Chester is er de man niet naar, om enkel naar Alva's schatten te
haken, en geen middelen in het werk te stellen, om ze in zijn bezit
te krijgen. Zoo spoedig mogelijk begeeft hij zich weer aan boord van
de _Dover Lass_ en sluit zich terstond op in zijn hut, om het pakje
te onderzoeken, dat hij van Paciotto heeft ontvangen; nu hangt deze
ongelukkige man als voedsel voor de raven op de markt te Vlissingen.
Nadat hij het zorgvuldig in perkament gewikkelde pakje heeft geopend,
komen er drie teekeningen uit te voorschijn van drie groote sleutels
in hun natuurlijke grootte en afmeting, genummerd met de cijfers 1, 2
en 3. Buitendien bevat het pakje een aanwijzing voor hun gebruik. Deze
luidt:
"Gebruik voor de eerste deur achtereenvolgens de sleutels 1, 2 en 3.
"Voor de tweede deur de sleutels 3, 2 en 1.
"Voor de derde deur eerst nº. 2, daarna nº. 1 en ten slotte nº. 3.
"Gebruik ze precies in de genoemde volgorde. Elke willekeurige
verandering daarin kan de sloten onbruikbaar maken."
Behalve dit, is er nog een schets van de gang naar de Citadel, waarop
eveneens is aangegeven de sluis, die in verbinding staat met het
standbeeld van Alva, en hoe het mechanisme van de sluis onbeweegbaar
kan gemaakt worden, zoodat, al wordt het standbeeld vernield, het
water van de Schelde toch niet in de gang kan stroomen, om hen,
die daar aan het werk zijn, te doen verdrinken.
Deze teekeningen en aanwijzingen zijn op het lichtste en fijnste
Italiaansche papier geteekend, zoodat haar volume zeer klein is en
zij gemakkelijk geborgen kunnen worden.
Guy maakt van alles een nauwkeurige kopie en bergt deze weg in zijn
stevige kist in de hut van de _Dover Lass_. Het oorspronkelijke
document steekt hij bij zich.
Daarna gaat hij overleggen, wat hem te doen staat. Het is niet alleen
noodig, dat hij eenigen tijd naar Antwerpen gaat, om de sleutels
te laten maken bij een bekwamen slotenmaker, maar hij moet ook een
schip met bemanning bij zich hebben, dat in staat is, den buit weg
te voeren, nadat hij er zich van heeft meester gemaakt. Een bezoek
aan Antwerpen op zichzelf is reeds gevaarlijk. Een gedeelte van zijn
bemanning mee te nemen op een schip en daar in de haven te gaan liggen,
schijnt hem niet raadzaam.
Hij komt eindelijk, nadat hij de onderneming van alle kanten heeft
bekeken (want hij wil er zelfs niet met Dalton over spreken, die
anders geheel te vertrouwen is), tot het volgende vindingrijke
besluit. Hij wil zich met behulp van de _Dover Lass_ meester maken
van eenige Spaansche koopvaardijschepen, totdat hij er een aantreft
met een kapitein, die nooit in Antwerpen is geweest, maar nu op
weg is naar die stad. Als hij van het schip bezit heeft genomen,
zal hij den kapitein en de bemanning wel zóó doen verdwijnen, dat
zij nooit weer te voorschijn komen. Hijzelf wil zich vermommen en den
naam van den kapitein van het schip aannemen. Uit zijn bemanning zal
hij slechts diegenen kiezen, die het meest op Spaansche en Vlaamsche
pikbroeken gelijken, en daarna met het schip naar Antwerpen zeilen,
hiertoe de papieren en de stukken van de Spaansche haven gebruikend,
en zijn lading afleveren aan haar bestemming, alsof hij de kapitein
van het schip was. Terwijl zijn schip wordt gelost, kan hij zich
waarschijnlijk (met behulp van Antony Oliver, als deze tenminste in
de stad is) meester maken van den schat van den Hertog, zijn schip
er mee bevrachten en tegelijkertijd lading innemen voor een haven,
waarheen hij door Antwerpsche kooplieden zal gezonden worden.
En als hij dan opnieuw in de open zee zal zijn gekomen, is hij van plan
naar Engeland te zeilen en zijn schat met hetzelfde recht aan land te
brengen, als waarmee Drake, Hawkins en andere Engelsche vrijbuiters
hun buitgemaakte staven goud uit Spaansch-Indië daarheen voeren. Daar
zal hij zeggen, dat Alva's goud afkomstig is van een prijsverklaard
galjoen en Elizabeth de tien percent, waarop zij aanspraak maakt,
betalen, de gebruikelijke belasting op zulk een buit.
