"Ja, ja, kus haar de hand. Zij is zeer gesteld op een ridderlijk
huldebetoon, kus haar de hand! Ik geef u verlof. Ik zal niet jaloersch
zijn, Guido mio."
En toegevende, drukt Guy lachend een kus op de dorre handen, die zijn
opgeheven tot een gebed.
Deze aanraking schijnt haar te kalmeeren, en bemerkende, dat hij geen
geest is, staat de gravin De Pariza op en wordt weer geheel duena,
terwijl zij op hoogen toon zegt: "Als kolonel Guido Amati dan geen
geest is, moet ik dien edelman verzoeken, zijn bezoeken hier te
staken, totdat ik den hertog van Alva heb ingelicht aangaande zijn
bedoelingen."
"De edelman zal zijn bezoeken in mijn huis niet staken!" antwoordt
Hermoine met een verontwaardigde flikkering in haar oogen.
"Gij vergeet, dat gij tot uw duena spreekt!"
"Bedenk, dat ik Dona de Alva ben!"
"Goed, in dat geval schrijf ik terstond aan uw vader."
"Gij zult van dit alles geen woord aan mijn vader overbrengen. Ik zal
hem alles vertellen op mijn eigen manier en als ik den tijd daartoe
gekomen acht."
"Zal ik niet!" krijt de duena. "Zal ik niet! Meent gij, dat ik uw
vaders toorn op mij wil laden?"
"Laad dan den mijne op u!" roept het meisje uit, en terwijl zij
vlak voor haar duena gaat staan, vervolgt zij met vlammende oogen:
"Waag het, een woord van dit alles aan wien ook te zeggen, voordat ik
het u beveel, en ik vertel mijn vader, dat vier jaren geleden, toen
gij meendet, dat ik nog te jong was, om op staatszaken acht te slaan,
gij, voor twee duizend kronen, den jongen Brederode hebt gewaarschuwd,
zoodat hij Brussel kon ontsnappen om gevangenneming en terechtstelling
te ontgaan!"
"Welke bewijzen hebt gij daarvoor?" stamelt de gravin.
"Geen andere dan Brederode's brief, waarin hij u dankzegt voor uw
waarschuwing en verklaart, dat hij u genoeg had gegeven en niet van
plan is, meer te geven. Ik heb dien brief zorgvuldig bewaard. Hebt gij
u misschien verbeeld, dat ik u hier bij mij had laten blijven, indien
ik u niet naar mijn hand kon zetten, wanneer ik het verkoos?" spot
Hermoine.
"Ik--ik was in zulk een groote geldverlegenheid," stamelt La Pariza.
"Meent gij, dat dit u zal vrijwaren voor straf? Gij weet, welk vonnis
mijn vader doet vellen over een ieder, die behulpzaam is bij een
ontvluchting--eerst de pijnbank--en daarna de brandstapel!" Deze
vreeselijke bedreiging komt zoo koel over de lippen van het meisje
alsof zij een ijsberg ware, en als Chester haar aankijkt, behoeft
hij niet te twijfelen dat zijn verloofde Alva's dochter is.
"Neen--neen! Genade!" snikt de gravin.
"Dan voor mij op uw knieën, en zweer mij bij het kruis van Christus,
dat gij tegen niemand over mijn verloofde zult spreken. Zweer het--op
uw knieën en zweer het!" roept Hermoine dreigend uit.
"Ik--ik zweer het," stamelt de duena.
"Op uw knieën en met het kruis op uw lippen. Op uw knieën! Zweer het
bij de Zeven Heiligen van het Christendom, bij de Twaalf Evangelisten,
bij de Vier Apostelen, bij al de sacramenten van de kerk, bij het
lichaam van onzen Heer, spijt anathema en dispensatie beide--zweer!"
En zich op de knieën werpend, zweert de ontstelde gravin De Pariza
den eed, haar voorgezegd door Alva's dochter, die haar het crucifix
tegen de lippen drukt.
"Waartoe dat heele relaas?" vraagt Guy, die in verbazing het tooneel
heeft aanschouwd, waarin Dona Hermoine hem een nieuwen blik op haar
karakter geeft.
"Omdat ik haar niet vertrouw," antwoordt het meisje. "Het moet een
sluwe priester zijn, die het nu uit haar krijgt. Breek dien eed en
uw ziel vliegt rechtstreeks door het vagevuur naar de eindelooze
hellepijn, gravin De Pariza."
"Ik--ik meende altijd, dat gij van mij hieldt," stamelt de duena
opstaande.
"Van _u_ houden?" herhaalt het meisje met een vreemde flikkering
in haar oogen. "Denkt gij, dat ik ben vergeten, dat gij mij, toen
ik twaalf jaar was, om de ooren hebt geslagen? Denk niet, dat ik
bang voor u ben! Dat is goed voor uw Moorsche slavin, die naar uw
kleedkamer gaat als naar de pijnbank. Ik hoorde haar gistermorgen
nog gillen onder uw kastijding. Maar heb niet het hart, met uw
lafhartige natuur, u op haar te wreken. Neem u in acht voor mij,
ik haat wreedheid! _Ik ben Alva's dochter_!"
