"BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN."
Den volgenden morgen gaat ieder aan zijn werk.
Chester is reeds vroegtijdig aan de kade, daar hij de een of andere
onbescheidenheid zijner matrozen vreest, die niet bekend zijn met
de manieren van een koopvaarder, en begint zijn lading te lossen met
een spoed, die zijn geconsigneerden best aanstaat.
Jan Olins komt persoonlijk aan boord om toezicht te houden en klopt Guy
op den schouder, zeggende: "Wij zijn zeer over u tevreden," vervolgens
gaat hij in het ruim en onderzoekt zorgvuldig de geheele lading,
tot groote verbazing van Guy, die geen koopvaardij-kapitein is, maar
hij breekt er zich toch niet lang het hoofd mee, in de onderstelling,
dat dit zoo de gewoonte van de kooplieden is.
's Middags ziet hij tot zijn verwondering Olins met Niklaas Bodé
Volckers op het schip afkomen, en uit vrees, dat de vader van de
schoone Mina, die hem eens gastvrijheid verleende, hem zal herkennen,
neemt hij de vlucht in zijn hut en grendelt de deur.
Gelukkig komen zij niet aan boord, zij kijken enkel naar het schip,
en gaan spoedig weer heen.
Een oogenblik later wandelt Chester de stad in, om Oliver op te zoeken.
Deze heeft hem het volgende mede te deelen:
"Er bestaat een huis, zooals Paciotto heeft beschreven, een oud kavalje
in een beruchte buurt. Het wordt bewoond door een doofstomme oude
Spaansche vrouw, senora Sebastian geheeten, maar door de zeelieden,
wien zij huisvesting verleent (haar huis is vlak bij de dokken),
in de wandeling 'de Stomme Duivelin' genaamd, bekend wegens haar
boosaardig karakter."
"Dat komt uit, ik wil er terstond eenige mijner manschappen heensturen,
om ze er te laten logeeren," zegt Guy.
"Nog niet, niet voordat wij de sleutels hebben. Laat uw mannen haast
maken met het lossen. De sleutel nº. 1 is reeds besteld. Nº. 3 breng
ik morgen naar Brussel en ik laat nº. 2 onderweg te Mechelen. Zie
intusschen zoo spoedig mogelijk uw lading aan wal te brengen."
"Hoe lang moet gij in Brussel blijven?"
"Totdat de sleutel klaar is, waarschijnlijk vijf dagen," antwoordt
Oliver.
"Zoo lang? Gij weet, dat spoed een eerste vereischte is. Ik zal zorgen,
dat mijn schip tegen dien tijd gelost is."
"Het zal niet eerder gaan. De slotenmaker hier zegt, dat hij vier
dagen noodig heeft. Dientengevolge duurt het vijf dagen eer ik uit
Brussel met de andere terug ben. En buitendien," zegt de schilder,
"heb ik heden met een postduif een brief van Lodewijk van Nassau
gekregen, die het noodig maakt, dat ik eenige inlichtingen tracht in
te winnen in de hoofdstad. Alle steden in Holland, behalve Amsterdam,
zijn opgestaan--en nu tracht Lodewijk van Nassau tegelijk een aanval
in den rug te doen. Het zou een schande zijn, als al de Nederlanden
naar de wapenen grepen en Bergen, mijn geboorteplaats, nog aan Alva's
zijde bleef."
"Meent gij, dat Antwerpen dus ook zal opstaan?"
"Neen, noch Antwerpen, noch Brussel; het Spaansche garnizoen is in
beide steden te sterk, doch het wordt van dag tot dag zwakker. Wat ik
zeggen wilde, ik zag onzen vriend, den kleinen Busaco, dezen middag
met zijn compagnie naar het Noorden trekken."
"Dan wordt voor Antwerpen de kans toch ook gunstig."
"'t Mocht wat! Antwerpen denkt slechts aan zijn handel. Handel is
de dood voor vaderlandsliefde. De burgers verlangen niets anders
dan met rust gelaten te worden in het belang van hun handel. Maar
geloof mij, deze stad zal meer lijden dan iedere andere stad in de
Nederlanden. Antwerpen wil onzijdig blijven en zal dientengevolge
van beide kanten worden aangevallen. Maar ik moet naar de familie
Bodé Volckers."