Een uur, nadat hij dit besluit heeft genomen, is de _Dover Lass_
onder zeil naar den open oceaan, en gedurende de volgende dagen
neemt het kleine schip twee of drie schepen, die op weg waren naar
Antwerpen. Doch geen van alle zijn geschikt voor zijn doel. Hij hoort
de kapiteins van die schepen uit en verneemt, dat zij reeds vroeger
te Antwerpen zijn geweest, of dat sommige hunner matrozen familie
of vrienden in die stad hebben, of er is iets in de scheepspapieren,
dat ze onbruikbaar voor hem maakt.
Daarom brengt hij deze schepen naar Vlissingen en verkoopt schepen en
lading voor een appel en een ei in die stad, welke nu goed bewaard
is in de handen van den prins van Oranje; de vlag van dezen prins
wappert nu reeds van verscheidene torens in de Nederlandsche steden,
doch sommige van deze worden daarvoor later wreed gestraft, en hun
inwoners allen over de kling gejaagd,--mannen, vrouwen en kinderen.
Het geld, dat hij ontvangt voor den gedwongen verkoop van deze gestolen
goederen, is nauwelijks een tiende van hun waarde, want het geld is
zeer schaarsch in de Nederlanden, sinds de invoering van den tienden
penning, maar het is voldoende voor hetgeen Chester zich voorstelt
in Antwerpen te doen.
Dit alles rooft echter tijd en reeds is er een maand verloopen,
sedert hij in het bezit is van Paciotto's geheim, eer hij het karveel
_Esperanza_ buitmaakt, kapitein Andrea Blanco, wiens journaal aanwijst,
dat hij nooit te voren in Antwerpen is geweest, maar bijna altijd op
West-Indië gevaren heeft. Het gelukt hem na veel moeite van kapitein
Blanco te weten te komen, dat hij geboortig is uit Hispaniola en dat de
geheele bemanning nog nooit te voren in Vlaamsche wateren is geweest.
Het schip is zeer geschikt voor zijn doel, daar het een stevige bark
is van ongeveer driehonderd ton, ofschoon niet te vergelijken met
de _Dover Lass_, en gewapend met zeven stukken geschut aan iedere
zijde. Het heeft zich dan ook eenigen tijd verdedigd tegen de _Dover
Lass_, wat in die bloedige tijden in den regel ten gevolge zou hebben
gehad, dat de bemanning meedoogenloos werd afgemaakt,--vooral wanneer
het belang van den veroveraar meebracht, zooals nu, om ze allen
daarheen te helpen, waar zij nooit iets over de Antwerpsche haven
zouden kunnen vertellen.
Hoe rationeel hem dat ook toeschijnt, kan Chester er toch niet toe
besluiten, ze in koelen bloede te vermoorden.
Hij roept daarom Dalton en zegt: "Het is noodzakelijk, dat ik
persoonlijk het bevel op mij neem over ons prijsgemaakt schip, de
_Esperanza_, mij uitgeef voor haar kapitein en met dertig mijner
manschappen naar Antwerpen zeil."
"Naar Antwerpen gaan?" roept Dalton verbaasd uit. "Naar den duivel
gaan? En wie zal u daarheen willen volgen?"
"Gij, als ik het u vroeg, Dalton," antwoordt zijn commandant. "Roep
de bemanning."
En als zij allen vóór de groote mast staan, overziet Chester de honderd
vijf en twintig matrozen van de _Dover Lass_, brutale vechtersbazen,
tot den kok en den kajuitsjongen incluis, en spreekt hen kort en
bondig toe: "Nu, jongens, heb ik een karreweitje voor je, iets dat
je zal aanstaan--waarbij heel wat buit is te behalen. Daarvoor moet
ik dertig man hebben, die met mij op de _Esperanza_ naar Antwerpen
willen zeilen. Als wij niet slagen, weet gij vooruit, wat Alva met
ons zal doen. Dat zal niet malsch zijn. Als ik slaag, krijgt ieder
van de matrozen van de _Dover Lass_ twintig goudstukken, gij, Dalton,
tweehonderd en de andere officieren naar verhouding. Doch ieder,
die met mij op de _Esperanza_ gaat, krijgt er twintig extra voor het
waagstuk, en het gaat op leven en dood, daarom dwing ik niemand. Zij,
die lust hebben met mij dat avontuur te wagen, moeten op het halfdek
gaan staan."
