Chester heeft ongelukkig maar heel weinig tijd, om zijn toebereidselen
te treffen. Het rooven van Alva's schat moet zoo vlug mogelijk in
zijn werk gaan; bovendien wil hij zorgvuldig waken voor den goeden
naam van deze vrouw, die hem door alles haar groote liefde bewijst.
Daarom staat de Engelschman dan ook na een half uur, waarin het meisje
hem menigen blik heeft gegund in haar liefelijk, rein gemoed, op,
om heen te gaan; het kost hem een geweldige inspanning, maar hij is
vast besloten, om haar te verlaten.
"O, ga nog niet," vleit Hermoine. "Gij zijt--gij zijt zoolang weg
geweest."
"Maar ik kom morgen terug."
"Hoe laat?"
"'s Avonds."
"'s Avonds? Ach! Dat duurt nog zoo vele seconden."
"Ik kan niet eerder komen, maar ik zal zoo vroeg mogelijk hier zijn."
"Waar houdt gij verblijf?"
"Aan boord van het schip, dat mij hierheen bracht uit het Noorden,
de _Esperanza_."
"De _Esperanza_? Het fort Lillo is hier dichter bij."
"Op Lillo zou de bevelhebber misschien denken, dat ik reeds in staat
was, weer dienst te doen. Ik zou mij naar zijn orders hebben te
gedragen en niet meer vrij zijn om u te komen bezoeken wanneer ik wil."
"Ja, gij hebt gelijk. Mijn gewonde held, die den opzienbarenden
marsch over de overstroomde landen maakte, heeft wel verdiend,
om eenige maanden uit te rusten. Geheel Brabant, Vlaanderen en
Spanje weerklonken van den roem van dien marsch." En het meisje
slaat haar armen om zijn hals en fluistert hem woorden van lof toe,
die hem overgelukkig zouden maken, als hij niet wist, dat zij bestemd
waren voor den dooden Guido Amati. En als zij ziet, dat hij bij zijn
besluit volhardt, voegt zij er aan toe: "Als gij dan toch moet gaan,
wil ik tenminste nog drie minuten langer van u profiteeren."
"Op welke manier?"
"Door u naar uw boot te brengen."
En, haar hand door zijn arm gestoken, slenteren zij langs het smalle
paadje, waar het hier en daar geheel donker is onder het dichte loof
der populieren. Telkens als zij zulk een donker plekje bereiken,
staan zij stil om afscheid te nemen--en hoe meer zij de boot naderen,
hoe meer tijd ieder afscheid vergt, zoodat het lang duurt, eer zij
het laatste donkere plekje bereikt hebben, en daar staan zij stil en
luisteren naar de stemmen der matrozen, die hun tegenklinken van de
landingsplaats. De mannen zijn zeer vroolijk en doen zich te goed aan
den wijn en de eetwaren, die zij hebben meegebracht. En eensklaps slaat
het meisje haar armen om den verloren gewaande en fluistert opgewonden:
"O, mijn Guido, dat wij toch nooit weer behoefden te scheiden!"
"Die tijd is zeer nabij."
"Nabij? En Papa weet nog van niets!"
"Toch is die tijd zeer nabij. Ik zweer het bij _dit_!" En Chester
springt, Hermoine met gloeiende wangen achterlatend, de trap aan de
landingsplaats af met het vaste besluit, om zijn woorden tot waarheid
te maken.
Vreemd genoeg gaat zijn boot de Schelde niet op, maar juist naar den
anderen kant en bereikt na twee uren met veel moeite, daar het tij
tegen is, de _Dover Lass_, waar Chester in zijn verliefde bezorgdheid
in zijn hut een lange beraadslaging houdt met Dalton.
Het onmiddellijk resultaat hiervan is, dat de groote sloep wordt
uitgezet, geheel bewapend en uitgerust, en dat hij dien nacht en den
volgenden de wacht houdt op de Schelde vlak tegenover Dona Hermoine's
landhuis, om den slaap van Alva's dochter te bewaken. Want Chester
heeft niet zooveel vertrouwen als zijn beminde in de afwezigheid van
stroopende Geuzen en is vast besloten, dat geen andere zeeroover zijn
schat zal wegvoeren.