"Ah! De schoone Wilhelmina!" lacht Guy. "Ik zou gaarne met u gaan,
maar de losbol Guido Amati, verschijnende in de gedaante van Andrea
Blanco, kapitein van een koopvaardijschip, zou Niklaas Bodé Volckers
de oogen wel eens kunnen openen. Maar gij staat op heete kolen. Dus
goedennacht en--vaarwel."
"Ja, ik moet Mina spreken. God weet, wat mij in Brussel kan
overkomen. Ik moet echter ook voor u zorgen. Beloof mij, Guido,"
en er klinkt angst uit zijn stem, "dat indien gij hier niet kunt
slapen, gij tenminste iederen avond en iederen morgen zult komen,
om te zien, of de postduiven bericht van mij hebben gebracht. Ik zal
zes duiven meenemen. Gij weet, dat het schelletje het teeken geeft,
als de duiven de til binnen zijn gevlogen. Zij kunnen u nog van dienst
zijn voor uw veiligheid--voor uw leven, want God weet, hoe spoedig
Alva's wantrouwen tegen mij wordt opgewekt."
Zij nemen nu afscheid, na elkaar hartelijk de hand geschud te hebben.
Den volgenden morgen verlaat de schilder de stad, Achille met zich
nemend, om de zes duiven te dragen, en Guy haast zich met het lossen
van het schip.
Hij is daar drie dagen mee bezig en neemt alle mogelijke
voorzorgsmaatregelen. Niemand mag het schip 's nachts verlaten. Niemand
mag een droppel sterken drank, wijn of bier drinken, want allen
weten, dat hun leven gevaar loopt bij de minste onvoorzichtigheid,
en de koelbloedigste huivert, als hij denkt aan den dood, die hem van
Alva wacht. Zelfs Corker, die de onverschrokkenheid in persoon is,
vertelt zijn commandant, dat hij zenuwachtig is en niet kan slapen.
"Het heeft er veel van," zegt de oude zeerob, "alsof iemand mij de
keel dichtknijpt. Soms heb ik een gevoel, alsof ik zou stikken, en
Bill Chucksin deed ons den vorigen nacht wakker schrikken door te
schreeuwen: 'In Godsnaam, verbrand mij niet levend!' Het heeft een
slechte uitwerking op de equipage."
"Neen, een goede," zegt Guy. "Ik heb opgemerkt, dat zij allen vandaag
zeer voorzichtig zijn geweest."
Vervolgens wendt hij zich tot den bootsman en beveelt: "Zeg den
jongens, dat zij, als ik slaag, ieder twee horloges mogen koopen,
voor ieder horlogezakje één--wat voor de kooplui een fortuintje zal
zijn. Schiet gij goed op met het lossen, José?"
"Dat gaat best, senor capitan Blanco," antwoordt de aangesprokene
met een blik van verstandhouding. "Het ruim komt morgen vroeg geheel
leeg, en dan moeten wij het dek nog schoonmaken. Daar komt een van uw
geconsigneerden aan, senor capitan Blanco," en met een paar Spaansche
woorden verdwijnt de bootsman, want hij is er niet op gesteld,
bezoekers te ontmoeten.
Guy ontvangt met gefronste wenkbrauwen zijn geconsigneerde, die de
loopplank overstapt. Het is de vierde dag, hij heeft niets van Oliver
gehoord en hij maakt zich dus zeer ongerust.
"Slaapt gij gewoonlijk aan boord?" vraagt Jan Olins, na de
gebruikelijke begroeting, aan zijn kapitein.
"Neen, aan land. Soms in de herberg, die gij mij hebt aanbevolen,
en soms bij een vriend, een schilder."
"Welnu gij zult mij zeer verplichten, als gij vannacht aan boord
wilt blijven. Gij kunt de stad niet verlaten, nadat de poorten
gesloten zijn."
"Het is goed. Wat kan ik voor u doen?"
"Ga met mij mee naar uw hut en ik zal het u zeggen," antwoordt de
Vlaming. En als zij de deur van de hut gesloten hebben, fluistert
Olins: "Onder den dubbelen vloer van deze hut, hebt gij, zooals
gij weet, twaalf kisten met goederen, die niet in de factuur zijn
aangegeven."
