"ONBEREIKBAAR!"
"Kijk," zegt de schilder, en brengt Chester naar een venster aan
de straat.
Deze ziet, verscholen achter de gordijnen in Bodé Volckers' huis,
den man van ijzer en bloed, voor wien de menigte siddert en beeft,
zich diep buigen over den zadelknop voor de koets van zijn dochter,
terwijl zijn gelaat wordt verhelderd door den glans van vaderliefde
in zijn oogen.
"Drommels! Mij dunkt, dat ik mijn rekening met hem heb vereffend,"
mompelt de Engelschman. Dan wendt hij zich haastig tot Antony en zegt:
"Een woord met u. Bij mijn eerste bezoek hier, hebt gij voor mijn
veiligheid den naam van kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk
voor mij uitgedacht. Nu bestaat er werkelijk zulk een kapitein Guido
Amati, die bij Romero's voetvolk dient."
"Zeker bestaat hij," antwoordt Oliver, tot groote verbazing van
Guy. "Ik koos den naam uit de monsterrol van Romero's regiment. Dit
lag toen in Friesland in kwartier, tweehonderd mijlen van hier, de
verst afgelegen provincie van Nederland, en ik vond het beter u een
naam te geven, die kon worden geverifiëerd. Maar wat zou dat?"
"Wat dat zou?" antwoordt Guy norsch. "Alleen dit, dat ik juist heb
vernomen, dat Guido Amati om mijnentwil is bevorderd tot majoor in
zijn regiment; dat kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk geen al
te besten naam heeft,--misschien zijn er wel dames in het spel,--en
dat majoor Guido Amati juist een scherpe vermaning heeft gekregen om
zich voortaan beter te gedragen. Voor den duivel!" vervolgt hij op
woesten toon, "als deze heer, naar wien ik gedoopt ben, zich voortaan
niet wat meer in acht neemt, dan krijgt hij met mij te doen, met mij,
die nu gebukt gaat onder zijn zonden!"
Daarna barst hij in lachen uit, waarmee Oliver instemt, en hij
zegt kalmer: "Maar ik bezit ook de reputatie, dat ik de dapperste
officier van het leger ben. Buitendien ben ik een neef in den derden
graad van den hertog van Medina Coeli en als zoodanig waarschijnlijk
gerechtigd, om mijn hoed op te houden in tegenwoordigheid van Philips
II van Spanje."
"Voortreffelijk, mijn grande," antwoordt Antony met een glimlach. "Hier
is de nota van hetgeen de gravin De Pariza op uw kosten heeft
gekocht--tweehonderd gulden! Dat is uw aandeel in de zaak. Als Zijne
Hoogheid de Hertog van Alva hier niet voorbij was gekomen, zou zij,
geloof ik, het geheele magazijn van Bodé Volckers hebben leeggekocht."
"A--ah," zucht Guy, de nota inkijkend, "ik zou nog heel wat meer willen
geven voor een tweede _tête-à-tête_ met mijn--mijn aanstaande vrouw,"
en hij moet een traan wegpinken, als hij denkt aan het schoone wezen,
wier liefde hij heeft veroverd _à coup de main_.
"_Uw aanstaande vrouw_!" roept Oliver verbaasd uit. "Morbleu! gij
hebt er geen gras over laten groeien. Bij den hemel, als Alva u ooit
in handen krijgt en dit te weten komt, dan wee u, vermetele jonge
man! Buitendien zult gij er vlug bij moeten zijn, als gij haar ooit
wilt bezitten!"
"Waarom?"
"Alva zal niet lang meer in de Nederlanden blijven. Het land is
onderdrukt en gekneveld (tot rust gebracht, noemt hij het), ofschoon
het overal gist. Hij int den tienden penning en toch betaalt hij zijn
troepen niet. Een gedeelte van het geld zendt hij naar Spanje,--juist
genoeg, om Philips tevreden te stellen, maar de rest--de hemel weet,
wat hij er mee doet, ofschoon ik gis, dat hij het voor zichzelven
naar Italië of Spanje overmaakt, om in rijkdom de gelijke van koningen
te worden."
"Bij Sint George, als ik het in handen kon krijgen!" antwoordt de
Engelschman, terwijl de zeeroover weer in hem ontwaakt. "Dat zou een
bruidsschat zijn, zijn schoone dochter waardig!"