Geholpen door het tij, stevent Guy's schip de Schelde op, en hij
bereikt de Antwerpsche dokken vroeg genoeg, om een paar uren slaap
voor het aanbreken van den dag te genieten. Bij het gloren van den
ochtend is hij weer op.
Als hij zijn orders aan Martin Corker geeft, die in last heeft het
lossen van de carga, voornamelijk bestaande uit zijde, te bespoedigen,
geeft deze hem een antwoord, dat hem met verbazing vervult.
"Wij hebben geen handen genoeg meer om het vlug te doen," moppert
de bootsman.
"Hoezoo? Gij hebt toch dertig man!"
"Dertig gisteren--maar Bodé Volckers, wien gij mij hebt gelast te
gehoorzamen, kwam hier gisteravond voor zonsondergang en nam twaalf
man met hun plunje en beddegoed mee, om in de stad te slapen."
"Het is goed," antwoordt de kapitein, doch begeeft zich haastig
naar het huis van den burgemeester, om hem naar de reden van zijn
handelwijze te vragen.
Het gelukt hem met Bodé Volckers onmiddellijk een onderhoud te
krijgen, daar deze reeds op zijn kantoor is, en daar verneemt hij,
dat de koopman dit zaakje van schat-stelen heeft aangepakt op een
echte koopmansmanier.
"Wij hebben al een begin gemaakt," zegt Niklaas. "Laat nu alles
maar aan mij over. Het is beter, dat gij niet veel in de zaak wordt
gemoeid. Ik ben gemakkelijk genoeg te weten gekomen van werklieden aan
de dokken, dat de oude senora Sebastian, die 'de Stomme Duivelin' wordt
genoemd, tengevolge van haar boos humeur en omdat zij het vermogen
mist, dit met haar tong te uiten,--een herberg voor zeelieden houdt
en haar tijd verdeelt tusschen rumdrinken en slapen. Zij heeft echter
niet veel meer te doen, daar het verkeer in de haven veel minder is
geworden sinds dien vervloekten tienden penning."
"Ja," antwoordt Guy, "de dokken zijn niet half zoo vol schepen. Maar
wat heeft dit met onze zaak te maken?"
"Dit: als er weinig schepen zijn, zijn er ook weinig matrozen, en
'de Stomme Duivelin' had er den vorigen nacht maar twee, een Noor
en een Franschman. Nu heeft zij er veertien, twaalf van uw schip,
die nu de meerderheid uitmaken en hun bagage en hun stroozakken
hebben meegenomen."
"Wat is uw plan?"
"Wij maken den Noor en den Franschman dronken--stomdronken; brengen hen
dronken naar een van mijn schepen, en morgen vroeg ontwaken zij in open
zee, buiten de Schelde, op weg naar het andere einde der wereld. Dan
maken wij 'de Stomme Duivelin' ook dronken en bewusteloos; laten de
twee ledige slaapplaatsen door nog twee van uw matrozen innemen--gij
hebt immers vertrouwde lieden?"
"Zeker. Zij weten, dat hun leven afhangt van hun voorzichtigheid."
"Daarna kunnen er geen logeergasten meer in het huis worden opgenomen,
omdat er geen plaats meer is, en wij hebben er eenige uren de vrije
beschikking over; gedurende dien tijd kunnen wij onderzoeken, of
niets ons meer in den weg staat, om ons van Alva's schat meester te
maken. Vervolgens kunnen uw matrozen het geld overdag wegbrengen
in hun bedden--zij vullen daartoe de stroozakken met dubloenen,
in plaats van met stroo--en worden vervangen door nieuwe matrozen,
die eveneens hun bedden medebrengen."
"Dat is een goed plan," antwoordt Guy, nadenkend, "een beter zou ik
niet weten. Er dreigt echter misschien nog een gevaar. Wordt het huis
bewaakt door een van Alva's agenten?"
