HOOFDSTUK VIII.

"ONBEREIKBAAR!"

"Kijk," zegt de schilder, en brengt Chester naar een venster aan

de straat.

Deze ziet, verscholen achter de gordijnen in Bodé Volckers' huis,

den man van ijzer en bloed, voor wien de menigte siddert en beeft,

zich diep buigen over den zadelknop voor de koets van zijn dochter,

terwijl zijn gelaat wordt verhelderd door den glans van vaderliefde

in zijn oogen.

"Drommels! Mij dunkt, dat ik mijn rekening met hem heb vereffend,"

mompelt de Engelschman. Dan wendt hij zich haastig tot Antony en zegt:

"Een woord met u. Bij mijn eerste bezoek hier, hebt gij voor mijn

veiligheid den naam van kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk

voor mij uitgedacht. Nu bestaat er werkelijk zulk een kapitein Guido

Amati, die bij Romero's voetvolk dient."

"Zeker bestaat hij," antwoordt Oliver, tot groote verbazing van

Guy. "Ik koos den naam uit de monsterrol van Romero's regiment. Dit

lag toen in Friesland in kwartier, tweehonderd mijlen van hier, de

verst afgelegen provincie van Nederland, en ik vond het beter u een

naam te geven, die kon worden geverifiëerd. Maar wat zou dat?"

"Wat dat zou?" antwoordt Guy norsch. "Alleen dit, dat ik juist heb

vernomen, dat Guido Amati om mijnentwil is bevorderd tot majoor in

zijn regiment; dat kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk geen al

te besten naam heeft,--misschien zijn er wel dames in het spel,--en

dat majoor Guido Amati juist een scherpe vermaning heeft gekregen om

zich voortaan beter te gedragen. Voor den duivel!" vervolgt hij op

woesten toon, "als deze heer, naar wien ik gedoopt ben, zich voortaan

niet wat meer in acht neemt, dan krijgt hij met mij te doen, met mij,

die nu gebukt gaat onder zijn zonden!"

Daarna barst hij in lachen uit, waarmee Oliver instemt, en hij

zegt kalmer: "Maar ik bezit ook de reputatie, dat ik de dapperste

officier van het leger ben. Buitendien ben ik een neef in den derden

graad van den hertog van Medina Coeli en als zoodanig waarschijnlijk

gerechtigd, om mijn hoed op te houden in tegenwoordigheid van Philips

II van Spanje."

"Voortreffelijk, mijn grande," antwoordt Antony met een glimlach. "Hier

is de nota van hetgeen de gravin De Pariza op uw kosten heeft

gekocht--tweehonderd gulden! Dat is uw aandeel in de zaak. Als Zijne

Hoogheid de Hertog van Alva hier niet voorbij was gekomen, zou zij,

geloof ik, het geheele magazijn van Bodé Volckers hebben leeggekocht."

"A--ah," zucht Guy, de nota inkijkend, "ik zou nog heel wat meer willen

geven voor een tweede _tête-à-tête_ met mijn--mijn aanstaande vrouw,"

en hij moet een traan wegpinken, als hij denkt aan het schoone wezen,

wier liefde hij heeft veroverd _à coup de main_.

"_Uw aanstaande vrouw_!" roept Oliver verbaasd uit. "Morbleu! gij

hebt er geen gras over laten groeien. Bij den hemel, als Alva u ooit

in handen krijgt en dit te weten komt, dan wee u, vermetele jonge

man! Buitendien zult gij er vlug bij moeten zijn, als gij haar ooit

wilt bezitten!"

"Waarom?"

"Alva zal niet lang meer in de Nederlanden blijven. Het land is

onderdrukt en gekneveld (tot rust gebracht, noemt hij het), ofschoon

het overal gist. Hij int den tienden penning en toch betaalt hij zijn

troepen niet. Een gedeelte van het geld zendt hij naar Spanje,--juist

genoeg, om Philips tevreden te stellen, maar de rest--de hemel weet,

wat hij er mee doet, ofschoon ik gis, dat hij het voor zichzelven

naar Italië of Spanje overmaakt, om in rijkdom de gelijke van koningen

te worden."

"Bij Sint George, als ik het in handen kon krijgen!" antwoordt de

Engelschman, terwijl de zeeroover weer in hem ontwaakt. "Dat zou een

bruidsschat zijn, zijn schoone dochter waardig!"