"Zoover als ik ben ingelicht," zegt Oliver, "heeft geen mensch
een oog geslagen op de plaats, waar hij zijn schatten bewaart,
ofschoon ik mijn vermoedens heb. Het groote standbeeld, dat hij
opricht, datzelfde, dat de volgende week in de Citadel zal onthuld
worden, heeft iets zonderlings in zijn afmetingen. Zijn piedestal is
buitengewoon groot. De werklieden, die daartoe gebruikt zijn, komen
uit Italië en staan onder het onmiddellijk toezicht van Paciotto,
den ingenieur. Dezen zijn, nadat zij het piedestal hadden afgemaakt,
rijkelijk beloond, weer ingescheept en naar hun land teruggezonden. Men
heeft niet één hunner toegestaan, in Nederland te blijven. Er is een
geheim in dat standbeeld verborgen!"
Verdere beschouwingen worden afgebroken door de binnenkomst van den
oud-burgemeester en zijn dochter. De oude heer schijnt zeer in zijn
nopjes te zijn.
"Gij blijft zeker het avondeten met mij gebruiken, heeren," zegt
hij. "Het verheugt mij u te kunnen mededeelen, dat mijn dochter
Mina vanmiddag een gehoorzaam meisje is geweest en veel voor mij
heeft verkocht--voor een waarde van vierhonderd gulden aan de
gravin De Pariza, waarvan tweehonderd contant zijn betaald, iets
wat mij nog nooit gebeurd is, zoolang ik met den adel handel. Maar
mijn kleine Mina," en hij vat haar onder de kin, "is ook een echte
koopmansdochter. Zij zal haar lieve moeder nog evenaren."
"Vader," zegt de jonge dame, gebruik makend van de gelegenheid,
"mag ik niet naar de hertogin van Aerschot gaan?"
"Hm, hm! Nu, gij zijt jong, geniet dan maar, laat echter de paarden
niet weer den geheelen nacht wachten; gij weet dat ik ze 's morgens
voor de vrachtwagens noodig heb. Heeren, gij blijft natuurlijk, en
ik zal er u het bewijs van geven, dat mijn dochtertje niet alleen
een goede verkoopster is, maar ook goed kan koken."
"Vader!" roept het jonge meisje verwijtend uit, "gij vergeet, dat
wij een uitstekenden Franschen kok in huis hebben!"
Doch Guy blijft niet, om kennis te maken met de voortreffelijke keuken
in den huize Bodé Volckers. Nu hij de bijeenkomst met zijn brunette
heeft gehad, geeft hij Oliver gelegenheid, er een met zijn blondine te
hebben en vertrekt naar _Het Geschilderde Huis_, waar Antony belooft,
zich dien avond nog bij hem te voegen.
Het is nu donker, en plaats nemend in de gelagkamer, die verlicht is
door olielampen en flikkerende kaarsen, bestelt de Engelschman een
rijkelijk souper, daar hij misschien den geheelen nacht op de been
zal moeten zijn om zijn schip weer te bereiken. Het succes heeft
hem eetlust bezorgd, ofschoon hij nauwelijks weet, wat hij eet, want
zijn geheele maaltijd is een opeenvolging van herinneringen, ieder
op zichzelve een genot. In zijn droomerijen wordt hij plotseling,
en wel op onaangename wijze, gestoord.
Een man, naar zijn kleeding te oordeelen de kapitein van een
koopvaardijschip, komt de kamer binnen, gevolgd door een burger,
en valt met een onderdrukten vloek op een stoel neer aan de tafel
naast die van Chester.
"Voor den duivel!" moppert hij, "een mooie boel, dat men geen verlof
kan krijgen, de stadspoorten door te gaan, om zich naar zijn eigen
schip te begeven. Wat zal er van mijn lading worden, die gedeeltelijk
gelost is? De stuurman en de dronken bemanning zullen zich fraai
gedragen!"
"Blijf bedaard, kapitein," sust zijn metgezel. "Het is een buitengewone
maatregel. Gij zult zonder twijfel morgen bij daglicht de poort
mogen passeeren."
"Ja, en ik word intusschen op de kosten gejaagd van in een herberg
logies te moeten nemen, en mijn gemakkelijke hut staat leeg. Alweer
een gulden, die mij hier in de haven van Antwerpen wordt afgeperst. Als
dit zoo voortgaat, zal de handel hier spoedig geheel verloopen."
