"GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!"
"Dat is een vreemde boodschap, Dona de Alva," antwoordt de oude man,
buigend tot op den grond. "Waarom wenscht gij, dat mijn dochter
Antwerpen zal verlaten?"
"Omdat het bevel onderweg is van Brussel, uw dochter te vatten en
naar het Spinhuis te brengen."
"Het Spinhuis! Lieve hemel! Een fatsoenlijke opsluiting zou de deerne
geen kwaad doen," zegt de oude man op gestrengen toon. "Zij is den
laatsten tijd koppig en onhandelbaar. Heeft zij een stadsverordening
lichtzinnig overtreden? Misschien draagt zij haar sleep langer, dan
een burgermeisje veroorloofd is. Wij zenden onze koppige dochters en
zelfs onze vrouwen wel eens naar de heilzame stilte van het Spinhuis,
Dona de Alva."
"Dat gedeelte van het Spinhuis bedoel ik niet."
"Groote God, gij bedoelt toch niet--het gedeelte voor slechte
vrouwen--het uitvaagsel van de stad?" stamelt Bodé Volckers.
"Ja."
"Barmhartige God! Met de afgrijselijke geeseling tot welkom en
afscheid, die zij dezen armen schepels geven?"
"Ja."
"Mijn Mina!" gilt de oude man. "Mijn Mina!" zijn handen wanhopig
wringend. Dan roept hij uit:
"Voor welke misdaad?--voor welke misdaad zendt men mijn dochter naar
de ergste misdadigsters--voor welke misdaad?"
"Zij is de verloofde van Antony Oliver, den verrader."
"Oliver, de onder-secretaris van uw vader?"
"Ja. Men veronderstelt, dat zij bekend was met zijn verraad. Oliver
is gisteren uit Brussel gevlucht. Zend uw dochter uit Antwerpen. Ik
kan het niet verdragen, dat een vrouw, onschuldig of schuldig, zoo
diep vernederd en verlaagd zal worden," vervolgt Hermoine, bijna even
wanhopig, want de oude man staat maar steeds zijn handen te wringen
en schijnt niet in staat tot handelen.
Doch nu wordt de woede van den Vlaamschen vader wakker. Zijn tranen
houden op te vloeien. Zijn oogen nemen een dreigende uitdrukking
aan. Hij plaatst zich vlak voor de schoone dochter van den man,
die zijn kind wil vernederen, en sist: "Maar uw vader, van wien dit
uitgaat, Alva, de tyran, de lafaard, de verdrukker--"
"Gij vergeet, burger, dat gij over den Viceroy spreekt tegen zijn
dochter,"--haar toon is bevelend, doch weemoedig. "Ik vergeef u uw
verraad, want gij weet niet, wat gij zegt. Maar waag het niet, mijn
vaders staatkunde te critiseeren. Daarin meng _ik_ mij zelfs niet,
ofschoon ik walg van al dat bloed, walg van de terechtstellingen op
de markt en de wreede moorden, die het leger bedrijft. Iederen dag
smeek ik de Heilige Maagd, dat zij het hart van mijn vader zachter
moge stemmen. Iederen avond bid ik: 'Geen bloed meer.' God alleen
weet, hoe ik hem tot barmhartigheid heb aangespoord, maar hij wil
niet luisteren. Hij zegt, dat het staatkunde is, en dat hij zoo
genadig is, als God, de kerk en zijn koning het hem veroorloven, en
hij gaat voort met de terechtstellingen. Telkens als ik een vrouw in
het zwart zie, vrees ik, dat het door mijn vaders toedoen is. Ik ben
hier om uw dochter te redden. Breng haar weg! Als gij het niet kunt,
zal ik het doen."
En als zij ziet, dat de oude man zóó ontsteld is, dat hij nauwelijks
kan loopen, roept zij ongeduldig uit: "Zorg voor een boot--een schip,
_spoedig_! Het is haar eenige kans. Breng haar naar een ander land,
naar een andere stad, waar mijn vader niet regeert. Denkt gij, dat
hij iemand vergeven zal, die door liefde of bloed verbonden is met
dezen Oliver, die zijn vertrouwen bezat, die zijn brood at en die hem
heeft verraden? Haast u, breng haar buiten Antwerpen! Maar blijf, het
is beter, dat ik het doe. Ik heb niets te vreezen, gij zoudt gestraft
kunnen worden, omdat gij uw eigen kind hadt gered. Breng uw dochter
hier. Daar gij niet in staat zijt te handelen, zal ik het u voor doen."
Haar beslist optreden schijnt den ouden man te imponeeren. Hij snikt:
"God zegene u! Ofschoon gij uw vaders dochter zijt--God zegene u! Ik
weet iemand, die het kan doen. Er is een schip, dat op hem wacht."
"Op wien?"
"Een verloopen sujet, een dobbelaar, een doordraaier,--die in de kamer
hiernaast is. Als hij niet al te dronken is, kan hij mijn dochter
buiten Antwerpen brengen. Spreek met hem, beveel hem, hij zal de
dochter van Alva gehoorzamen. Het is een Spaansch officier--majoor
Guido Amati."