En in een oogwenk staan al de matrozen om hem heen op het halfdek,
terwijl Dalton uitroept: "Neem mij in 's hemels naam mee,
commandant. Ik laat u niet alleen gaan."
Doch Chester antwoordt: "Het is noodzakelijk, dat gij het bevel
over de _Dover Lass_ op u neemt," en hij kiest die mannen uit,
die het meest op matrozen van een koopvaardij schip lijken; hij is
zoo gelukkig, er zeven en twintig te vinden, die Spaansch spreken,
daar zij hier en daar, in West-Indië en in de Middellandsche zee,
wat van die taal hebben opgevangen.
Daarom neemt hij deze zeven en twintig, onder aanvoering van Martin
Corker, die beweert, dat hij genoeg Spaansche halzen heeft afgesneden,
om het Spaansch vlot te kunnen spreken.
Nadat dit geregeld is, neemt Chester Dalton mee in zijn hut en zegt
tot hem op ernstigen toon: "Luister naar mijn bevelen. Sla de geheele
bemanning van de _Esperanza_ in boeien. Zorg, dat niemand ontsnapt. Ga
dan spoedig onder zeil en zet ze aan land op de westkust van Ierland."
"Wat! onder die bloeddorstige barbaren? Dan mag ik wel oppassen,
dat wij er het hachje ook niet bij inschieten," zegt Dalton. Want in
dien tijd was de Westkust een _Ultima Thule_, door iedere pikbroek
gevreesd, want geen schipbreukeling kwam er ooit van terug.
"Keer terstond naar Vlissingen terug," vervolgt Guy, "zoodra gij u
van uw opdracht hebt gekweten. Wacht mij daar."
"Doch als gij niet terugkomt?"
"Dan zijt gij commandant van de _Dover Lass_. Maar ik kom wel
terug. Als gij echter iets om mijn leven geeft en om dat van de arme
drommels, die ik met mij neem, zorg dan dat niemand van de Spaansche
bemanning, het allerminst de kapitein, uit uw handen loskomt, totdat
gij hen hebt afgeleverd aan de O'Brien's, O'Toole's of een of ander
bloeddorstig Iersch opperhoofd, die hen tot zijn slaven zal maken en
uit wiens wilde klauwen zij evenmin zullen kunnen ontsnappen, als de
negers, die in Afrika werden gestolen, dit in West-Indië kunnen doen!"
"Verlaat u op mij. Geen der knoflooketende Dons ziet zijn moeder ooit
terug. Als ik gevaar mocht loopen, dat een Spaansch oorlogsschip mijn
schip nam, dan overboord met hen," zegt Dalton en laat zijn woorden
vergezeld gaan van een welsprekend gebaar.
Daarna zet de _Dover Lass_ koers naar de Hebriden, de noordelijke
route naar Ierland nemend, om iedere ontmoeting met een Spaansch
oorlogsschip te vermijden.
En Guy Chester, vermomd als kapitein Andrea Blanco, zeilt met zijn
zeven en twintig vrijwilligers, die al het mogelijke hebben gedaan, om
hun Engelsche afkomst te verbergen, op het schip de Esperanza onder de
Spaansche vlag, met Martin Corker aan het roer, naar den Scheldemond.
Hij bereikt dien in den morgen, ontsnapt bij Vlissingen ternauwernood
aan de vervolging van zijn collega's, de Watergeuzen, en is in den
namiddag tot Fort Lillo genaderd. Hier vindt hij drie Spaansche
oorlogsschepen en veel bedrijvigheid; als hij wordt aangehouden door
een Spaansche patrouilleboot, vertoont hij zijn charterpapieren en
cognossement, aan de firma Jakobszoon en Olins, die hun kantoor hebben
in de Wolstraat, dicht bij de Engelsche kade te Antwerpen.
Zijn stukken blijken in orde te zijn, en partij trekkende van den
vloed, laat Chester op een mooien dag in Mei, terwijl de ondergaande
zon den fraaien toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk verguldt, het
anker vallen voor Antwerpen, passeert ongemoeid het douanekantoor
en gaat met zijn cognossement en charterpapieren naar het huis van
Jakobszoon en Olins.
