Terwijl hij leest, kijkt zij hem glimlachend aan: "Ik heb half en
half lust, het u niet te geven. Wat bracht u, wilde jonge officier,
zonder verlof naar Antwerpen?"
"_Gij_!"
"O!"
"En voor u zou ik nog duizend keer terugkomen. Ik wilde naar de
verdronken landen gaan, om eenden te schieten, toen ik door een hoogere
bestiering u van de Watergeuzen mocht redden, mijn eigendom--mijn
buit." En wetende dat hij de heele wereld tegen zich heeft bij zijn
pogen om zijn geliefde tot zijn bruid te maken, wordt Guy door een
razende smart aangegrepen, nu het oogenblik van scheiden is gekomen,
dat hem erger toeschijnt dan de dood. Treurigheid is aanstekelijk,
evenals liefde, en het meisje begint te zuchten en te snikken onder
zijn afscheidskussen, die zoo plechtig zijn--ofschoon zij niet kan
gissen waarom.
Maar Oliver rammelt aan de deurklink en roept: "De gravin De Pariza
zit al in het rijtuig. Vlug!"
En nu geleidt Guy, die begrijpt, dat zijn tijd gekomen is, ofschoon
zijn beminde nog langer zou willen toeven en tegen hem aanleunt met
zuchtjes van liefde, haar haastig naar het rijtuig en helpt er haar in.
Zich half omkeerend, heft zij haar blanke hand een weinig op. Hij
ziet den verlovingsring aan haar vinger schitteren.
De postiljons knallen met de zweepen, de staatsiekoets verdwijnt uit
het gezicht, en alles wat hem rest van de vrouw, die hij slechts
een oogenblik geleden in zijn armen hield, is de herinnering aan
haar kussen, haar ring met den robijn aan zijn vinger en een klein
briefje,--de talisman, die hem veilig door haar vaders schildwachten
aan de poorten zal brengen.