"Maar dit zal waarschijnlijk niet licht weer gebeuren," zegt de
koopman. "Van zoo iets heeft men vroeger nooit gehoord."
En het tweetal bespreekt de waaroms van zulk een buitengewone
waakzaamheid aan de poorten.
Dit geval geeft Guy te denken. Hij heeft, toen hij daareven de herberg
binnentrad, dienzelfden kapitein, waarschijnlijk de gast van den
burger, aan een tafeltje het avondeten zien gebruiken. Een half uur
geleden zijn zij vertrokken, de kapitein schijnt de schildwachten niet
te hebben kunnen passeeren. Als er zulke orders zijn uitgevaardigd,
kan het wachtwoord van hedenavond hem waarschijnlijk niet baten. Wat
kan de oorzaak daarvan zijn? Zou het mogelijk wezen, dat men eenig
vermoeden heeft van zijn tegenwoordigheid in de stad?
Terwijl hij hierover nadenkt, komt Oliver binnen met een ernstige
uitdrukking op zijn gelaat. Hij gaat bij Guy zitten en fluistert:
"Ga mee."
"Waarom?" Eveneens fluisterend.
"Er zijn orders uitgevaardigd, dat niemand vannacht de poorten van
Antwerpen mag passeeren."
"De reden?"
"Ik weet het niet; misschien hebben zij lont geroken, dat gij in de
stad zijt. Ga mee naar mijn kamers."
"Neen, ik blijf hier," antwoordt de Engelschman op vasten toon.
"Waarom?"
"Om twee redenen. In de eerste plaats, omdat ik u niet verder
in verdenking wil brengen. En in de tweede plaats, omdat, als er
orders zijn gegeven, dat niemand de poorten mag uitgaan, dit zeer
waarschijnlijk ter oore zal komen van een jonge dame, die belang stelt
in majoor Guido Amati de Medina, officier van Romero's voetvolk,
uit zijn garnizoen afwezig zonder verlof. Zij weet, dat ik hier in
_Het Geschilderde Huis_ ben afgestapt. Hier zal zij mij dus laten
zoeken, als zij mij een boodschap wil zenden. Maar blijf hier niet
bij mij zitten, Oliver. Als men mij kwam arresteeren, terwijl gij
bij mij waart, zoudt gij zelf in verdenking komen,--ga aan een andere
tafel zitten!"
"Ik wil u niet verlaten, daar ik u misschien kan helpen," zegt de
edelmoedige schilder. En hij mompelt plotseling: "Bij den hemel,
misschien is het nu gekomen!"
En zoo is het, ofschoon niet, zooals Antony vreest, want de
kleine vaandrig De Busaco komt parmantig de deur binnen, werpt een
onderzoekenden blik door de kamer en stapt op den Engelschman toe.
"Ik zoek u," zegt hij, terwijl Guy's hand naar den dolk in zijn
wambuis tast. "Ik zoek u, om een van de staats-barges de rivier af
naar Sandvliet te brengen."
"Zoo!"
"Ja, de provoost-geweldige wilde mij geen verlof geven, om vannacht
in Antwerpen te blijven en ik ben toen weer naar de Citadel gegaan,
om het te vragen. Daar gekomen, kreeg ik bevel, bij Dona de Alva te
komen. Zij zeide mij, dat kapitein Amati, die haar barge gisternacht
zoo gelukkig de rivier had opgebracht, juist de man was, om het
vaartuig hedennacht de rivier ook weer af te brengen. Het is belast
met een boodschap van de jonge dame. Zij droeg mij op, u dit briefje
te geven, en u door de Citadel te geleiden naar de plaats, waar gij
gisteravond zijt geland, alwaar de roeiers en een nieuwe bemanning
u wachten,--ik geloof, dat de Watergeuzen de andere gedood hebben."
Dit zeggende, reikt hij den Engelschman een verzegelden brief over
van de hand van haar, die hem zoo dierbaar is.
Alva's zegel verbrekend, leest Guy haastig:
"Mijn liefste Guido!
"Ik kan u niet anders noemen. Het is misschien wel wat spoedig,
maar gij ziet daaruit, hoe ik over u denk.