"Hoezee! Gij zijt aan de plunderende Geuzen ontsnapt, mijn waarde
kapitein Blanco," roept de oudste firmant Jakobszoon uit, een blozend,
zwaarlijvig persoon.
Jan Olins, een man met een net geschoren gelaat en deftige manieren,
merkt op: "Gij hebt er uw schip netjes doorheen gebracht. Als het
gouvernement deze Hollandsche vrijbuiters niet weet te verdelgen,
is het gedaan met den handel van Antwerpen."
Daarop noodigen de twee heeren hun kapitein, die zich zoo flink
gehouden heeft, uit, om met hen te soupeeren. "Ga met ons mede,"
zegt Jakobszoon, "het is juist de avond, waarop ik uitga. Wij zullen
een flesch drinken in _De Geschilderde Herberg_."
Doch Guy heeft niet veel lust, om _De Geschilderde Herberg_
te bezoeken, daar hij liever naar Antony Oliver gaat, en hij
verontschuldigt zich dus, onder voorwendsel dat hij naar zijn schip
moet terugkeeren.
"Zoo, gij wilt dus aan boord slapen?" zegt de jongste firmant.
"Waarschijnlijk wel," antwoordt de kapitein, "totdat ik mijn schip
veilig aan de kade heb liggen."
"Nu, de _Engelentoren_ is anders een zeer goede herberg en niet ver
van hier," zegt Jakobszoon. "Zij ligt ook in de buurt van uw schip."
"Dank u, ik zal het onthouden," en afscheid nemend van de twee heeren,
die zeer in hun nopjes schijnen te zijn over de aankomst van hun
schip en zich dientengevolge zeer gastvrij betoonen, staat Chester
weldra voor het geschilderde uithangbord van den barbier.
Het is reeds avond, er brandt geen lamp in het voorhuis en hij wordt
niet herkend door Touraine, die hem binnenlaat. Hij vliegt de trappen
op en wordt, als hij aanklopt, tot zijn onuitsprekelijke vreugde,
terstond binnengelaten door Oliver. En tot zijn even groote vreugde
herkennen de scherpe oogen van den schilder hem niet. Antony is bezig
aan zijn altaarstuk. De ondergaande zon schijnt door het venster en
geeft leven en bezieling aan het gelaat en de goddelijke oogen van
Hermoine de Alva. Met de haast van den minnaar gaat de Engelschman
op het schilderij af. Op Oliver's angstige opmerking: "Wat is er van
uw dienst?" antwoordt hij niets, geheel verdiept als hij is in de
beschouwing van zijn beminde!
"Wat is er van uw dienst, senor?"
"O--ja! Hebt gij den laatsten tijd dikwijls duivenpastei
gegeten?" fluistert Chester ontwakend.
"Morbleu!" roept de Vlaamsche artist uit. "Kapitein--neen, majoor
Guido Amati!"
"Nu niet," zegt de ander kortaf, de deur sluitend, "maar Andrea
Blanco, kapitein van een Spaansch koopvaardijschip met huiden,
talk en Spaanschen wijn in cognossement aan Jakobszoon en Olins,
zijn lading lossende aan de Engelsche kade."
"Maar toch mijn Guido," fluistert de schilder, en de levendige
Fransche Vlaming slaat zijn armen om Guy's hals en geeft hem naar
's lands wijs twee hartelijke zoenen, op iedere wang één.
"Is uw factotum hier?" vraagt de Engelschman een weinig brusk, want
hij is niet gesteld op zulk een teedere begroeting.
"O, ik heb Achille vandaag vrijaf gegeven. Hij is beneden bij zijn
familie," zegt Oliver. "Doch wat brengt u hier? Mademoiselle Hermoine?"
"Is zij hier--in Antwerpen?" roept Guy opgewonden uit, terwijl
zijn hart onstuimig begint te kloppen en zijn oogen schitteren van
verlangen.
"Neen, zij is gelukkig in Brussel."
"_Gelukkig_?"
"Ja, omdat het u is aan te zien, dat gij alles zoudt trotseeren om haar
te spreken te krijgen, en dat met vijf duizend kronen op uw hoofd."
"_Vijf duizend_?"
