HOOFDSTUK XIII.

"GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!"

"Dat is een vreemde boodschap, Dona de Alva," antwoordt de oude man,

buigend tot op den grond. "Waarom wenscht gij, dat mijn dochter

Antwerpen zal verlaten?"

"Omdat het bevel onderweg is van Brussel, uw dochter te vatten en

naar het Spinhuis te brengen."

"Het Spinhuis! Lieve hemel! Een fatsoenlijke opsluiting zou de deerne

geen kwaad doen," zegt de oude man op gestrengen toon. "Zij is den

laatsten tijd koppig en onhandelbaar. Heeft zij een stadsverordening

lichtzinnig overtreden? Misschien draagt zij haar sleep langer, dan

een burgermeisje veroorloofd is. Wij zenden onze koppige dochters en

zelfs onze vrouwen wel eens naar de heilzame stilte van het Spinhuis,

Dona de Alva."

"Dat gedeelte van het Spinhuis bedoel ik niet."

"Groote God, gij bedoelt toch niet--het gedeelte voor slechte

vrouwen--het uitvaagsel van de stad?" stamelt Bodé Volckers.

"Ja."

"Barmhartige God! Met de afgrijselijke geeseling tot welkom en

afscheid, die zij dezen armen schepels geven?"

"Ja."

"Mijn Mina!" gilt de oude man. "Mijn Mina!" zijn handen wanhopig

wringend. Dan roept hij uit:

"Voor welke misdaad?--voor welke misdaad zendt men mijn dochter naar

de ergste misdadigsters--voor welke misdaad?"

"Zij is de verloofde van Antony Oliver, den verrader."

"Oliver, de onder-secretaris van uw vader?"

"Ja. Men veronderstelt, dat zij bekend was met zijn verraad. Oliver

is gisteren uit Brussel gevlucht. Zend uw dochter uit Antwerpen. Ik

kan het niet verdragen, dat een vrouw, onschuldig of schuldig, zoo

diep vernederd en verlaagd zal worden," vervolgt Hermoine, bijna even

wanhopig, want de oude man staat maar steeds zijn handen te wringen

en schijnt niet in staat tot handelen.

Doch nu wordt de woede van den Vlaamschen vader wakker. Zijn tranen

houden op te vloeien. Zijn oogen nemen een dreigende uitdrukking

aan. Hij plaatst zich vlak voor de schoone dochter van den man,

die zijn kind wil vernederen, en sist: "Maar uw vader, van wien dit

uitgaat, Alva, de tyran, de lafaard, de verdrukker--"

"Gij vergeet, burger, dat gij over den Viceroy spreekt tegen zijn

dochter,"--haar toon is bevelend, doch weemoedig. "Ik vergeef u uw

verraad, want gij weet niet, wat gij zegt. Maar waag het niet, mijn

vaders staatkunde te critiseeren. Daarin meng _ik_ mij zelfs niet,

ofschoon ik walg van al dat bloed, walg van de terechtstellingen op

de markt en de wreede moorden, die het leger bedrijft. Iederen dag

smeek ik de Heilige Maagd, dat zij het hart van mijn vader zachter

moge stemmen. Iederen avond bid ik: 'Geen bloed meer.' God alleen

weet, hoe ik hem tot barmhartigheid heb aangespoord, maar hij wil

niet luisteren. Hij zegt, dat het staatkunde is, en dat hij zoo

genadig is, als God, de kerk en zijn koning het hem veroorloven, en

hij gaat voort met de terechtstellingen. Telkens als ik een vrouw in

het zwart zie, vrees ik, dat het door mijn vaders toedoen is. Ik ben

hier om uw dochter te redden. Breng haar weg! Als gij het niet kunt,

zal ik het doen."

En als zij ziet, dat de oude man zóó ontsteld is, dat hij nauwelijks

kan loopen, roept zij ongeduldig uit: "Zorg voor een boot--een schip,

_spoedig_! Het is haar eenige kans. Breng haar naar een ander land,

naar een andere stad, waar mijn vader niet regeert. Denkt gij, dat

hij iemand vergeven zal, die door liefde of bloed verbonden is met

dezen Oliver, die zijn vertrouwen bezat, die zijn brood at en die hem

heeft verraden? Haast u, breng haar buiten Antwerpen! Maar blijf, het

is beter, dat ik het doe. Ik heb niets te vreezen, gij zoudt gestraft

kunnen worden, omdat gij uw eigen kind hadt gered. Breng uw dochter

hier. Daar gij niet in staat zijt te handelen, zal ik het u voor doen."

Haar beslist optreden schijnt den ouden man te imponeeren. Hij snikt:

"God zegene u! Ofschoon gij uw vaders dochter zijt--God zegene u! Ik

weet iemand, die het kan doen. Er is een schip, dat op hem wacht."

"Op wien?"

"Een verloopen sujet, een dobbelaar, een doordraaier,--die in de kamer

hiernaast is. Als hij niet al te dronken is, kan hij mijn dochter

buiten Antwerpen brengen. Spreek met hem, beveel hem, hij zal de

dochter van Alva gehoorzamen. Het is een Spaansch officier--majoor

Guido Amati."