"Ik heb eerst daareven gehoord, dat de poorten voor iedereen,
die de stad wil verlaten, gesloten zijn, daar een gerucht, dat
de een of andere zeeroover of vogelvrijverklaarde zich binnen de
muren van Antwerpen moet bevinden, het hoofdkwartier heeft bereikt;
wetende hoe noodzakelijk het is voor een officier, die uit Middelburg
afwezig is zonder verlof, om de stad te verlaten, zend ik mijn boot
naar mijn landhuis te Sandvliet, om eenige benoodigdheden te halen,
die ik gisteravond bij mijn overhaast vertrek vergat. Wilt gij nu zoo
vriendelijk zijn, om de boot even veilig de Schelde af te sturen als
gij haar gisteravond de Schelde hebt opgestuurd?
"Vaandrig De Busaco zal u door de Citadel geleiden.
"God biddend" dat Hij over u moge waken en u tot mij terug moge brengen
met evenveel liefde in uw hart als ik in het mijne voor u heb, ben ik,
zooals ik altijd zal zijn,
uw Hermoine."
"Gij schijnt u te verblijden over het bevel, om nu nog zoo laat in
den avond een watertochtje te gaan maken?" lacht De Busaco.
"Ik ben altijd tot de orders van Dona de Alva," antwoordt Guy. "Kom!"
"Haast u dan," antwoordt de kleine vaandrig. "Ik heb verlof
gekregen. Hoe vlugger wij nu vertrekken, hoe eerder ik vrij ben."
Guy betaalt dus haastig zijn gelag en de drie mannen verlaten _Het
Geschilderde Huis_, en de Bagijnenstraat doorgaande, komen zij op de
Esplanade, waar Oliver op zachten toon en met een hartelijken handdruk
zegt: "Vaarwel."
"God zegene u!" antwoordt Guy.
En ofschoon zij geen woord meer wisselen, zegt hun vriendschappelijke
handdruk genoeg.
Eenige minuten later zijn Chester en De Busaco in de Citadel, waar
Guy, terwijl hij over de ophaalbrug en door de groote poort gaat,
verneemt, dat het wachtwoord voor hedenavond veranderd is en nu luidt:
"San Sebastian," contrasigne: "Corpus Christi."
De enceinte overstekend, komen zij weer vlak langs het standbeeld
van Alva, en De Busaco maakt bij zijn neus langs de opmerking:
"Zij hebben zijn arm vandaag opgetrokken. Alles is nu klaar, om hem
de volgende week te onthullen. Caramba! dat beteekent de last van
een groote parade. En nog geen soldij! Op een goeden dag gaan wij de
achterstallige soldij uit dit holle voetstuk opgraven. Alva is slim,
maar zijn troepen zijn ook niet van gisteren!"
Het groote vestingwerk doorgaande, komen zij bij de kleine uitvalpoort
aan de gracht, waar Guy den vorigen nacht landde. Hier worden zij niet
bemoeilijkt. Dezelfde barge, welke de Engelschman de rivier op heeft
gebracht, wacht hem; de roeiers bevinden zich reeds op hun plaats
alsmede de nieuwe bemanning, aan welke De Busaco hem voorstelt als
den officier, die het bevel over de barge op zich zal nemen; daarna
gaat de vaandrig heen met een haastig: "Adio, senor!" want het is
reeds over den tijd, waarop zekere jonge dame in de stad hem wacht.
Juist als de barge van wal wil steken, want Guy vindt het geraden,
zoo min mogelijk te dralen, komt een meisje, een van de Moorsche
kameniers van den vorigen avond, de kleine ophaalbrug op, uitroepend:
"Wacht!--een oogenblik--wacht!"
Daarna fluistert zij tot Guy, die overeind staat in de barge, terwijl
zij hem een zwaren leeren gordel overreikt: "Bind dezen om uw middel,
senor capitan, mijn meesteres beval mij u te zeggen, dat gij er nu
goed op moest passen. Gij liet hem gisteravond zoo achteloos in de
barge liggen."
"O,--dat is waar ook," zegt de Engelschman, wien het liegen niet
moeilijk meer valt. "Ik heb er al naar gezocht. Ik wist niet, waar ik
hem had gelaten," en hem om zijn middel bindend, peinst hij er over,
wat er toch wel in kan zitten.
"Duivels, het is geen reddingstoestel," denkt hij. "Het zou mij doen
zinken als een baksteen."