"Ja--gij zijt onlangs in prijs gestegen. Alva heeft gehoord, hoe
gij de Geuzen op hem hebt afgezonden met kruit en kogels, om zich
met geweld te verschaffen, wat zij voor hun levensonderhoud noodig
hebben. Geen proviand, geen water, maar overvloed van kruit, hè? Dat
was een mooie poets, die ge hem hebt gespeeld. Doch koningin Elizabeth
heeft u opnieuw vogelvrij verklaard en Alva heeft laten afkondigen,
dat uw hoofd vijf duizend kronen waard is. Parbleu! wat haat hij
u! Als hij eens wist--" en de schilder barst in lachen uit en vervolgt
daarna ernstig:
"Wat is de reden, dat gij dit geduchte waagstuk opnieuw onderneemt,
Guido?"
"Grendel de deur en luister," fluistert de Engelschman. Als dit
gedaan is, begint hij op halfluiden toon: "Bij mijn laatste bezoek
hier maakte ik mij meester van de liefde van Alva's dochter. Bij dit
bezoek zal ik mij meester maken van al het goud, dat Alva door zijn
tienden penning heeft bijeengebracht."
"Diable! gij zijt dol!"
"Luister en oordeel of ik het ben," en een stoel krijgend,
vertelt Chester de vreemde geschiedenis van Paciotto's biecht en
_post-mortem_-wraak op den dictator der Nederlanden.
Antony luistert vol aandacht naar zijn wonderbaarlijk verhaal en kan
zoo nu en dan een uitroep van verbazing niet onderdrukken. Aan het
einde gekomen, laat Guy de teekeningen van de sleutels zien en het
plan van de onderaardsche gang onder het bastion, en zegt: "Gelooft
gij het nu?"
"Ja," antwoordt de schilder langzaam, "ik geloof u! Alva heeft zijn
troepen in den waan gebracht, dat het standbeeld dienst doet als zijn
schatkamer. Alva wist, dat Vlissingen het drie dagen zou uithouden,
alvorens zich over te geven. Hij heeft dus Paciotto opzettelijk
daarheen gezonden. Ik geloof u!"
"Dan," zegt Guy, "krijgt gij een derde gedeelte van Alva's geld,
als gij het mij helpt buitmaken."
"Van harte gaarne!" antwoordt Oliver vol vuur. "Mijn deel zal voor mijn
vaderland bestemd zijn, niet voor mijzelven. Ik zal Alva beoorlogen
met zijn eigen tienden penning. Maar gij hebt zeker honger."
"Neen, ik heb aan boord gegeten."
"Oho, verliefden hebben geen honger!"
"Zoo is het. Maar hoe gaat het haar? Gij zijt in Brussel geweest--hoe
maakt zij het?"
"Ja, ik ben eerst twee dagen geleden weer thuis gekomen," antwoordt
de schilder zuchtend. "Ik wilde nog de laatste hand leggen aan mijn
altaarstuk, eer ik ten strijde ga."
"Gij ten strijde?"
"Ik moet. Kan ik, nu al de Nederlandsche gewesten naar de wapenen
grijpen, rustig thuis blijven? En buitendien, mijn positie wordt
met den dag gevaarlijker. Ik zal weldra moeten vluchten. Nom de
Dieu, het ging laatst bij het walletje langs," vervolgt Oliver,
"het was op den dag, toen de tijding kwam, dat de Watergeuzen den
Briel hadden ingenomen."
"Hoe? Waart gij in gevaar?"
"Oordeel zelf. Gij weet, dat deze belasting iedereen te gronde
richt. De bakkers willen niet meer bakken, de slagers niet meer
slachten, het volk wil geen handel meer drijven. Dit beviel Zijne
Hoogheid Alva slecht; hij zond dus om zijn beul en beval hem, achttien
stroppen en evenveel ladders van twaalf voet lengte te maken en
de achttien voornaamste bakkers van Brussel in hun eigen deurpost
op te knoopen, als een waarschuwend voorbeeld voor de anderen, om
terstond met bakken te beginnen. Dienzelfden avond kwam het nieuws
van de inneming van den Briel en redde hen, want die tijding bracht
de hoofdstad in opschudding en Alva's gedachten werden er zoo geheel
door in beslag genomen, dat hij de bakkers vergat. 's Morgens zond
hij dadelijk om mij. 'Oliver,' zeide Zijne Hoogheid, 'zoek mij den
kerel, die dat heeft vervaardigd.' En hij duwde mij een caricatuur van
zichzelven, waarop hij gejaagd naar zijn bril zoekt, onder den neus,
met het onderschrift:
'Op den eersten van April
Verloor duc d'Alf zijn bril.'