Dit weet Guy _niet_, maar hij houdt zich alsof hij het weet.
"Deze kisten moeten vanavond laat aan wal worden gebracht en niet
naar ons pakhuis vervoerd, maar naar een plaats, die ik u zelf zal
aanwijzen."
"Vanavond, als het donker is?"
"Ja, laat in den avond. De maan gaat om tien uur onder. Elf uur is
de geschiktste tijd. Zeg uw mannen, dat zij per hoofd twee gulden
extra krijgen en gij het gewone tarief."
"Wat is het tarief voor smokkelen hier in de haven van
Antwerpen?" vraagt Guy.
"Stil! wij noemen dat zoo niet, wij noemen dat eenvoudig den tienden
penning ontduiken," antwoordt de koopman op halfluiden toon. "Gij
krijgt honderd gulden voor uw deel in de zaak."
"Geef mij dan uw hand op die honderd gulden, mijn waarde heer,"
antwoordt Guy, die wel weet, dat, als hij niet op het voorstel ingaat,
men terstond zal merken dat hij geen koopvaardijkapitein is.
"Zeer goed, die zaak is dus in orde," fluistert Olins en slaat zijn
hand in Guy's uitgestrekte vingers, waarna hij weer aan land gaat.
Als hij alleen is, begint Guy te lachen: "Ik wil toch weten, wat ik
smokkel," en een man van de daad zijnde, beurt hij terstond een plank
in den vloer van zijn hut op en maakt een der kisten open.
Als hij den inhoud heeft onderzocht en de kist weer secuur heeft
weggeborgen, begint de Engelschman zacht te fluiten,--mijnheer Jan
Olins is in zijn achting gerezen.
Daarna begeeft hij zich naar Oliver's atelier; hij komt onopgemerkt
binnen, want de schilder heeft hem de sleutels gelaten, en trekt het
gordijn weg van Antony's altaarstuk om het gelaat te beschouwen van
haar, die hij zoo vurig verlangt te zien. Doch nauwelijks vestigt
hij zijn blikken op de schoone oogen van Madonna Hermoine, of het
geklapwiek van vleugels boven hem, herinnert hem aan het eigenlijke
doel van zijn komst.
Hij klimt haastig naar boven en als hij de til onderzoekt, vindt hij
er tot zijn verwondering alle zes duiven, doch zonder brieven.
Op den terugweg naar het schip, houden zijn gedachten zich hiermee
voortdurend bezig, en hij kan het niet anders verklaren, dan dat de
vogels bij ongeluk moeten zijn ontsnapt en naar huis teruggevlogen.
Dien avond brengt Guy, met behulp van Corker en eenige zijner matrozen,
op persoonlijke aanwijzing van Jan Olins, de twaalf kisten, waarvoor
geen belasting is betaald, in het geheim en ongehinderd naar een
groot pakhuis.
Alles gaat tot zoover goed, maar als zij het pakhuis verlaten, kijkt
Guy bij toeval rond en ziet bij de lantaarn, die Olins draagt, om hen
bij te lichten, den naam van Niklaas Bodé Volckers in groote letters
boven den ingang en bemerkt nu ook diens zoon, Jakob, die blijkbaar
op de goederen heeft staan wachten en in gesprek is met Jan Olins.
"Zoo, zoo!" denkt de Engelschman. "Als ik Bodé Volckers eens mocht
noodig hebben, dan heb ik hem dus in mijn macht, ofschoon ik nu nog
niet weet, hoe hij mij zou kunnen helpen."
Daarna keeren zij behoedzaam naar de _Esperanza_ terug, onopgemerkt
en ongehinderd, ofschoon de patrouille-booten op haar post zijn,
maar de nacht is zeer donker en zoo worden zij niet gezien. Olins
gaat mee aan boord, om daar te overnachten, daar hij niet voor het
aanbreken van den dag de stad kan binnenkomen.
Hij vertrekt den volgenden morgen vroeg, terwijl Chester nog slaapt,
ofschoon wat onrustig wegens het leven, dat de matrozen maken, als
zij het dek wasschen.