Bij deze laatste woorden bijt Guy zich op zijn lippen, om een glimlach
te verbergen, en Dona De Pariza laat een half onderdrukten spotlach
hooren.
Het meisje gaat op haar af en roept uit: "Waag het niet, den schijn
aan te nemen alsof gij mijns vaders naam bespot, waag het niet,
hem van wreedheid te beschuldigen. Hij is voor mij altijd zoo goed
geweest als een engel. Ik wil het niet van uw lippen hooren--noch
van _iemands_ lippen!" want Guy heeft zijn glimlach toch niet geheel
kunnen verbergen en zij gaat nu voor hem staan met een hooghartige
uitdrukking op haar gelaat, zeggende: "Vergeet niet, dat ik de dochter
van den Viceroy ben."
"Boete!" lacht Chester.
"O ja--o--o--ik vergat het! Ja, mijn heer!" zegt zij, een buiging
voor hem makend. En als hij de boete opeischt, fluistert zij: "O
santos! wat zijt gij een kwelgeest--gij kust mij, zoo vaak als gij
er de kans schoon toe ziet."
Dit tooneel beschouwt de duena in de uiterste verbazing, terwijl zij in
zichzelve mompelt: "God zij geloofd, juffertje-driftkop heeft eindelijk
haar meester gevonden! Die verloopen doordraaier Guido Amati zal haar
naar zijn pijpen doen dansen, daarvoor sta ik borg!" en daarna gaat
zij naar haar kamer, het paartje alleen latend,--waarom het volstrekt
niet rouwig is.
Als La Pariza hen een oogenblik later had kunnen beluisteren, zou
zij nog meer verbaasd zijn geweest, want zij zou dan hebben bemerkt,
dat kolonel Guido Amati Dona Hermoine een boetpredikatie houdt over
de noodzakelijkheid, zijn gevoel en zijn tong te beheerschen.
Hiernaar luistert het meisje oplettend, met neergeslagen oogen, op een
wijze, die Guy wel verwondert maar hem tevens hoogst welgevallig is;
want hij heeft de vaste overtuiging, dat er slechts één middel is om
dit meisje te veroveren--namelijk haar te ontvoeren, en hij beseft,
dat hij, om dat te kunnen doen, haar volkomen moet beheerschen.
Maar hij maakt zijn predikatie een weinig te lang en zij roept
eensklaps plagend uit: "Bullebak! Bullebak! Ik ben de dochter van den
Viceroy!" en danst dan lachend weg. En hij zet haar achterna, om de
boete te innen, over tafels en stoelen en divans; Hermoine neemt haar
langen sleep op en ontsnapt hem telkens weer op haar vlugge voetjes,
totdat hij haar vangt bij de derde portière in de kamer, waarachter
hij nog geen blik heeft mogen werpen.
Hier wordt zij, terwijl hij haar in zijn armen houdt, eensklaps zeer
ernstig en fluistert: "Beknor mij niet; als gij het wilt, zal ik
boete doen, mijn Guido, omdat ik u wat uit de hoogte heb behandeld,
maar niet omdat ik het haar deed. Hier binnen zal ik vannacht tien
Ave Maria's voor u bidden." En de gordijnen ter zijde trekkend,
toont zij hem de verlichte kapel van het huis; achter de brandende
kaarsen staat het schilderij van zijn dooden vriend, het meesterstuk
van Oliver, en zij fluistert: "Hier op deze plaats bid ik voor u!"
"Ja," antwoordt Guy met een blik op de liefelijke Madonna, "ik offer
zelf aan dat altaar."
"St, niet spotten," antwoordt het meisje plechtig. "Dit is de kapel,
waarin wij getrouwd zullen worden."
Dit denkbeeld verplaatst Guy in den zevenden hemel en hij begaat een
groote fout, waarover zij hun eerste werkelijke kibbelpartij hebben,
want hij komt zeer handig met het plan van een geheim huwelijk voor
den dag.
Daarop zegt zij zeer uit de hoogte: "Buiten weten van mijn vader,
zonder zijn toestemming, hij, die mij zoo liefheeft? Nooit!" en vier
of vijf minuten lang is zij ongenaakbaar voor haar Guido.
Hij stapt echter weer even handig van de zaak af en verschoont er
zich mee, dat het enkel zijn vurige liefde voor haar is, en dan
vergeeft Hermoine hem en zendt hem eindelijk weg, overgelukkig,
hartstochtelijker dan ooit, maar met het bewustzijn, dat hij een lastig
werk voor zich heeft--om de jonge dame te schaken en toch haar liefde
te behouden.
Het onderhoud met de gravin De Pariza toont hem, dat spoed een
vereischte is voor zijn welslagen en dat elk eenigszins lang uitstel
in deze zaak waarschijnlijk noodlottig zal zijn voor zijn voornemen
en misschien ook voor zijn leven.
Maar het meisje heeft eveneens haar plan van handelen gemaakt, en als
er den volgenden morgen een koerier met brieven uit Holland komt,
klapt zij in haar handen vol vreugde over een idee, dat in haar
levendig brein plotseling is opgekomen, en zij zegt bij zichzelven:
"Papa komt, nu--nu zal ik het doen! Hoera! Ik zal het doen!"