"Daar heb ik onderzoek naar gedaan, en ik meen te weten, dat niemand,
die in betrekking staat tot Alva en het Spaansche gouvernement, ooit
in de buurt van het huis is geweest, sinds het verhuurd is aan senora
Sebastian. Maar," voegt de koopman er aan toe, het hoofd schuddend,
"daarop ben ik toch volstrekt niet gerust! Denkt gij, dat zulk een
sluw man geen voorzorgen zou nemen, om zich voortdurend op de hoogte
te stellen van de veiligheid van zijn schat? Let op mijn woorden,
er is iets in Alva's standbeeld, waarvan wij niets weten."
"Als gij bang zijt het waagstuk te beproeven, ik niet," zegt Guy op
vastbesloten toon. "Laat het dan maar aan mij over."
"Nu, misschien is het ook beter, dat gij er het eerst ingaat,"
antwoordt Bodé Volckers. "Gij hebt het grootste belang bij de zaak. En
als het tot vechten mocht komen, dan hebt gij duizend kansen tegen
ik geen enkele."
Zoo wordt het dus afgesproken, en Bodé Volckers kwijt zich met grooten
ijver van zijn taak. Vier uur later zijn de Noor en de Franschman
dronken; den volgenden morgen worden zij wakker, zwalkend op den
oceaan, aan boord van een schip naar Indië, een reis, die drie jaren
zal duren. Als het duister wordt, gaat de koopman naar Chester, die in
zijn kantoor heeft zitten wachten en fluistert: "'De Stomme Duivelin'
is stomdronken; sla nu uw slag."
"Wijs mij den weg." En Guy neemt Corker mede en wordt door Niklaas
gebracht in een straat dicht bij de Esplanade, waar te midden van
andere bouwvallige en vuile woningen het huis van senora Sebastian
staat. Een van Guy's matrozen laat hen binnen, daar de koopman hem
niet verder heeft durven vergezellen dan tot aan de deur.
"Waar is de meesteres van het huis?"
"Stomdronken boven, commandant," fluistert de man. "Een uur geleden
tierde zij nog, maar nu zal zij den geheelen nacht wel snorken,--zij
is stom maar snorkt toch als Neptunus."
Chester overtuigt zich hiervan, en een rumflesch onder haar bereik
leggende, om te zorgen, dat als zij mocht wakker worden, zij hen toch
niet zal storen, komt hij weer haastig naar beneden en roept uit:
"Aan het werk!"
En Guy en Corker gaan den kelder in en aan den arbeid bij het licht
van een flikkerende olielamp.
Tot groote vreugde van Chester, vindt hij, nadat hij de vier zware
steenen in het midden heeft opgenomen, een luik, met een ring om het op
te trekken in het midden. Het is echter niet te bewegen, en bezwijkt
niet voor hun vereende krachten, voordat zij een ijzeren bout hebben
gebruikt. Na een haastig onderzoek komen zij tot het besluit, dat
het klaarblijkelijk gedurende twee of drie jaren niet van de plaats
is geweest en dat de tijd het er zoo vast in heeft gemetseld. Als
zij er eindelijk in zijn geslaagd, het op te lichten, zien zij een
nauwe schacht voor zich met een ladder, die naar beneden leidt.
De schacht is nauwelijks tien voet diep, en als zij de flikkerende
lantaarn omlaag houden, ontdekken zij een gang, die in de juiste
richting leidt.
"Houd gij," fluistert Guy tot Corker, "nu hier de wacht. Indien gij
wordt aangevallen, verdedig u dan zoo goed als gij kunt, en waarschuw
en red mij als het mogelijk is. Zoo niet, blijf dan waar gij zijt."
"Het was beter, dat gij mij met u mee liet gaan, commandant!"
"Neen, ik wil mijn eigen leven eerst wagen. Ik heb de teekeningen,
ik heb het licht, ik heb de sleutels."
Terwijl hij de lantaarn eerst tot op den bodem houdt, om er zich van
te overtuigen, dat er in de gang geen bedorven lucht is, die hem zou
kunnen doen stikken, daalt Chester omlaag en vindt een geplaveide
gang, nauwelijks breed genoeg voor twee menschen om elkaar voorbij
te gaan, met een gewelfde zoldering. Hij loopt de gang ten einde,
volkomen kalm van hoofd, al klopt zijn hart ook iets sneller.