Een oogenblik later ontwaakt Guy, om tot de ontdekking te komen,
dat hij terstond de hulp van een inwoner van Antwerpen noodig heeft,
om zijn leven te redden.
"Er is een jongen aan boord gekomen, commandant. Hij zegt, dat
hij een brief voor u heeft," fluistert de bootsman hem in het oor,
"daarom nam ik de vrijheid, u te wekken."
"Hm!"
"Hij zegt, dat er haast bij is."
"Wat voor een jongen?"
"Een Fransche."
"Achille!" en Chester, geheel wakker, springt op van zijn legerstede,
en beveelt: "Zend hem terstond hier!"
Het is Achille met een brief van Oliver.
"Gij zijt kapitein Andrea Blanco?" vraagt de jongen.
"Ja."
"Dan moet gij dit terstond lezen," zegt de jongen en overhandigt
hem het briefje, dat de sporen draagt van in groote haast te zijn
geschreven. Het heeft geen adres, maar is van Oliver's hand en luidt:
"Vlucht! vlucht spoedig!--in Godsnaam!--Red uw leven en dat van den
jongen, die u dit brengt. Hij is mijn leerling,--zij zullen hem op de
pijnbank brengen. Het zwaard valt neer op mijn hoofd. Ik heb slechts
tijd om te zeggen: God zegene u. Vaarwel."
"Wie gelastte u, mij dit te brengen?" vraagt Guy, met bevende lippen
en doodsbleek gelaat.
"Hij zeide mij--"
"Hij!--Wie?"
"Monsieur Oliver; hij zeide mij, dat ik een duif moest krijgen,"
vertelt de jongen, "en ik ging naar het hok, en op de een of andere
manier--want ik haastte mij--liet ik de deur open, en zij vlogen alle
weg. Ik ging dadelijk naar hem toe, om het hem te vertellen."
"En hij?"
"Ik denk, dat hij ziek was. Want hij schreeuwde: 'Mon Dieu, wat hebt
gij gedaan?' En toen zeide hij: 'Gij hebt de duiven laten vliegen,
nu moet gij een brief wegbrengen--Miséricorde! mijn vriend!' Daarna
gaf hij mij geld voor een paard en beval mij, zoo hard te rijden als
ik kon, om gisteravond vroeg genoeg hier te zijn, teneinde de stad
binnen te komen, eer de poorten gesloten werden, en dit te geven
aan kapitein Andrea Blanco op het schip _Esperanza_. En dan te doen,
wat hij mij zou zeggen."
"Als dat zoo is, waarom zijt gij dan vannacht niet hier
gekomen?" vraagt Guy op barschen toon.
"De stalhouder had mij met het paard bedrogen, die verwenschte
kerel!--het beest was kreupel en ik kwam zoodoende eerst aan de
Keizerpoort, toen zij juist gesloten werd, en ik heb den geheelen
nacht thuis moeten wachten, maar ik heb den brief hier gebracht,
zoodra de poorten weer open waren. Doch gij zijt niet kapitein Andrea
Blanco, gij zijt kapitein Guido Amati," voegt Achille er aan toe,
die Guy met nieuwsgierige blikken heeft aangekeken, al den tijd,
dat hij in de hut was.
"Beiden."
"Dat is zonderling."
"Breek er u het hoofd maar niet mee, of het zonderling is of niet,"
zegt Chester op zulk een brusken toon, dat de Fransche jongen er
geheel door overbluft is. "Ga zitten!"
"Ik--ik zou liever naar huis gaan om te ontbijten," brengt Achille
zenuwachtig uit.
"Blijf hier, gij kunt met mij ontbijten, doe slechts, wat ik u zeg. Dat
is wat u meester u gelastte."
Achille durft niet anders dan gehoorzamen en dit wordt hem gemakkelijk
gemaakt door een overvloedig ontbijt, dat hem wordt voorgezet;
hij begint dan ook te eten, ofschoon Guy hem geen gezelschap houdt,
want hij heeft al zijn denkkracht noodig, om te overleggen, wat hij
zal doen.