'Deze schandelijke en brutale caricatuur,' vervolgde Zijne
Hoogheid, 'heeft men aangeplakt gevonden tegen mijn paleis. Gij
moet den verwenschten kladschilder zoeken.' 'Hoe kan ik dat, Uwe
Hoogheid?' stamelde ik. 'Dat kunt gij beter dan iemand anders. Gij
zijt een kunstenaar,' snauwde de Hertog. 'Ik laat mij hangen, als de
schurk niet denzelfden stijl van teekenen heeft als gij. Hij moet
onder denzelfden meester gewerkt hebben. Gij moet dien oproerling,
dien kladschilder vinden!' Zoo ging ik heen, doch mijn knieën knikten,
want die schilder was ikzelf! Maar ik zit op gloeiende kolen, ik
kan dat niet langer uithouden, ik ben van plan te gaan vechten--en
misschien te sterven, maar als een man, met het zwaard in de vuist,
niet als een misdadiger op de pijnbank."
"En Dona Hermoine," viel Guy hem in de rede, "wat zeide zij er van?"
"Waarvan?"
"Van het nieuws van de inneming van den Briel?"
"Ik geloof, dat zij daar in het geheel geen notitie van genomen
heeft. Die jonge dame denkt aan niets anders dan aan raouts en
feesten," antwoordt de schilder, "en bemoeit zich niet met politiek. En
dan heeft zij een vurigen aanbidder in generaal Noircarmes--"
"Alle duivels!--heeft zij mij vergeten?" buldert de Engelschman.
"Neen, ik denk eer, omdat zij veel aan u denkt."
"Hoezoo?"
"Wel, de eerste weken, nadat gij weg waart, was zij altijd zeer
opgeruimd; er was aan Alva's hof geen tweede gelaat, dat zoo straalde,
geen tweede paar oogen, dat zoo schitterde, niemand, die zooveel geest
ten toon spreidde, en er zijn vele schoone vrouwen in Brussel. En
toen--"
"Nu, wat toen?"
"Toen werd zij treurig en had blijkbaar verdriet."
"Wat was de reden daarvan? Weet gij het niet?"
"Ja, ik vermoed het."
"Wat dan?"
"Gij!"
"Ik?"
"Ja. Er kwam bericht uit Middelburg, dat uw gedrag veel te wenschen
overliet, mijn jongen," zegt Oliver, inwendig lachend.
"Mijn gedrag veel te wenschen overliet?"
"Zeer veel," lacht Oliver. "Het rapport luidde, dat bij de ontvangst
van zijn bevordering, majoor Guido Amati eenige dagen aan den rol
ging en zich bezondigde aan allerlei uitspattingen."
"Goede hemel! Die ellendige schurk!"
"Dat is hij," stemt Oliver toe.
"Hij--hij zal mij nog in het verderf storten! Zij zal mij voor een
ondankbaren ellendeling houden! Vervl....! dat mijn goede naam moet
afhangen van dien dronkaard, dat verloopen sujet!" roept Guy woedend
uit. "Wat zal ik doen? Geef mij raad, Oliver. Ik moet naar Middelburg
en hem naar de andere wereld zenden, eer hij mij van alle hoop op
geluk berooft."
"Dat zou ik niet doen," lacht Oliver, "want als gij majoor Guido
Amati doodt, zal Hermoine de Alva in den rouw gaan."
"In den rouw over hem?"
"Neen, over u. Als ik mij niet vergis, heeft zij u innig lief. Doch
uw gedrag, mijn beste jongen, maakt haar diep ongelukkig." En de
schilder kan zich niet meer inhouden, maar barst in lachen uit en
zegt op spottenden toon: "Diable, ik zie u al, boete doende voor
de zonden van majoor Guido Amati aan de voeten van uw beminde! Kom,
laten wij nu gaan soupeeren."
"Ik kan niet eten. Lach mij niet uit."
"Waarom niet? Als Hermoine zich het gedrag van den wilden majoor Guido
Amati niet aantrok, dan was er reden, om uw eetlust te verliezen. Als
Dona Hermoine de Alva ophoudt belang te stellen in het doen en laten
van majoor Guido Amati, dan eerst is het tijd voor Guy Chester om
wanhopig te worden."