"Zoover als ik ben ingelicht," zegt Oliver, "heeft geen mensch

een oog geslagen op de plaats, waar hij zijn schatten bewaart,

ofschoon ik mijn vermoedens heb. Het groote standbeeld, dat hij

opricht, datzelfde, dat de volgende week in de Citadel zal onthuld

worden, heeft iets zonderlings in zijn afmetingen. Zijn piedestal is

buitengewoon groot. De werklieden, die daartoe gebruikt zijn, komen

uit Italië en staan onder het onmiddellijk toezicht van Paciotto,

den ingenieur. Dezen zijn, nadat zij het piedestal hadden afgemaakt,

rijkelijk beloond, weer ingescheept en naar hun land teruggezonden. Men

heeft niet één hunner toegestaan, in Nederland te blijven. Er is een

geheim in dat standbeeld verborgen!"

Verdere beschouwingen worden afgebroken door de binnenkomst van den

oud-burgemeester en zijn dochter. De oude heer schijnt zeer in zijn

nopjes te zijn.

"Gij blijft zeker het avondeten met mij gebruiken, heeren," zegt

hij. "Het verheugt mij u te kunnen mededeelen, dat mijn dochter

Mina vanmiddag een gehoorzaam meisje is geweest en veel voor mij

heeft verkocht--voor een waarde van vierhonderd gulden aan de

gravin De Pariza, waarvan tweehonderd contant zijn betaald, iets

wat mij nog nooit gebeurd is, zoolang ik met den adel handel. Maar

mijn kleine Mina," en hij vat haar onder de kin, "is ook een echte

koopmansdochter. Zij zal haar lieve moeder nog evenaren."

"Vader," zegt de jonge dame, gebruik makend van de gelegenheid,

"mag ik niet naar de hertogin van Aerschot gaan?"

"Hm, hm! Nu, gij zijt jong, geniet dan maar, laat echter de paarden

niet weer den geheelen nacht wachten; gij weet dat ik ze 's morgens

voor de vrachtwagens noodig heb. Heeren, gij blijft natuurlijk, en

ik zal er u het bewijs van geven, dat mijn dochtertje niet alleen

een goede verkoopster is, maar ook goed kan koken."

"Vader!" roept het jonge meisje verwijtend uit, "gij vergeet, dat

wij een uitstekenden Franschen kok in huis hebben!"

Doch Guy blijft niet, om kennis te maken met de voortreffelijke keuken

in den huize Bodé Volckers. Nu hij de bijeenkomst met zijn brunette

heeft gehad, geeft hij Oliver gelegenheid, er een met zijn blondine te

hebben en vertrekt naar _Het Geschilderde Huis_, waar Antony belooft,

zich dien avond nog bij hem te voegen.

Het is nu donker, en plaats nemend in de gelagkamer, die verlicht is

door olielampen en flikkerende kaarsen, bestelt de Engelschman een

rijkelijk souper, daar hij misschien den geheelen nacht op de been

zal moeten zijn om zijn schip weer te bereiken. Het succes heeft

hem eetlust bezorgd, ofschoon hij nauwelijks weet, wat hij eet, want

zijn geheele maaltijd is een opeenvolging van herinneringen, ieder

op zichzelve een genot. In zijn droomerijen wordt hij plotseling,

en wel op onaangename wijze, gestoord.

Een man, naar zijn kleeding te oordeelen de kapitein van een

koopvaardijschip, komt de kamer binnen, gevolgd door een burger,

en valt met een onderdrukten vloek op een stoel neer aan de tafel

naast die van Chester.

"Voor den duivel!" moppert hij, "een mooie boel, dat men geen verlof

kan krijgen, de stadspoorten door te gaan, om zich naar zijn eigen

schip te begeven. Wat zal er van mijn lading worden, die gedeeltelijk

gelost is? De stuurman en de dronken bemanning zullen zich fraai

gedragen!"

"Blijf bedaard, kapitein," sust zijn metgezel. "Het is een buitengewone

maatregel. Gij zult zonder twijfel morgen bij daglicht de poort

mogen passeeren."

"Ja, en ik word intusschen op de kosten gejaagd van in een herberg

logies te moeten nemen, en mijn gemakkelijke hut staat leeg. Alweer

een gulden, die mij hier in de haven van Antwerpen wordt afgeperst. Als

dit zoo voortgaat, zal de handel hier spoedig geheel verloopen."