Hij zou alleen kunnen vluchten, maar hij wil zijn equipage niet
blootstellen aan het gevaar, vermoord te worden. Hij wil haar niet in
den steek laten, na haar eerst in den val te hebben gelokt. En dan
die arme Fransche jongen, die zonder het te weten zijn leven heeft
gewaagd, om hem te waarschuwen! Er is slechts één ding, dat hen allen
kan redden, en dat is, te trachten met de _Esperanza_ zoo spoedig
mogelijk de open zee te bereiken. Hij heeft een geheelen nacht verloren
door de kreupelheid van Achille's paard, maar hij veronderstelt,
dat men hem de eerste uren nog wel met rust zal laten. Brussel is
dertig mijlen ver, en zelfs al heeft men bericht hierheen gezonden,
dan duurt het nog eenigen tijd, eer de Spaansche spionnen er achter
zijn gekomen, dat Andrea Blanco driemaal met Oliver den verrader
in den _Engelentoren_ heeft gegeten. Hij kan de eerste zes uren nog
niets te vreezen hebben. Hij geeft zijn manschappen dus bevel, om de
rest van de goederen zoo gauw mogelijk te lossen, verzoekt Achille,
de hut niet te verlaten en gaat haastig naar het kantoor van zijn
geconsigneerden, dat juist geopend wordt.
Hij vraagt en krijgt een onderhoud met den oudsten firmant in diens
particulier kantoor en zegt: "Ik ben met lossen klaar. Kunt gij mij
geen cognossement geven voor ballast voor een andere plaats?"
"Wat een dwaasheid!" antwoordt de welgedane Jakobszoon. "Waarom
zouden wij u met ballast laten gaan, wanneer wij u goede lading kunnen
bezorgen? Wacht hier totdat er lading te krijgen is."
"Gij moet mij een cognossement voor ballast geven."
"Waarom?"
"Omdat de douanen op mijn schip loeren."
"Verwenscht! gij hebt gesmokkeld!" roept de koopman uit. "Als ge er
u hebt ingewerkt met uw infame zeemanspractijken en ons daardoor ook
hebt gecompromitteerd, dan kunt gij ook hier blijven en de gevolgen
dragen, kapitein Blanco. Ik help u niet."
Dat antwoord is ontmoedigend. Het bewijst Chester, dat Jakobszoon
niets weet van de twaalf kisten met goederen, die Olins in ontvangst
heeft genomen.
Guy verlaat het kantoor, doch blijft in de buurt wachten op Olins.
Deze heer komt altijd vroeg aan het kantoor, zoo ook nu,
niettegenstaande hij gisteravond laat naar bed is gegaan, en hij
ontmoet hem bij de Wolstraat.
"Ik moet u spreken, mijnheer Olins," zegt hij.
"Goed, ga mee naar het kantoor."
"Neen, alleen en niet op uw kantoor."
"Nu, dan in dit wijnhuis," antwoordt Olins, Guy oplettend aankijkend,
en gaat hem voor naar een wijnhuis, waar hij goed bekend schijnt te
zijn, want hij krijgt dadelijk een afzonderlijke kamer.
"Nu," zegt hij, "is het soms om het geld voor die smokkelgeschiedenis,
kapitein Blanco? Gij kunt het terstond krijgen, als uw bemanning
ongeduldig is."
"Neen, ik wilde u vragen, mij aanstonds een cognossement voor ballast
te geven, om uit de haven weg te komen."
"Onmogelijk!" roept Olins, en fluistert dan: "Waarom hebt gij dat
noodig?"
"Omdat men mij verdenkt te hebben gesmokkeld."
"Wat? Om die kisten met kant van gisteravond?" vraagt de Vlaming op
halfluiden toon, terwijl zijn gelaat betrekt.
"Het was geen kant," zegt Chester kortaf.
"O--o! Gij moet Antwerpen met den vloed verlaten," fluistert Olins,
terwijl hem het zweet aan alle kanten uitbreekt. "Doch waar zal ik
u heenzenden?"
"Geef mij papieren op Amsterdam." Guy noemt de eerste de beste plaats,
die hem invalt.
"Dat is goed, gij zult ze hebben. Maar," voegt de koopman er
zenuwachtig aan toe, "zonder ladingspapieren zou het verdacht lijken!"
"Ik zal u de ladingspapieren bezorgen," roept Guy uit, terwijl hij
plotseling op een idee komt.
"Van wien?"
"Van uw _mede-patriot_, Bodé Volckers." Dit in zijn oor.