Na tweehonderd voet stuit hij op de eerste ijzeren deuren. Deze zijn
buitengewoon sterk en zouden voor niets bezwijken, behalve voor een
ontploffing. Hij leest de verklaring van het gebruik der sleutels nog
eens na bij het licht van de lantaarn, ofschoon hij ze reeds uit het
hoofd kent, daarna smeert hij den eersten sleutel in met de fijnste
olijvenolie en steekt hem in het slot.
De sloten zijn blijkbaar in goeden staat en verzekerd tegen vocht
en roest. De sleutel draait met gemak rond. Daarna wordt de tweede
geprobeerd--weer springt de schoot terug--daarna de derde, eveneens
met goeden uitslag. Als hij den laatsten sleutel er uittrekt, ziet
Chester, hoe bewonderenswaardig het mechanisme van den Italiaan is,
want de twee zware ijzeren deuren zouden bij de aanraking van een
kind op hun hengsels draaien.
Tot zoover heeft Paciotto hem de waarheid verteld.
Hij gaat nu met meer vertrouwen verder. Het tweede paar deuren is
onder de gracht, zooals hij kan hooren aan het klotsen van het water
boven hem. Zij worden met hetzelfde gemak geopend door den talisman,
dien Guy in zijn bezit heeft, zoodat de machinerie zichtbaar wordt,
waarvan de ingenieur heeft gesproken, en waarvan hij de teekening in
zijn hand houdt, namelijk die, welke de vleugeldeuren reguleert, en
die hem zullen doen omkomen door het water van de gracht, als Alva's
standbeeld wordt vernield.
Terwijl hij de aanwijzingen op het papier volgt, neemt hij zijn
maatregelen om dit te beletten door de verbinding met de gracht
af te sluiten, en brengt, teneinde de zaak dubbel veilig te maken,
de dubbele deuren weer op haar plaats.
Daarna gaat hij verder naar het derde paar deuren. Dit moet hem den
toegang tot Alva's schatkamer verschaffen. Zijn hart bonst, terwijl
hij de sleutels nauwkeurig naar volgorde gebruikt--bijna aarzelend,
alsof hij bang was voor hetgeen hij daarbinnen zal zien.
Eindelijk springen de schooten driemaal terug, hij duwt de deur open
en de lantaarn omhoog houdend, wil hij verder gaan, maar hij struikelt
plotseling, hij hoort een rinkelend geluid en valt neer te midden van
zakken met goud, en zijn lantaarn opheffend, roept hij uit: "Bij den
hemel, wat een aanblik voor een gierigaard!" en daarbij lacht hij,
doch zeer zacht, alsof hij vreesde, dat het solide metselwerk van
twintig voet dik en het groote bastion van den Hertog, dat zich er
boven bevindt, van vloeipapier zijn en alles zullen doorlaten, zelfs
een zucht.
Zich herstellend, overziet hij vlug den schat en meent hem op minstens
vier of vijf millioen te mogen schatten.
Daarna gaat hij naar Corker terug, die hem ontvangt met: "Gij zijt
niet geslaagd?"
"Zeker, alles is in orde. Haal de manschappen." Hij neemt ze met zich
mede en maakt een berekening van den schat; er zijn, voor zoover hij
kan zien--hij moge een kleine vergissing begaan--omstreeks honderd
negen en zeventig zakken met goud, alle gestempeld met Alva's wapen,
en blijkens het strookje, dat er aan bevestigd is, inhoudende twintig
duizend kronen, en ongeveer vierhonderd duizend Spaansche zilveren
dollars in ongeveer tweehonderd vijftig zakken. Buitendien is er
een sterke kist, die Chester niet opent, maar waarvan hij vermoedt,
dat zij juweelen en andere kostbare steenen bevat.
Corker als bewaker achterlatend, beveelt hij de mannen, ieder zooveel
zakken als zij kunnen in den kelder te dragen en met dit werk voort te
gaan, totdat hij terugkomt. Hij zet vier zwaar gewapende mannen bij den
ingang op post, om het huis voor een plotselingen aanval te beschermen.