"Maar dit zal waarschijnlijk niet licht weer gebeuren," zegt de

koopman. "Van zoo iets heeft men vroeger nooit gehoord."

En het tweetal bespreekt de waaroms van zulk een buitengewone

waakzaamheid aan de poorten.

Dit geval geeft Guy te denken. Hij heeft, toen hij daareven de herberg

binnentrad, dienzelfden kapitein, waarschijnlijk de gast van den

burger, aan een tafeltje het avondeten zien gebruiken. Een half uur

geleden zijn zij vertrokken, de kapitein schijnt de schildwachten niet

te hebben kunnen passeeren. Als er zulke orders zijn uitgevaardigd,

kan het wachtwoord van hedenavond hem waarschijnlijk niet baten. Wat

kan de oorzaak daarvan zijn? Zou het mogelijk wezen, dat men eenig

vermoeden heeft van zijn tegenwoordigheid in de stad?

Terwijl hij hierover nadenkt, komt Oliver binnen met een ernstige

uitdrukking op zijn gelaat. Hij gaat bij Guy zitten en fluistert:

"Ga mee."

"Waarom?" Eveneens fluisterend.

"Er zijn orders uitgevaardigd, dat niemand vannacht de poorten van

Antwerpen mag passeeren."

"De reden?"

"Ik weet het niet; misschien hebben zij lont geroken, dat gij in de

stad zijt. Ga mee naar mijn kamers."

"Neen, ik blijf hier," antwoordt de Engelschman op vasten toon.

"Waarom?"

"Om twee redenen. In de eerste plaats, omdat ik u niet verder

in verdenking wil brengen. En in de tweede plaats, omdat, als er

orders zijn gegeven, dat niemand de poorten mag uitgaan, dit zeer

waarschijnlijk ter oore zal komen van een jonge dame, die belang stelt

in majoor Guido Amati de Medina, officier van Romero's voetvolk,

uit zijn garnizoen afwezig zonder verlof. Zij weet, dat ik hier in

_Het Geschilderde Huis_ ben afgestapt. Hier zal zij mij dus laten

zoeken, als zij mij een boodschap wil zenden. Maar blijf hier niet

bij mij zitten, Oliver. Als men mij kwam arresteeren, terwijl gij

bij mij waart, zoudt gij zelf in verdenking komen,--ga aan een andere

tafel zitten!"

"Ik wil u niet verlaten, daar ik u misschien kan helpen," zegt de

edelmoedige schilder. En hij mompelt plotseling: "Bij den hemel,

misschien is het nu gekomen!"

En zoo is het, ofschoon niet, zooals Antony vreest, want de

kleine vaandrig De Busaco komt parmantig de deur binnen, werpt een

onderzoekenden blik door de kamer en stapt op den Engelschman toe.

"Ik zoek u," zegt hij, terwijl Guy's hand naar den dolk in zijn

wambuis tast. "Ik zoek u, om een van de staats-barges de rivier af

naar Sandvliet te brengen."

"Zoo!"

"Ja, de provoost-geweldige wilde mij geen verlof geven, om vannacht

in Antwerpen te blijven en ik ben toen weer naar de Citadel gegaan,

om het te vragen. Daar gekomen, kreeg ik bevel, bij Dona de Alva te

komen. Zij zeide mij, dat kapitein Amati, die haar barge gisternacht

zoo gelukkig de rivier had opgebracht, juist de man was, om het

vaartuig hedennacht de rivier ook weer af te brengen. Het is belast

met een boodschap van de jonge dame. Zij droeg mij op, u dit briefje

te geven, en u door de Citadel te geleiden naar de plaats, waar gij

gisteravond zijt geland, alwaar de roeiers en een nieuwe bemanning

u wachten,--ik geloof, dat de Watergeuzen de andere gedood hebben."

Dit zeggende, reikt hij den Engelschman een verzegelden brief over

van de hand van haar, die hem zoo dierbaar is.

Alva's zegel verbrekend, leest Guy haastig:

"Mijn liefste Guido!

"Ik kan u niet anders noemen. Het is misschien wel wat spoedig,

maar gij ziet daaruit, hoe ik over u denk.