"Als gij de zaak van dien kant beschouwt, hebt gij gelijk, en ik zal
dus maar met u gaan soupeeren," antwoordt Guy, weer moed scheppend.
En het tweetal verlaat Oliver's woning, niet om naar een der groote
herbergen van Antwerpen te gaan, maar naar den dichtbijgelegen
_Engelentoren_, waar hun niet veel bijzonders wordt voorgezet, ofschoon
Guy nu eensklaps een goeden eetlust krijgt--ondanks de slechte keuken
en den zuren wijn.
In Oliver's woning teruggekeerd, gaan zij beraadslagen over de zaak,
die Guy in de stad zijner vijanden heeft gebracht, en maken het
volgende plan. Chester zal op de gewone wijze zijn schip gaan lossen,
terwijl Oliver de noodige inlichtingen zal zien te verkrijgen en de
sleutels zal laten maken.
"Het is niet raadzaam, ze alle drie bij denzelfden slotenmaker te
laten vervaardigen. Ik zal een kopie van deze teekeningen maken, en
wel van iederen sleutel op een afzonderlijk stuk papier. Gij bewaart
de oorspronkelijke teekeningen. Ik breng de teekening van nº. 1 naar
een slotenmaker, dien ik ken, de teekening van nº. 2 naar een in een
ander gedeelte der stad. Neen, het is nog beter, dat ik de twee andere
sleutels elders laat maken, daar de verschillende slotenmakers in de
stad er met elkaar over zouden kunnen spreken, want het zijn vreemde
sleutels en zij zullen veel geld kosten."
"Dat komt er niet op aan," zegt Guy, "ik heb geld genoeg."
Zij spreken dus af, dat een van de sleutels in Antwerpen, een in
Mechelen en een in Brussel zal worden gemaakt. Antony zal ook onderzoek
doen naar het huis bij de Esplanade en zien, of het er uitziet,
zooals het beschreven is en of de oude doofstomme Spaansche vrouw er
nog woont. "Ik vertrek onmiddellijk naar Brussel, om een der sleutels
te laten maken en den tweeden geef ik in Mechelen," zegt Oliver.
"Laat mij naar Brussel gaan," zegt Guy levendig. "Gij hebt hier genoeg
te doen."
"En gij dan niet?--moet uw schip niet gelost worden? En buitendien,"
antwoordt Antony, "is het niet om den sleutel, dat gij naar Brussel
wenscht te gaan. Het is om Hermoine de Alva." En hij vervolgt
op ernstigen toon: "Laat zij doen wat zij wil, of denken wat zij
wil, maar zoek haar in Godsnaam niet op, eer wij dit zaakje hebben
opgeknapt. Als men argwaan tegen u opvat, is alles verloren. Vergeet,
dat gij majoor Guido Amati de Medina zijt, een lichtzinnig soldaat
en de minnaar van de dochter van den Onderkoning; wees enkel Andrea
Blanco, een eenvoudig koopvaardij-kapitein, die alleen belang stelt
in grog en chartergeld; begin morgen vroeg uw schip te lossen."
"Vooruit dan maar," zucht Guy, die moet erkennen, dat de raad van
den schilder verstandig is, al is hij ook niet naar zijn smaak. "Ik
zal terstond aan boord gaan."
"Dat kunt gij niet. Gij moet vannacht bij mij blijven. De poorten zijn
gesloten, en er is geen jonge dame bij de hand, om u het wachtwoord te
geven of u een gouvernements-barge aan te bieden, om u veilig buiten
Antwerpen te brengen!" lacht Oliver en voegt er ernstiger aan toe:
"Tête Dieu! gij zijt toen den dans nog maar even ontsprongen. Het
was bekend geworden, dat gij hier waart. Alleen Alva's dochter kon
u nog redden. Onthoud, dat Hermoine de Alva u, en misschien ook mij,
dien nacht behoed heeft voor den brandstapel of de galg. En nu vijf
duizend kronen op uw hoofd,"--de schilder zucht.
Maar ondanks deze sombere herinneringen, brengen de beide jonge mannen
een genoeglijken avond door bij een flesch wijn in het atelier van
den schilder, en spreken over Antony's altaarstuk, dat zoo goed als
af is. De mooie oogen van Hermoine de Alva kijken haar Engelschen
minnaar aan, alsof zij hem opnieuw welkom heeten in de stad zijner
vijanden--maar toch ook de stad zijner liefde.