"Naar den provoost-geweldige."
"Dan ga ik mee," herneemt De Busaco. "Ik moet daar toevallig
ook wezen. Ik zou gaarne verlof hebben, om vanavond in de stad te
blijven. Een Vlaamsche schoone, gij begrijpt me!" en hij strijkt zijn
knevel krijgshaftig in de hoogte.
Als zij samen hun weg vervolgen, begint De Busaco, die zich
blijkbaar om die reden bij hem heeft gevoegd, Oliver uit te hooren,
welke vooruitzichten er bestaan op een spoedige betaling van de
achterstallige soldij voor het garnizoen van Antwerpen; of hij iets van
de plannen van den Hertog weet; of de tiende penning geregeld inkomt,
enzoovoort; zijn verliezen bij het drinkgelag hebben klaarblijkelijk
zijn belangstelling in die zaak nog aanmerkelijk verhoogd.
Guy let hier echter weinig op. Hij is geheel oog en oor om te
ontdekken, of de Zeeuw hen volgt. Op de Schoenmarkt is het zóó druk,
dat dit moeilijk valt uit te maken, maar als zij de Kammestraat zijn
ingeslagen, de herberg _De Roode Leeuw_ voorbij zijn en de nauwe
steegjes, die naar de voornaamste waterpoort van de stad leiden,
waar het bureau van den provoost-geweldige zich bevindt, wordt de
menigte minder talrijk, en als Guy zich even omkeert, ziet hij den
man dicht achter zich.
Deze volgt het drietal tot aan de poort, doch blijft als versteend
van verbazing staan, als hij Guy en Oliver, vergezeld door den
Spaanschen officier, het bureau van Alva's provoost-geweldige ziet
binnentreden, op de deur van welk gebouw de belooning van drie duizend
Carolus-guldens is aangeplakt.
"De Busaco," merkt de Engelschman op, terwijl hij aan de deur blijft
stilstaan, "ziet gij ginds dien Zeeuw?"
"Ja."
"Wilt gij een klein sommetje verdienen, als schadeloosstelling voor
uw achterstallige soldij?"
"_Santos_! Wat graag!"
"Roep dan een paar soldaten en neem hem gevangen. Hij woont in de
weerspannige gewesten, te Vlissingen. Ik geloof dat de Raad van
Beroerten op hem loert."
"Een belooning!" roept de kleine Spanjaard uit, en de wachtkamer
binnenstormend, met verwaarloozing van alle militaire vormen,
schreeuwt hij: "Gauw, gauw, een paar man tot mijn assistentie,--er
is wat te verdienen!"
Twee Spaansche soldaten komen ijlings naar hem toe, hij snelt met
hen de straat op en achtervolgt weldra, zoo snel als hij kan, den
Zeeuwschen koopman, schreeuwend: "_Heretico fugitivo!_" en andere
woorden van dolle woede, welke den persoon in quaestie beenen doen
maken, met het gunstig gevolg dat deze, die goed den weg weet in de
stad, zich kan verbergen in een van de blinde sloppen van dit kwartier
en den kleinen Spanjaard ontsnapt, wiens hooge, wijde laarzen juist
niet bevorderlijk zijn aan zijn vlugheid van beweging.
"Ik kon hem niet inhalen," klaagt De Busaco, als hij vijf minuten later
buiten adem terugkomt, aan Guy, "maar ik zal hem in het oog houden."
"Doe dat; de belooning zal u uw achterstallige soldij doen vergeten,"
merkt Guy op, als Oliver terugkeert, nadat hij met den kapitein van
de wacht alles heeft afgesproken voor de arrestatie van De Guerra.
"Ik denk," lacht Chester, als hij en Oliver hun weg vervolgen (want
zij hebben den vaandrig bij den provoost-geweldige gelaten), "dat
die snuiter uit Zeeland wel geen haast zal maken, zich aan een der
wachthuizen in de stad aan te melden, om inlichtingen omtrent mij te
verschaffen. En nu, na gevaar--" de uitdrukking van zijn gelaat geeft
zijn bedoeling te kennen aan den schilder, die zijn woorden aanvult
met: "Liefde!"
De twee vrienden gaan nu weer door de Kammestraat over de Schoenmarkt
naar de Place de Meir, waar het deftige huis van Bodé Volckers ligt, en
als zij er binnentreden, bevinden zij zich weldra in tegenwoordigheid
van een koopmansfamilie uit dien tijd.
Guy is echter een weinig teleurgesteld, als hij, de verwulfde
koetspoort doorgaande, geen equipage op het binnenplein ziet staan.
"Wees niet ongeduldig, het is beter, dat wij de eersten zijn, dan
kan ik alles voor de inkoopen regelen, eer Dona de Alva met de Gravin
komt," zegt de schilder.
Oliver gaat Guy voor met de familiariteit van den vriend des huizes en
klopt aan een zijdeur aan den overkant van het binnenplein, die bijna
onmiddellijk wordt geopend door het dienstmeisje van den vorigen avond;
de kamenier Wiarda is zeker ergens anders bezig.
Zij worden regelrecht geleid in een vertrek, dat blijkbaar de
huiskamer is. De leden van het gezin,--bestaande uit den koopman
zelf, zijn zoon Jacob, een jongen van zestien jaar, die pas de
school voor het kantoor heeft verlaten, en zijn dochter Wilhelmina,
wier zijdeachtige blonde krullen en vroolijke blauwe oogen zulk een
diepen indruk hebben gemaakt op Olivers hart,--voeren blijkbaar een
klein dispuut, want hun stemmen klinken luid en schel.
De oude heer, een energieke maar corpulente Vlaming, met het type
van een rijk koopman, is zeer opgewonden. Zijn wangen zijn rood
van drift. Ook in de blauwe oogen van de jonge dame flikkert toorn,
ofschoon zij min of meer omfloerst zijn door ingehouden tranen, en een
der hoeken van den fijn besneden mond trilt zenuwachtig. De jongen
schijnt, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd zouden doen,
zich te vermaken met de woordenwisseling tusschen zijn vader en zijn
zuster, want zijn blond Germaansch gezicht heeft moeite om een lach
te weerhouden. Als hij durfde, zou hij het uitschateren van pret.
"Zoo, Oliver," roept de koopman uit, hem te gemoet komende met
uitgestoken handen, "terug van Brussel! Dat was maar een kort
uitstapje!" en hij verwelkomt den schilder, los en gemeenzaam, als
een vriend des huizes.
Juffer Wilhelmina daarentegen groet Antony op deftige Spaansche wijze,
en steekt haar beminde de blanke vingers toe, hem verlof gevend,
ze te kussen.