"Groote God! Gij weet--"
"Ja, haakbussen, in kant gepakt, dat is geen geldboete--maar de dood,"
fluistert Guy. "Vul een order in voor lading op Amsterdam."
En Guy bewondert den koopman, terwijl hij dit schrijft,--want het
handschrift van den patriot Jan Olins is zoo ferm en gelijkmatig,
alsof het gedrukt was.
"Zend de papieren terstond naar het douanekantoor," fluistert Guy.
Daarna begeeft hij zich haastig naar zijn schip en verdwijnt in zijn
hut, om er eenige oogenblikken later weer uit te voorschijn te komen,
niet als Andrea Blanco, koopvaardijkapitein, maar als Guido Amati, de
beruchte Spaansche soldaat, want hij is van meening, dat dit de beste
vermomming is, om een onderhoud te hebben met den oud-burgemeester
Bodé Volckers.
Tot zijn teleurstelling hoort hij, als hij aan het pakhuis van
Niklaas gekomen is, dat deze zich nog bevindt in zijn huis aan de
Meir. Onderweg komt hij op het denkbeeld, dit zaakje op te knappen in
de rol van verloopen sujet, in de hoop, zoodoende beter te slagen. Hij
wil den schijn aannemen, alsof hij geld wil hebben als spion; hij
wil goud vragen, maar ladingspapieren ontvangen.
Om zijn leelijke rol goed te spelen, brengt hij zijn haren in wanorde
en trekt zijn hoed in de oogen, en den schijn aannemend, alsof hij
volslagen dronken was, vervolgt hij zijn weg naar het huis van Bodé
Volckers en treedt dit binnen.
Een aantal klerken zijn aan het werk, alles is druk bezig. Hij wordt
ontvangen door een onderdanig buigenden klerk, die angstig vraagt
naar zijn naam en naar hetgeen hij verlangt,--want deze bandelooze
Spaansche soldaten bedachten zich tegenover de Vlaamsche burgers niet
lang, om naar mes of sabel te grijpen. Als hij vraagt, om Bodé Volckers
te spreken, wordt hij dadelijk in diens particulier kantoor gelaten.
Hij gaat binnen, sluit, met goed nagebootste dronkemansgebaren, al
hikkend, de deur en grendelt ze, terwijl de koopman met de grootste
verbazing naar hem kijkt, misschien ook wel met vrees, want Guy's
verwilderde haren en woest rollende oogen geven hem het aanzien,
alsof hij regelrecht van een drinkgelag komt.
"Gij kent mij--gij kent mij--ik ben--ik ben majoor Guido A--Amati,
v--an--Romero's voetvolk," begint de pseudo-doordraaier, zijn woorden
door hikken afgebroken.
"Ja, ik--ik heb de eer gehad u eens in mijn huis te zien, kapitein
Amati!"
"Majoor--_majoor_ Amati de Medina!--vergeet niet het--de
Medina.--Ga--ga zitten en--hik--teeken dit!" En Guy duwt den koopman
in zijn stoel terug, waaruit hij half is opgestaan, en houdt hem het
charterpapier onder den neus.
"Wat--wat is dat?" stamelt Bodé Volckers.
"Het is een charterbrief--van de firma Jakobszoon en Olins, voor
capitan Andrea Blanco.--Gij kent capitan Andrea--Andrea Blanco?"--hij
knikt hem veelbeteekenend toe,--"van het schip _Esperanza_?"
"Ballast gecharterd?" roept Niklaas uit, wederom geheel koopman. "Wat
dronken zottepraat is dat? Er zit immers geen geld in ballast."
"Geen ballast, maar een charter--ter begeleiding van twaalf
kisten goed--die gisteravond in uw pakhuis--ongeveer twaalf
uur--Begrepen,--Bodé Vol--Volckers?"
En als aan deze woorden kracht wordt bijgezet, vat Bodé Volckers met
schrik en ontzetting zijn bedoeling en stamelt: "Gij--gij beschuldigt
mij van smokkelen; daar--daar staat slechts een boete op!"
"Ja,--boete van _uw hoofd_!"
"Smokkelen van kant--boete van mijn hoofd--gij zijt dronken!" antwoordt
de koopman, moed scheppende.