"Groote goden, wat een aanbeveling!" mompelt Guy, rillend, terwijl hij

doodsbleek wordt, zijn haren te berge rijzen en hij eenige vloeken

uitstoot. Als Bodé Volckers wraak verlangde te nemen op den spion,

die hem schrik wilde aanjagen door hem te bedreigen met het verlies

van leven en geld, had hij zijn doel bereikt, hij behoefde daarvoor

op den doordraaier Guido Amati slechts een blik te werpen.

Men hoort een deur sluiten; Niklaas is blijkbaar naar zijn dochter

gegaan.

Daarop verneemt hij een zwakken zucht, als van wanhoop, en het geruisch

van kant en zijde, alsof een vrouw, overweldigd door haar smart,

er onder dreigt te bezwijken.

God dankende voor dit teeken van zielesmart en liefde, opent Chester

de deur en werpt een blik in het kantoor van Bodé Volckers. Zij zit

daar met het hoofd in haar slanke witte vingers, het breekt haar het

hart, dat hij harer onwaardig is. Het is voor Guy een genot dit te

zien, geen marteling. Als zij niet van hem hield, zou zij zich zijn

uitspattingen dan zoo aantrekken? Als zij hem niet beminde, zou zij

er dan zoo diep onder gebukt gaan, dat Guido Amati zulk een losbol is?

Met deze gedachten vervuld, komt Guy met lichte stappen de kamer

binnen en sluit de deur. Hij wil vijf minuten hebben voor een

verklaring,--voor zijn liefde.

Overstelpt door haar verdriet, hoort het meisje hem niet, doch door

het geluid, dat het omdraaien van het slot van de deur veroorzaakt,

springt zij op, en zich fier oprichtend, vraagt zij op hooghartigen

en snijdenden toon, ofschoon haar blanke handen beven: "Is dit het

besluit van uw tweemaandelijksch feestgelag, waarmee gij uw bevordering

hebt gevierd, majoor Guido Amati de Medina?" en zij voegt er spottend

aan toe: "Waarschijnlijk zult gij niet lang genieten van uw nieuwen

rang. Het verlaten van uw post in Middelburg zonder verlof, in het

aangezicht van den vijand, is desertie--"

"Zonder verlof," valt Chester haar in de rede, "waarom denkt gij dat?"

"Ik weet het! Graaf de Beauvois, gouverneur van Middelburg, heeft

mij op zijn woord beloofd, dat hij geen verlof zal geven aan majoor

Guido Amati."

"Dan heb ik het aan uw invloed te danken," zegt Guy op treurigen toon,

"aan den invloed van de vrouw, die ik eens dacht, dat mij liefhad, dat

Beauvois mij voortdurend binnen de muren van de stad heeft gehouden en

mij heeft belet, daarheen te gaan, waar mijn hart mij heendreef. Gij

waart bevreesd dat ik in Brussel zou komen."

"Eerst nadat ik had vernomen dat gij mij vergeten waart."

"Dat was een leugen!"

"Een leugen?"

"Ja, een leugen; evenals alles wat men u van mij heeft verteld,

evenals hetgeen die laaghartige kerel u nog geen tien minuten geleden

vertelde,--dat ik een dronken losbol was, te dronken om te voldoen aan

hetgeen gij mij zoudt verzoeken. Zie ik er uit, alsof ik dronken ben?"

Zij kijkt hem aan. Op zijn knap gelaat zijn volstrekt niet de

sporen van uitspattingen te lezen. Zijn schitterende oogen kijken

haar verontwaardigd en toch verliefd aan. Hij staat hoog opgericht

voor haar en zij roept uit: "Neen, neen, gij zijt bekwaam tot alles,

wat een vrouw u zou kunnen verzoeken."

"Evenals ik nu nuchter ben, terwijl hij zeide, dat ik dronken was,

zoo was ik ook nuchter in Middelburg, toen men uitstrooide, dat ik een

verloopen sujet was. Het was een leugen, een leugen, verzonnen door

een medeminnaar. Wie is mijn medeminnaar? Is het Noircarmes?" en hij

gaat voor haar staan. "Zeg mij, hebt gij woorden van liefde met hem

gewisseld, met mijn ring aan uw vinger?" En naar haar vinger kijkend,

schrikt hij en roept uit: "Groote God, de ring is weg!" en hij barst

uit: "Ziet gij, dat ik trouwer ben dan gij?"

En als Guy haar den robijn voorhoudt, slaat zij haar oogen neer,

maar zij ziet er zoo onbeschrijfelijk lief uit, dat hij haar aan zijn

borst had kunnen dooddrukken. Deze oogen, die zij eerst voor hem heeft

neergeslagen en waarmee zij hem nu aankijkt, zijn niet de oogen der

Madonna op het schilderij, of van het miniatuur, waarmee hij zijn

onrustig: hart maandenlang tot bedaren heeft trachten te brengen,

maar de zielvolle, hartstochtelijke, _werkelijke_ oogen van Hermoine

de Alva.

Het is niet de onbeweeglijke gedaante op het doek, die daar voor hem

staat, maar de levende aanminnigheid van werkelijk vleesch en bloed

en beweeglijke vrouwelijkheid.

"Nu ben ik de rechter, niet gij!" roept hij uit. "Antwoord mij!" want

zij wordt beurtelings rood en bleek en stamelt als een schuldige:

"Vergeef mij!"

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 41 / 73 题