"Groote goden, wat een aanbeveling!" mompelt Guy, rillend, terwijl hij
doodsbleek wordt, zijn haren te berge rijzen en hij eenige vloeken
uitstoot. Als Bodé Volckers wraak verlangde te nemen op den spion,
die hem schrik wilde aanjagen door hem te bedreigen met het verlies
van leven en geld, had hij zijn doel bereikt, hij behoefde daarvoor
op den doordraaier Guido Amati slechts een blik te werpen.
Men hoort een deur sluiten; Niklaas is blijkbaar naar zijn dochter
gegaan.
Daarop verneemt hij een zwakken zucht, als van wanhoop, en het geruisch
van kant en zijde, alsof een vrouw, overweldigd door haar smart,
er onder dreigt te bezwijken.
God dankende voor dit teeken van zielesmart en liefde, opent Chester
de deur en werpt een blik in het kantoor van Bodé Volckers. Zij zit
daar met het hoofd in haar slanke witte vingers, het breekt haar het
hart, dat hij harer onwaardig is. Het is voor Guy een genot dit te
zien, geen marteling. Als zij niet van hem hield, zou zij zich zijn
uitspattingen dan zoo aantrekken? Als zij hem niet beminde, zou zij
er dan zoo diep onder gebukt gaan, dat Guido Amati zulk een losbol is?
Met deze gedachten vervuld, komt Guy met lichte stappen de kamer
binnen en sluit de deur. Hij wil vijf minuten hebben voor een
verklaring,--voor zijn liefde.
Overstelpt door haar verdriet, hoort het meisje hem niet, doch door
het geluid, dat het omdraaien van het slot van de deur veroorzaakt,
springt zij op, en zich fier oprichtend, vraagt zij op hooghartigen
en snijdenden toon, ofschoon haar blanke handen beven: "Is dit het
besluit van uw tweemaandelijksch feestgelag, waarmee gij uw bevordering
hebt gevierd, majoor Guido Amati de Medina?" en zij voegt er spottend
aan toe: "Waarschijnlijk zult gij niet lang genieten van uw nieuwen
rang. Het verlaten van uw post in Middelburg zonder verlof, in het
aangezicht van den vijand, is desertie--"
"Zonder verlof," valt Chester haar in de rede, "waarom denkt gij dat?"
"Ik weet het! Graaf de Beauvois, gouverneur van Middelburg, heeft
mij op zijn woord beloofd, dat hij geen verlof zal geven aan majoor
Guido Amati."
"Dan heb ik het aan uw invloed te danken," zegt Guy op treurigen toon,
"aan den invloed van de vrouw, die ik eens dacht, dat mij liefhad, dat
Beauvois mij voortdurend binnen de muren van de stad heeft gehouden en
mij heeft belet, daarheen te gaan, waar mijn hart mij heendreef. Gij
waart bevreesd dat ik in Brussel zou komen."
"Eerst nadat ik had vernomen dat gij mij vergeten waart."
"Dat was een leugen!"
"Een leugen?"
"Ja, een leugen; evenals alles wat men u van mij heeft verteld,
evenals hetgeen die laaghartige kerel u nog geen tien minuten geleden
vertelde,--dat ik een dronken losbol was, te dronken om te voldoen aan
hetgeen gij mij zoudt verzoeken. Zie ik er uit, alsof ik dronken ben?"
Zij kijkt hem aan. Op zijn knap gelaat zijn volstrekt niet de
sporen van uitspattingen te lezen. Zijn schitterende oogen kijken
haar verontwaardigd en toch verliefd aan. Hij staat hoog opgericht
voor haar en zij roept uit: "Neen, neen, gij zijt bekwaam tot alles,
wat een vrouw u zou kunnen verzoeken."
"Evenals ik nu nuchter ben, terwijl hij zeide, dat ik dronken was,
zoo was ik ook nuchter in Middelburg, toen men uitstrooide, dat ik een
verloopen sujet was. Het was een leugen, een leugen, verzonnen door
een medeminnaar. Wie is mijn medeminnaar? Is het Noircarmes?" en hij
gaat voor haar staan. "Zeg mij, hebt gij woorden van liefde met hem
gewisseld, met mijn ring aan uw vinger?" En naar haar vinger kijkend,
schrikt hij en roept uit: "Groote God, de ring is weg!" en hij barst
uit: "Ziet gij, dat ik trouwer ben dan gij?"
En als Guy haar den robijn voorhoudt, slaat zij haar oogen neer,
maar zij ziet er zoo onbeschrijfelijk lief uit, dat hij haar aan zijn
borst had kunnen dooddrukken. Deze oogen, die zij eerst voor hem heeft
neergeslagen en waarmee zij hem nu aankijkt, zijn niet de oogen der
Madonna op het schilderij, of van het miniatuur, waarmee hij zijn
onrustig: hart maandenlang tot bedaren heeft trachten te brengen,
maar de zielvolle, hartstochtelijke, _werkelijke_ oogen van Hermoine
de Alva.
Het is niet de onbeweeglijke gedaante op het doek, die daar voor hem
staat, maar de levende aanminnigheid van werkelijk vleesch en bloed
en beweeglijke vrouwelijkheid.
"Nu ben ik de rechter, niet gij!" roept hij uit. "Antwoord mij!" want
zij wordt beurtelings rood en bleek en stamelt als een schuldige:
"Vergeef mij!"