"Smokkelen van haakbussen--gepakt in kant--in oorlogstijd--beteekent
de _pijnbank_."
"Groote God!" roept Niklaas uit, "haakbussen! Ik zou haakbussen--Die
gemeene Olins!--haakbussen!" En deze woorden bewijzen Guy, dat Bodé
Volckers geen patriot is, maar enkel een smokkelaar.
"Juist--het--kost--u--uw hoofd," hikt Guy. En hij vervolgt met een
dronkemansblik:
"Ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn aanstaande
bankier--de man, die mij al het geld, dat ik voor het dobbelen
noodig heb--hik--voortaan zal geven, naar de andere wereld werd
geholpen. Begrepen--Bodé Volckers?"
"Hoeveel geld verlangt gij? Ik ben--ik ben een arme man!"
"Gij zult binnenkort nog wel armer worden! Begrepen--Bodé Volckers?" en
hij kijkt hem met inhalige blikken aan.
"Hoeveel verlangt gij?" smeekt de koopman.
"Een slomp;--maar daar zullen wij later wel eens over spreken,"
hikt Chester. "Teeken dit charter--maak eerst, dat het schip kan
wegkomen, dan zullen wij een paar flesschen samen drinken en ik zal
een verduiveld grooten wissel op u trekken."
"Gij bedriegt mij niet--gij zijt er _zeker_ van, dat het haakbussen
zijn?"
"Roep de douanen--open ze en zie zelf!" roept Guy uit.
Doch dat voorstel is geheel en al onaannemelijk. Bodé Volckers teekent
met bevende hand het charter van de _Esperanza_ om Antwerpen terstond
te verlaten voor Amsterdam en andere havens.
"Als gij uzelven lief hebt, Bodé Volckers--mijn beste bankier,
Bodé Volckers--laat dan de goederen terstond aan boord brengen,"
fluistert Guy, het charter wegbergend, "en--breng mij een flesch wijn."
"Ja, ik zal mijn orders oogenblikkelijk geven," stamelt de koopman.
Maar juist als hij dit zal doen, hoort men buiten het geraas van
wielen, het klappen van een zweep en het getrappel van paarden, en een
postsjees rijdt, klaarblijkelijk in groote haast, het binnenplein op.
Een oogenblik later vergeet de Engelschman zijn voorgewende
dronkenschap. Een gebiedende en toch liefelijke stem, een stem,
die Guy's hart sneller doet kloppen dan het gevaar van ontdekking,
zelfs nog meer dan de verschrikking van den dood, zegt buiten de deur:
"Dien bij uw meester aan Hermoine de Alva!"
"Goede hemel! Alva's dochter!" mompelt de burgemeester. "Zij moet u
niet zien. Ga de achterdeur uit!"
Doch Chester zou niet heengaan, al moest het hem ook het leven kosten.
"Oho! jij bent me een mooie, Bodé Volckers! Dames," hikt Guy, met
een zwakke poging, om zijn rol vol te houden, "ik ga nooit voor
dames loopen."
"Gauw!" fluistert de oude heer. "Gij moet blijven, totdat wij de
zaak geregeld hebben en ik u orders voor de goederen heb gegeven",
en hij duwt Chester haastig in een klein spreekkamertje naast het
particulier kantoor, mompelend: "Een mooie geschiedenis--in handen
van een verloopen sujet--een ellendigen dronkaard, een speler. Hoe
red ik mij daar nog weer uit!"
En Guy's hart begint nog sneller te kloppen. In de deur van het
kamertje is een klein luikje, dat in het kantoor uitkomt en waardoor
men alles kan hooren, wat daar gebeurt. Het schijnt opzettelijk
daarvoor te zijn gemaakt en gebruikt te worden, om meer voordeel van
de klanten te kunnen behalen.
De eerste woorden, die Guy uit de aangrenzende kamer hoort, doen
hem schrikken. Want de liefelijke stem, die nu zeer ernstig klinkt,
spreekt deze vreemde woorden: "Senor Bodé Volckers, ik ben zoo vlug,
als ik kon, van Brussel komen rijden, om u den raad te geven, als gij
uw dochter lief hebt, _haar onverwijld buiten Antwerpen te brengen_!"