"Ja, het was juist op tijd," fluistert de Engelschman, eveneens een
zucht van verlichting slakend. Daarna werpt hij een haastigen blik
op de groote Hollandsche klok in de gelagkamer, die langzaam tikt.
Als hij dit opmerkt, begint de schilder te lachen. "Het zien van den
vader doet u naar de dochter verlangen, hè? Maar ge zult nog een half
uurtje geduld moeten hebben, mijn ongeduldige minnaar. Buitendien heb
ik vandaag nog niets gegeten. De provoost-geweldige moet maar wachten,
tot ik verzadigd ben. Neem deel--aan mijn diner."
Nadat zij hun verlangen aan een vluggen knecht hebben kenbaar gemaakt,
nemen zij plaats, om een haastigen en toch gezelligen maaltijd te
houden, met een vredig en voldaan gevoel, want deze jonge mannen zijn
zóó gewend aan gevaar, dat iedere korte pauze in hun aanhoudende
worsteling met den dood hun een kalme, rustige en genoeglijke tijd
toeschijnt.
Terwijl hij eet en drinkt, werpt Guy nu en dan een afgetrokken blik
naar buiten; er gaan een menigte menschen over de Schoenmarkt. Deze
menigte heeft een schilderachtig aanzien door de bonte mengeling
van kleederdrachten, want bijna alle natiën der wereld zijn hier
vertegenwoordigd. Antwerpen is op dit oogenblik het middelpunt van
Noord-Europa en de grootste handelsstad van de wereld.
Op de rivier liggen schepen, die ladingen innemen, bestemd voor de
Indien, Oost en West, zelfs voor de ver verwijderde stranden van Peru
en de Kaap de Goede Hoop; andere, die terugkeeren uit de Oostzee en
de Middellandsche zee, worden gelost, en dientengevolge verhoogen
zeelieden en bezoekers uit alle bekende deelen van den aardbol de
levendigheid van het tooneel.
Vreemd genoeg, ziet men op dat tijdstip geen Engelschen in Antwerpen;
want sinds Elizabeth de achthonderd duizend kronen van Alva roofde,
heeft de Hertog allen handel met Groot-Brittannië verboden en beslag
gelegd op alle Engelsche bezittingen in de stad, en alle Engelschen,
die te Antwerpen woonden, of er zaken deden, vandaar verdreven;
en vroeger hielden er zich een groot aantal op en was de Engelsche
wolhandel een voorname bron van inkomsten voor de stad. Juist nu
heeft Antwerpen zijn toppunt bereikt, waarvan het spoedig, tengevolge
van de afpersingen, de belastingen en de tyrannie van den Spanjaard,
zal dalen tot een handelsstad van den vierden rang.
De burgers echter, ofschoon lijdende onder den druk, vermoeden
daarvan nog niets, en de kooplieden gaan lachend over de straat, zich
beschouwende als vorsten op een handelstroon, die nooit kan wankelen.
De totale afwezigheid van Engelsch bloed en Engelsche gelaatstrekken
zouden Guy in het oog doen loopen, als er niet verscheidene Deensche
officieren van De Billy in de stad waren, bij sommigen van welke
men eveneens het blonde haar en de blauwe oogen van het Saksische
type opmerkt.
"Nu moet ik Alva's bevel aan den provoost-geweldige
overbrengen. Gelukkig is zijn bureau niet ver van hier. Wacht op mij,
ik ben in een kwartier terug. Gij behoeft niet zoo ongeduldig naar
de klok te kijken," zegt Oliver lachend.
Maar Guy kijkt niet naar de klok. Zijn oogen zijn gevestigd op een
man in de kleederdracht van een Zeeuwschen handelaar, die zorgvuldig
zijn schildpadden bril afveegt en daarna het plakkaat leest, dat een
belooning uitlooft voor het hoofd van den "Eerste der Engelschen". Als
de Zeeuw zich omkeert, is de Engelschman er zeker van, dat hij hem
meer heeft gezien.
Een oogenblik later meent Guy, dat de man hem ook herkent; ofschoon
hij het hoofd afwendt, houdt hij hem toch in het oog en merkt op,
dat deze van zijn kant hetzelfde doet.
"Laat mij meegaan naar den provoost-geweldige," fluistert hij
Oliver toe.
"Gij--wilt _daar_ heengaan?" brengt Antony verwonderd uit, zijn oogen
wijd openend.
"Ja," antwoordt Guy. "Er is hier een man, die mij herkent en ook
bekend is geworden met de waarde van mijn hoofd. Als hij mij volgt,
zal ik hem een poets bakken."
Als zij zich op weg begeven, Oliver met een heel ernstig gelaat,
ontmoeten zij den kleinen De Busaco, die met groote passen naar hen
toe komt en buitengewoon hartelijk wordt verwelkomd door Chester, daar
deze niet ten onrechte meent, dat intimiteit met Spaansche officieren
de achterdocht van den man, die hem bespiedt, misschien zal verdrijven.
"Gij zijt in goed gezelschap, zie ik, Amati," zegt de kleine
vaandrig. "Wees zoo goed, mij voor te stellen aan den ondersecretaris
van den Hertog."