En daarna gaat hij met haastigen tred door de duistere straten naar
het kantoor van Bodé Volckers die hem ontvangt met--want Chester is
niet lang bezig geweest: "Geen succes--wel?--alles gekkenpraat?"
"Gekkenpraat,--die vijf millioen waard is!"
"Hel en duivel! Vijf millioen! God zegene u, mijn brave jongen. Laat
ons er dan aanstonds beslag op gaan leggen."
"Neen, niemand heeft ons gestoord," spot Guy. "Daarom juist is het
gevaarlijk, Bodé Volckers."
Bodé Volckers is er nu evenmin van terug te houden, Alva's schat te
gaan zien, als men hem vroeger daartoe zou hebben kunnen overhalen;
en hij gaat met Guy naar het huis van "de Stomme Duivelin".
Hier gekomen, zegt hij: "Laat nu alles aan mij over. Ik zal het er wel
uit krijgen; iedere dollar zal u worden voorgeteld, op mijn eer van
koopman." Waarop Chester antwoordt: "Dat zou mij voldoende waarborg
zijn, maar volgens de manier van ons vrijbuiters, heb ik Corker
gelast, elken zak te schatten en elk muntstuk op de _Esperanza_ te
brengen. Wij zullen in Vlissingen deelen. Maar gij moet het er uit
laten halen. Gij zijt beter voor dat werk geschikt dan ik."
En dat is ook zoo, want Bodé Volckers is met hart en ziel bij het werk,
terwijl Guy's gedachten meer in Sandvliet zijn, bij Alva's dochter.
Zoo wordt de zaak dus geschikt; de matrozen zullen 's nachts al
het goud in den kelder dragen, daarna zullen de ijzeren deuren weer
gesloten worden en overdag zal Bodé Volckers den schat in de bedden van
de matrozen aan boord brengen. Als koopman kan hij dit gemakkelijk doen
zonder argwaan te wekken. Den volgenden nacht zal een ander gedeelte
der matrozen het zilver uit het gewelf naar den kelder brengen en
het overdag op dezelfde wijze vervoeren, alsmede de kist met juweelen.
"Als wij het goud hebben ingepalmd, zal het voornaamste van den buit
wel binnen zijn," zegt Bodé Volckers. "Onderwijl zal ik carga in de
_Esperanza_ brengen, om het schip in staat te stellen, Antwerpen weer
te verlaten."
"Gij zijt op alles verdacht," zegt Guy. En hij beveelt Corker, het
goud, als het aan boord komt, te bergen onder de hut, daar waar de
gesmokkelde haakbussen verstopt zijn geweest, op hun vorige reis
naar Antwerpen. Maar op zijn horloge ziende, mompelt hij verschrikt:
"Hemel, het is al acht uur! Nu zijn de poorten gesloten, en kan ik
niet meer voldoen aan mijn afspraak."
"Ah! Te Sandvliet?" grinnikt de koopman.
"Ja."
"Dat dacht ik al. Maar ik kan u nu door de poorten brengen. Zij worden
niet meer bewaakt door de Spaansche troepen. Onze burgerwacht doet nu
dienst. Luitenant Karloo aan de hoofdpoort is een vriend van mij. Ik
zal u bij hem brengen."
Zoo ondervindt Guy weinig belemmering, als Bodé Volckers doorgang voor
hem vraagt. Het Spaansche garnizoen is wegens den oorlog in Holland
langzamerhand zóó verminderd, dat het nog enkel voldoende is, om de
Citadel zelf te bewaken.
Chester merkt dit alles met genoegen op en hij begrijpt, dat het hem
nu gemakkelijker zal vallen, het goud door de poorten te brengen en in
zijn schip te laden, daar er onder de burgerwacht niet die discipline
heerscht als onder Alva's veteranen. En met een verruimd hart zeilt
Chester nu opnieuw naar Sandvliet, bij zichzelven overleggend: "Nu
ik in het bezit ben van haar bruidsschat, is het oogenblik gekomen,
om Dona Hermoine zelve tot de mijne te maken!"