"Ik heb eerst daareven gehoord, dat de poorten voor iedereen,

die de stad wil verlaten, gesloten zijn, daar een gerucht, dat

de een of andere zeeroover of vogelvrijverklaarde zich binnen de

muren van Antwerpen moet bevinden, het hoofdkwartier heeft bereikt;

wetende hoe noodzakelijk het is voor een officier, die uit Middelburg

afwezig is zonder verlof, om de stad te verlaten, zend ik mijn boot

naar mijn landhuis te Sandvliet, om eenige benoodigdheden te halen,

die ik gisteravond bij mijn overhaast vertrek vergat. Wilt gij nu zoo

vriendelijk zijn, om de boot even veilig de Schelde af te sturen als

gij haar gisteravond de Schelde hebt opgestuurd?

"Vaandrig De Busaco zal u door de Citadel geleiden.

"God biddend" dat Hij over u moge waken en u tot mij terug moge brengen

met evenveel liefde in uw hart als ik in het mijne voor u heb, ben ik,

zooals ik altijd zal zijn,

uw Hermoine."

"Gij schijnt u te verblijden over het bevel, om nu nog zoo laat in

den avond een watertochtje te gaan maken?" lacht De Busaco.

"Ik ben altijd tot de orders van Dona de Alva," antwoordt Guy. "Kom!"

"Haast u dan," antwoordt de kleine vaandrig. "Ik heb verlof

gekregen. Hoe vlugger wij nu vertrekken, hoe eerder ik vrij ben."

Guy betaalt dus haastig zijn gelag en de drie mannen verlaten _Het

Geschilderde Huis_, en de Bagijnenstraat doorgaande, komen zij op de

Esplanade, waar Oliver op zachten toon en met een hartelijken handdruk

zegt: "Vaarwel."

"God zegene u!" antwoordt Guy.

En ofschoon zij geen woord meer wisselen, zegt hun vriendschappelijke

handdruk genoeg.

Eenige minuten later zijn Chester en De Busaco in de Citadel, waar

Guy, terwijl hij over de ophaalbrug en door de groote poort gaat,

verneemt, dat het wachtwoord voor hedenavond veranderd is en nu luidt:

"San Sebastian," contrasigne: "Corpus Christi."

De enceinte overstekend, komen zij weer vlak langs het standbeeld

van Alva, en De Busaco maakt bij zijn neus langs de opmerking:

"Zij hebben zijn arm vandaag opgetrokken. Alles is nu klaar, om hem

de volgende week te onthullen. Caramba! dat beteekent de last van

een groote parade. En nog geen soldij! Op een goeden dag gaan wij de

achterstallige soldij uit dit holle voetstuk opgraven. Alva is slim,

maar zijn troepen zijn ook niet van gisteren!"

Het groote vestingwerk doorgaande, komen zij bij de kleine uitvalpoort

aan de gracht, waar Guy den vorigen nacht landde. Hier worden zij niet

bemoeilijkt. Dezelfde barge, welke de Engelschman de rivier op heeft

gebracht, wacht hem; de roeiers bevinden zich reeds op hun plaats

alsmede de nieuwe bemanning, aan welke De Busaco hem voorstelt als

den officier, die het bevel over de barge op zich zal nemen; daarna

gaat de vaandrig heen met een haastig: "Adio, senor!" want het is

reeds over den tijd, waarop zekere jonge dame in de stad hem wacht.

Juist als de barge van wal wil steken, want Guy vindt het geraden,

zoo min mogelijk te dralen, komt een meisje, een van de Moorsche

kameniers van den vorigen avond, de kleine ophaalbrug op, uitroepend:

"Wacht!--een oogenblik--wacht!"

Daarna fluistert zij tot Guy, die overeind staat in de barge, terwijl

zij hem een zwaren leeren gordel overreikt: "Bind dezen om uw middel,

senor capitan, mijn meesteres beval mij u te zeggen, dat gij er nu

goed op moest passen. Gij liet hem gisteravond zoo achteloos in de

barge liggen."

"O,--dat is waar ook," zegt de Engelschman, wien het liegen niet

moeilijk meer valt. "Ik heb er al naar gezocht. Ik wist niet, waar ik

hem had gelaten," en hem om zijn middel bindend, peinst hij er over,

wat er toch wel in kan zitten.

"Duivels, het is geen reddingstoestel," denkt hij. "Het zou mij doen

zinken als een baksteen."