Maar om 't even, wat het ook moge zijn, hij is er door in de wolken,
want het komt van Hermoine de Alva.
Hij heeft echter niet veel tijd, om zich daar verder mee bezig te
houden, hij had den roeiers reeds gelast, hun riemen uit te slaan,
en de barge is nu van wal gestoken en glijdt voort door de gracht,
die de groote bastions der Spanjaarden omringt.
Vijf minuten later zijn zij in de open rivier, en ofschoon zij het
tij tegen hebben, zijn zij toch op weg naar Sandvliet en gaat hij de
veiligheid tegemoet. Zij passeeren ongemoeid aan de overzijde de stad,
hoewel Guy de lichten van verschillende wacht- en patrouille-booten
kan zien tusschen de schepen langs den oever.
"Doet uw best, jongens," roept de Engelschman opgewekt; "ik geef u
een vat wijn, als wij te Sandvliet zijn."
Aldus aangevuurd, buigen de roeiers zich over hun riemen heen,
terwijl de bootsmansmaat van de barge heel vriendschappelijk met
Chester babbelt, hem vertellend, dat de plaats, waar zij heengaan,
een prachtig zomerkasteel van Alva is, dat somtijds door dezen zelf
wordt gebruikt, maar het meest door zijn dochter, om er te genieten
van de frissche zeewinden, die gedurende de heete zomermaanden over
de Schelde waaien.
"Wij zijn er dit jaar heel vroeg heengegaan," zegt hij, "het weer was
zoo mooi. Gelukkig was ik gisteravond in Antwerpen, anders zou ik nu
ook dood zijn, evenals die arme Antonio en de anderen,--vermoord door
de bloeddorstige Watergeuzen."
Het gesprek met dezen man doet den tijd omsnellen en daar zij den
wind in hun voordeel hebben, zijn zij binnen drie uur bij Fort Lillo.
De vier patrouillebooten zijn hier op haar qui vive en een er van
houdt de barge aan. Als de _Costa Guarda_ zich langszij bevindt, ziet
de commandant, dat het een staats-barge van Alva is; hij ontvangt van
Guy het nieuwe wachtwoord, dat klaarblijkelijk reeds naar Fort Lillo
gezonden was, en zegt, terwijl hij Guy een goede reis wenscht: "Wees
voorzichtig. Er is bericht gekomen, dat de 'Eerste der Engelschen'
hier ergens kruist. Twee galjoenen, de _Santa Cruz_ en de _Heilige
Drieëenheid_, gaan morgen uit om te zien, of zij dien zeeroover
gevangen kunnen nemen."
"Dank voor de inlichtingen," antwoordt Guy, terwijl de boot opnieuw
voortsnelt.
Bij den laatsten dijk, dien de vloed beneden Fort Lillo heeft gespaard,
ziet Guy drie lantaarns op een lijn geplaatst en weet dus, dat zijn
sloep hem daar wacht. Hij zegt eensklaps: "Gij hebt nu het ergste
van den tocht achter den rug en zijt nog slechts een mijl van het
landhuis verwijderd. Hoe heet het?"
"Bella Vista," antwoordt de bootsmansmaat.
"Goed, breng de barge dan naar Bella Vista en kwijt u van de boodschap,
die u is opgedragen. Hier zijn twee goudstukken voor den wijn, dien
ik u en de bemanning beloofd heb. Zet mij hier aan land. Daar wacht
mij een sloep. Ik ga eenden schieten op de overstroomde landen; als
mijn jongens flink doorroeien, ben ik daar met het aanbreken van den
dag. Ik heb haakbussen en een boog in mijn sloep."
De mannen zijn overgelukkig met het geld en zetten Guy vlug aan den
dijk af, waarna zij hun weg vervolgen.
Een paar minuten later begint Guy in de richting van de drie lantaarns
te wenken.
Als hij dit een poosje heeft gedaan, hoort men het geplas van riemen en
komt een sloep zeer behoedzaam door de duisternis nader, waarschijnlijk
een hinderlaag vreezend.
"Ahoy!" roept Guy.
En nu hoort hij Martin Corker roepen: "Vooruit, jongens! Dat is de
stem van den commandant," en met drie of vier krachtige slagen is de
boot aan den dijk.
