niet behoeven te denken," roept het meisje uit,

"ik heb geld genoeg voor ons beiden. Denkt gij misschien, dat ik u om

uw geld trouw, Guido, als ik vorstelijke bezittingen in Italië heb,

die alle de uwe zullen worden, mijn meester en heer?" En zij maakt

een buiging voor hem en vleit: "Gij hebt mij nog maar eens gekust!"

"Hoe kan ik anders, als gij uw neus in de lucht steekt?"

"Dat bracht mijn lippen nader tot de uwe," lacht zij.

Doch het verdere gedeelte van den avond heeft zij geen reden, om zich

opnieuw over zijn verwaarloozing te beklagen; want Guy is geheel

en al betooverd door haar schoonheid, die hem heerlijker dan ooit

toeschijnt, en hij drinkt haar in, zooals een man den zwaren wijn

drinkt, die hem het hoofd doet verliezen.

"Gij hebt toilet gemaakt als voor een feest," fluistert hij in het

rose oortje, dat dicht bij hem is.

"Doch enkel voor u; gij herinnert u, mijn heer, dat gij mij hebt

bevolen, geen gasten uit te noodigen."

"En gij hebt mij gehoorzaamd?"

"Ja--wordt gij dan niet mijn heer?"

"Gij zoudt mij dus evengoed gehoorzamen als een vader?" lacht Chester.

"O, veel beter! Papa zegt, dat ik zijn tyran ben en de ware viceroy der

Nederlanden, doch dat is niet waar," zegt het meisje met overtuiging;

daarna zucht zij: "Als dat zoo was, was dit land een ander,"--en

daarna roept zij op haar ouden toon uit: "Maar laten wij daarvan

niet spreken, verjaag uit mijn gedachten wat mij zoovele tranen

heeft veroorzaakt. Laat mij er slechts aan denken, dat wij bij elkaar

zijn--gelukkig! En ik heb mij voorgenomen, u dezen avond heel gelukkig

te maken, mijn Guido."

"Het is onmogelijk mij nog gelukkiger te maken, dan ik reeds ben,"

fluistert Guy, in verrukking het schoone meisje beschouwend, dat hij

zoo spoedig de zijne hoopt te nemen.

"En toch kan ik dat nog. Gij weet niet, welke verrassing ik voor u

heb weggelegd. Het kwam mij voor, dat wij u den vorigen avond niet

aangenaam genoeg bezighielden. Ik had met de gravin De Pariza willen

spreken, als zij vandaag hier was gekomen, en speellieden uit Antwerpen

willen ontbieden, om muziek voor ons te maken op het water voor de

vensters. Dat zou romantisch geweest zijn, zooals in den tijd der

troubadours, en geleken hebben op een Venetiaanschen nacht, nietwaar,

mijn Guido?"

"Daar zal ik een volgenden keer voor zorgen," fluistert de verrukte

Chester.

"Maar toch heb ik voor u gedaan, wat ik kon. Mijn Moorsche meisjes

zullen later voor u spelen en dansen--voor het oogenblik wil ikzelve

trachten u te amuseeren. Ik meende uit een opmerking van gisteravond te

moeten opmaken, dat gij denkt, dat ik geen talenten bezit. Luister!" En

ondanks Guy's protest, die niets anders verlangt, dan zijn meisje het

hof te maken, neemt de jonge dame van een stoel een mandoline, waarmee

zij blijkbaar den tijd heeft gedood, totdat hij kwam, gaat zitten

en begint, hem aankijkend, een liefelijk preludium te tokkelen. En

daarna zingt de stem, waarvan de Hollandsche Watergeus zeide, dat

zij gelijk was aan de engelenstem van het orgel in Amsterdam, een

Moorsch lied voor hem, zoet, tropisch, zwaarmoedig, met die gratie

en zoetvloeiendheid, die alleen eigen zijn aan het zonnig Italië en

Spanje. Het schoone en betooverende van dit alles wordt nog verhoogd

door de teedere blikken, waarvan de zangeres haar gezang doet vergezeld

gaan, en het lied eindigt dan ook met een verrassing; want de laatste

toon, ofschoon bestemd voor zijn oor, wordt regelrecht gericht op de

lange snor van haar verloofde en afgebroken op een wijze, die in de

muziekgeschiedenis onbekend is.

"Madre mia!" lacht het meisje, "men zou denken dat gij de componist van

het stuk waart. Gij hebt mijn mooie hooge noot wreedaardig vermoord."

"Laat mij haar vervolgen!" Dit komt van een ruwe, snerpende stem

achter hen.

En als het paar opschrikt, zien zij Hermoine's duena voor zich, de

gravin De Pariza, die hen ontsteld aanstaart, en het opnemend voor

de beleedigde etiquette, uitbarst:

"Ik was van plan geweest, Dona de Alva, vanmiddag terug te komen, doch

werd opgehouden door boodschappen in de stad. En nu ik terugkeer, kom

ik tot de ontdekking, dat ik niet had moeten heengaan. Ik ben verbaasd,

dat iemand, die door mij is opgevoed, _alleen_ een cavalier ontvangt."

"Niet als die cavalier mijn toekomstige echtgenoot is, kolonel Guido

Amati. Gij hebt hem, zooals gij u wel zult herinneren, reeds vroeger

gezien, bij den koopman Bodé Volckers. Gij--"

Doch op dit oogenblik gilt haar duena met rollende oogen:

"Guido Amati! De man, die gesneuveld is! O hemel, een geest! Heilige

Maagd, bewaar mij voor den geest!" en zij zinkt neer, Latijnsche

gebeden prevelend.

Hermoine begint echter te lachen: "Neen, niet dood! Gij behoeft

hem niet te bezweren! Dit is vleesch en bloed, laat hij u maar eens

aanraken met zijn lippen!"

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 56 / 73 题