Maar om 't even, wat het ook moge zijn, hij is er door in de wolken,

want het komt van Hermoine de Alva.

Hij heeft echter niet veel tijd, om zich daar verder mee bezig te

houden, hij had den roeiers reeds gelast, hun riemen uit te slaan,

en de barge is nu van wal gestoken en glijdt voort door de gracht,

die de groote bastions der Spanjaarden omringt.

Vijf minuten later zijn zij in de open rivier, en ofschoon zij het

tij tegen hebben, zijn zij toch op weg naar Sandvliet en gaat hij de

veiligheid tegemoet. Zij passeeren ongemoeid aan de overzijde de stad,

hoewel Guy de lichten van verschillende wacht- en patrouille-booten

kan zien tusschen de schepen langs den oever.

"Doet uw best, jongens," roept de Engelschman opgewekt; "ik geef u

een vat wijn, als wij te Sandvliet zijn."

Aldus aangevuurd, buigen de roeiers zich over hun riemen heen,

terwijl de bootsmansmaat van de barge heel vriendschappelijk met

Chester babbelt, hem vertellend, dat de plaats, waar zij heengaan,

een prachtig zomerkasteel van Alva is, dat somtijds door dezen zelf

wordt gebruikt, maar het meest door zijn dochter, om er te genieten

van de frissche zeewinden, die gedurende de heete zomermaanden over

de Schelde waaien.

"Wij zijn er dit jaar heel vroeg heengegaan," zegt hij, "het weer was

zoo mooi. Gelukkig was ik gisteravond in Antwerpen, anders zou ik nu

ook dood zijn, evenals die arme Antonio en de anderen,--vermoord door

de bloeddorstige Watergeuzen."

Het gesprek met dezen man doet den tijd omsnellen en daar zij den

wind in hun voordeel hebben, zijn zij binnen drie uur bij Fort Lillo.

De vier patrouillebooten zijn hier op haar qui vive en een er van

houdt de barge aan. Als de _Costa Guarda_ zich langszij bevindt, ziet

de commandant, dat het een staats-barge van Alva is; hij ontvangt van

Guy het nieuwe wachtwoord, dat klaarblijkelijk reeds naar Fort Lillo

gezonden was, en zegt, terwijl hij Guy een goede reis wenscht: "Wees

voorzichtig. Er is bericht gekomen, dat de 'Eerste der Engelschen'

hier ergens kruist. Twee galjoenen, de _Santa Cruz_ en de _Heilige

Drieëenheid_, gaan morgen uit om te zien, of zij dien zeeroover

gevangen kunnen nemen."

"Dank voor de inlichtingen," antwoordt Guy, terwijl de boot opnieuw

voortsnelt.

Bij den laatsten dijk, dien de vloed beneden Fort Lillo heeft gespaard,

ziet Guy drie lantaarns op een lijn geplaatst en weet dus, dat zijn

sloep hem daar wacht. Hij zegt eensklaps: "Gij hebt nu het ergste

van den tocht achter den rug en zijt nog slechts een mijl van het

landhuis verwijderd. Hoe heet het?"

"Bella Vista," antwoordt de bootsmansmaat.

"Goed, breng de barge dan naar Bella Vista en kwijt u van de boodschap,

die u is opgedragen. Hier zijn twee goudstukken voor den wijn, dien

ik u en de bemanning beloofd heb. Zet mij hier aan land. Daar wacht

mij een sloep. Ik ga eenden schieten op de overstroomde landen; als

mijn jongens flink doorroeien, ben ik daar met het aanbreken van den

dag. Ik heb haakbussen en een boog in mijn sloep."

De mannen zijn overgelukkig met het geld en zetten Guy vlug aan den

dijk af, waarna zij hun weg vervolgen.

Een paar minuten later begint Guy in de richting van de drie lantaarns

te wenken.

Als hij dit een poosje heeft gedaan, hoort men het geplas van riemen en

komt een sloep zeer behoedzaam door de duisternis nader, waarschijnlijk

een hinderlaag vreezend.

"Ahoy!" roept Guy.

En nu hoort hij Martin Corker roepen: "Vooruit, jongens! Dat is de

stem van den commandant," en met drie of vier krachtige slagen is de

boot aan den dijk.