Een oogenblik later vliegt zij, door gespierde Engelsche armen
voortgeroeid, terug naar de _Dover Lass_. Men kan echter van het
kleine schip niets bespeuren, daar het geen lichten uit heeft; maar
als de sloep licht-signalen geeft, wordt er een lantaarn op het schip
geheschen, om de plaats aan te duiden, waar het zich bevindt.
Aan dek doet Chester's eerste officier hem rapport:
"Ik ben blij, dat gij terug zijt," zegt Dalton. "Wij zouden
waarschijnlijk morgen zijn aangevallen. Er is een patrouilleboot de
rivier afgekomen, zeker om te zien of zij ons konden vinden."
"Wij zullen morgen niet aangevallen worden," lacht Guy, en door de
spreektrompet geeft hij order, het anker in te halen en de zeilen
te hijschen.
"Gij wilt dus niet met de Spanjaarden vechten?"
"Neen, ik wil mijn biezen pakken en direct oversteken naar Engeland. Ik
heb mijn koningin zulk een gewichtige tijding te brengen, dat ik
verraad tegen haar zou plegen, als ik er ook maar een oogenblik
mee talmde."
En de _Dover Lass_, een vlug schip met een talrijke bemanning, is nu
spoedig onder zeil en snelt de Schelde af naar de open zee.
Guy Stanhope Chester heeft zich naar zijn hut begeven, waar hij bezig
is, wat hij op zijn vreemd uitstapje naar Antwerpen heeft buitgemaakt,
achter slot en grendel te bergen.
Zijn schat bestaat uit een pakje brieven in cijferschrift, die
betrekking hebben op den beraamden aanslag tegen Elizabeth van
Engeland, en den sleutel, met behulp waarvan men ze kan lezen;
een ring met een robijn, die voor hem het tastbaar bewijs is, dat
hij de liefde van de dochter van den Onderkoning heeft gewonnen,
en twee briefjes van haar hand.
"Drommels, ik heb mij goed gehouden," denkt Guy. Dan bekijkt hij
het miniatuur-portret, dat hij drie jaren bij zich heeft gedragen,
en mompelt: "Merkwaardig, dat ik haar eindelijk moest vinden
en haar hart winnen. Wie durft nog zeggen, dat de romances zijn
gestorven met de troubadours? Drommels, ik kom mij zelf voor als een
troubadour. Tra-la-la!"--en met den lichten tred van een troubadour
op en neer loopend, roept hij plotseling uit: "Wel, sapperloot, ik
heb nog meer," want de zware gordel om zijn middel herinnert hem aan
het laatste, wat Dona de Alva hem zond.
Als hij hem van nabij beschouwt, bespeurt hij, dat het een zeer sterke
leeren gordel is en zoodanig gemaakt, dat men hem secuur kan omgespen.
En als hij hem geopend heeft, laat hij een half onderdrukt
"bah!" hooren, want de gordel is vol goudstukken, doch een oogenblik
later grijpt hij naar een klein pakje, dat er met de muntstukken uit is
gerold. Daarop barst hij eensklaps in lachen uit: "Wat zie ik?! Haar
portret! Zij wist natuurlijk niet, dat ik er al een van haar had,"
want een ander miniatuur-portret van zijn schoone Castiliaansche
beminde vertoont zich aan zijn verraste oogen. Een briefje is bij
het portret ingesloten.
Het luidt aldus:
"Mijn liefste!
"Ik neem de vrijheid u mijn beeltenis te zenden, opdat zij beter in
uw herinnering moge blijven. Het is u niet vergund, het levende beeld
met u te voeren. God weet, hoezeer ik wensch, dat het zoo ware. Maar
als majoor Guido Amati de Medina eenmaal generaal wordt, zal ik maken,
dat het origineel hem toebehoort--o God! wat een geluk!
"Ik heb de vrijheid genomen, hierbij een honderd goudstukken in te
sluiten. De officieren van het Middelburgsch garnizoen hebben reeds
over het jaar geen soldij ontvangen, en ik zou gaarne zien, dat een
edelman, die eens de dochter van Alva zal huwen, leeft overeenkomstig
zijn stand. Als gij aarzelt, dit van mij aan te nemen, zal ik denken,
dat gij mij niet zoo liefhebt, als ik het u doe. Het is slechts een
klein voorschot op den bruidsschat van uw toekomstige echtgenoote,