Een oogenblik later vliegt zij, door gespierde Engelsche armen

voortgeroeid, terug naar de _Dover Lass_. Men kan echter van het

kleine schip niets bespeuren, daar het geen lichten uit heeft; maar

als de sloep licht-signalen geeft, wordt er een lantaarn op het schip

geheschen, om de plaats aan te duiden, waar het zich bevindt.

Aan dek doet Chester's eerste officier hem rapport:

"Ik ben blij, dat gij terug zijt," zegt Dalton. "Wij zouden

waarschijnlijk morgen zijn aangevallen. Er is een patrouilleboot de

rivier afgekomen, zeker om te zien of zij ons konden vinden."

"Wij zullen morgen niet aangevallen worden," lacht Guy, en door de

spreektrompet geeft hij order, het anker in te halen en de zeilen

te hijschen.

"Gij wilt dus niet met de Spanjaarden vechten?"

"Neen, ik wil mijn biezen pakken en direct oversteken naar Engeland. Ik

heb mijn koningin zulk een gewichtige tijding te brengen, dat ik

verraad tegen haar zou plegen, als ik er ook maar een oogenblik

mee talmde."

En de _Dover Lass_, een vlug schip met een talrijke bemanning, is nu

spoedig onder zeil en snelt de Schelde af naar de open zee.

Guy Stanhope Chester heeft zich naar zijn hut begeven, waar hij bezig

is, wat hij op zijn vreemd uitstapje naar Antwerpen heeft buitgemaakt,

achter slot en grendel te bergen.

Zijn schat bestaat uit een pakje brieven in cijferschrift, die

betrekking hebben op den beraamden aanslag tegen Elizabeth van

Engeland, en den sleutel, met behulp waarvan men ze kan lezen;

een ring met een robijn, die voor hem het tastbaar bewijs is, dat

hij de liefde van de dochter van den Onderkoning heeft gewonnen,

en twee briefjes van haar hand.

"Drommels, ik heb mij goed gehouden," denkt Guy. Dan bekijkt hij

het miniatuur-portret, dat hij drie jaren bij zich heeft gedragen,

en mompelt: "Merkwaardig, dat ik haar eindelijk moest vinden

en haar hart winnen. Wie durft nog zeggen, dat de romances zijn

gestorven met de troubadours? Drommels, ik kom mij zelf voor als een

troubadour. Tra-la-la!"--en met den lichten tred van een troubadour

op en neer loopend, roept hij plotseling uit: "Wel, sapperloot, ik

heb nog meer," want de zware gordel om zijn middel herinnert hem aan

het laatste, wat Dona de Alva hem zond.

Als hij hem van nabij beschouwt, bespeurt hij, dat het een zeer sterke

leeren gordel is en zoodanig gemaakt, dat men hem secuur kan omgespen.

En als hij hem geopend heeft, laat hij een half onderdrukt

"bah!" hooren, want de gordel is vol goudstukken, doch een oogenblik

later grijpt hij naar een klein pakje, dat er met de muntstukken uit is

gerold. Daarop barst hij eensklaps in lachen uit: "Wat zie ik?! Haar

portret! Zij wist natuurlijk niet, dat ik er al een van haar had,"

want een ander miniatuur-portret van zijn schoone Castiliaansche

beminde vertoont zich aan zijn verraste oogen. Een briefje is bij

het portret ingesloten.

Het luidt aldus:

"Mijn liefste!

"Ik neem de vrijheid u mijn beeltenis te zenden, opdat zij beter in

uw herinnering moge blijven. Het is u niet vergund, het levende beeld

met u te voeren. God weet, hoezeer ik wensch, dat het zoo ware. Maar

als majoor Guido Amati de Medina eenmaal generaal wordt, zal ik maken,

dat het origineel hem toebehoort--o God! wat een geluk!

"Ik heb de vrijheid genomen, hierbij een honderd goudstukken in te

sluiten. De officieren van het Middelburgsch garnizoen hebben reeds

over het jaar geen soldij ontvangen, en ik zou gaarne zien, dat een

edelman, die eens de dochter van Alva zal huwen, leeft overeenkomstig

zijn stand. Als gij aarzelt, dit van mij aan te nemen, zal ik denken,

dat gij mij niet zoo liefhebt, als ik het u doe. Het is slechts een

klein voorschot op den bruidsschat van uw toekomstige echtgenoote,

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 33 / 73 题