"Ik ben zoo vrij geweest, een vriend mee te brengen, kapitein Guido
Amati van het garnizoen te Middelburg," zegt de schilder.
"Een vriend van u, Oliver! Welkom,--welkom in mijn huis," zegt Niklaas
met Vlaamsche gastvrijheid, Guy hartelijk de hand schuddend.
"Kapitein Amati is een kennis van Dona Hermoine, en als secretaris
van den Hertog--"
Het is onnoodig, meer te zeggen; als hij den naam van de dochter van
den Onderkoning uitspreekt, is juffrouw Wilhelmina ook aanstonds een
en al voorkomendheid en houdt hem haar slanke vingers toe voor een
Spaanschen groet. Guy weet nu ook wat hem te doen staat, hij vergist
zich ditmaal niet en drukt een kus op de blanke hand, waarvoor hij
misschien wel wat veel tijd neemt, naar Oliver's meening.
De koopman, op en top de eenvoudige Vlaming, roept nu uit: "Stoelen,
Wilhelmina; stoelen voor de heeren!"
"Vader," antwoordt het meisje op hoogen toon, "gij vergeet, dat wij
lakeien in huis hebben," en na een tafelschel in beweging te hebben
gebracht, beveelt zij den binnentredenden bediende, den cavaliers
stoelen te geven.
"Oho! nog meer vreemde kuren!" spot de oude heer op scherpen toon,
blijkbaar het gesprek weer opnemend, waar het was afgebroken. "Vergeet
den Vlaamschen eenvoud niet, mijn dochter. Ofschoon uw vader een
millionnair wordt genoemd, kon hij wel eens niet lang meer een
millionnair blijven, tengevolge van dien verwenschten tienden penning,"
voegt Niklaas er aan toe, op de tanden knarsend.
"Gij komt van Brussel, senor Antony," valt de jonge dame hem in de
rede, de Spaansche wijze van aanspreken navolgend. "Daar hebt gij
zeker, als onder-secretaris van den Hertog, de hertogin van Aerschot
ontmoet. Zij komt vandaag in Antwerpen en geeft morgenavond een
partij. Gij komt er natuurlijk ook, kapitein Amati, en gij eveneens,
senor Oliver?"
"Ik moet ongelukkig Antwerpen vanavond alweer verlaten," antwoordt Guy.
"En onder-secretarissen en herauten worden niet uitgenoodigd," merkt
de schilder op, die zich klaarblijkelijk met hun uitsluiting volstrekt
niet kan vereenigen.
"Maar gij zijt toch zeker uitgenoodigd, freule Bodé Volckers?" vraagt
Guy. "Uw dansen wordt, naar ik hoor, zeer bewonderd."
"Natuurlijk," antwoordt de jonge dame achteloos.
"Natuurlijk _niet_!" roept de Vlaamsche vader uit met het air van
een Romeinschen.
"Papa!"
"Wel vermaledijd! Denkt gij, dat ik u nogmaals zal toestaan, jonge
dame, mijn koetspaarden tot laat in den nacht buiten te laten wachten,
zooals gisteravond, zoodat zij 's morgens voor den vrachtwagen in slaap
vallen! De gravin van Mansfeld gisteren en de hertogin van Aerschot
morgen, en gij niet vóór het middagmaal uit uw bed! Mijn bedienden
spelen den baas in huis; gij houdt sinds weken uw huishoudboek niet
meer bij. Spreek mij niet tegen, dametje, ik heb uw huishoudboek
ingekeken, niets opgeschreven,--niets opgeschreven,--geen greintje
handelsgeest! Maar laat ik u zeggen," voegt de oude heer er aan toe,
"dat als zoo iets weer gebeurt, gij voortaan om acht uur beneden
zult zijn, om de vrouwelijke klanten in den winkel te bedienen,"
en hij wijst naar het gedeelte van het huis, waar het magazijn zich
bevindt. "Onthoud dat!"
En zijn woede verder opkroppend, zegt papa Bodé Volckers Guy en Oliver
vaarwel met de hatelijke opmerking, dat hij de zaken wel moet nagaan,
als niemand anders in huis het doet, en neemt den giegelenden jongen
met zich.
"Papa is heel zonderling. Een dergelijk gesprek begint altijd met den
tienden penning," merkt de jonge dame ernstig op. Dan vervolgt zij,
half zuchtend, half lachend: "Wij hebben dat bijna iedere week,
ofschoon niet altijd in het publiek. Hij zal zoo aanstonds wel
terugkomen," en zij begint verschrikt en zenuwachtig te lachen, als
de oude heer haar profetie vervult, door zijn hoofd door de deur te
steken en te roepen:
"En den Franschen kakkerlak, die u leert uw voeten in de lucht
te gooien, heb ik vanmorgen met ceintuur, halskraag en al de deur
uitgesmeten!"
Dit bericht blijkt echter te veel voor de zelfbeheersching der schoone
Wilhelmina. Met een kreet van schrik springt zij op. "O papa! Arme,
lieve, kleine monsieur de Valmy!" en de tranen springen haar in
de oogen.
"Ja, en de muziekmeester, die vent, die op het spinet speelt, zal
hem volgen. Niets meer van al die malle bokkensprongen, niets meer
van al die halve trillers en dat hooge Italiaansche gegil," bromt de
oud-burgemeester. "Denk aan den tienden penning! Op een goeden dag
zal ik zelf nog muziekmeester moeten worden," en onder het uiten van
die buitensporige profetie verdwijnt Bodé Volckers naar zijn kantoor.
Maar dit is iedereen te kras. Allen beginnen te schateren, juffrouw
Wilhelmina het hardst, steeds uitroepend: "Muziekmeester! Daar is
hij juist voor in de wieg gelegd! Halve trillers en gegil!"
En terwijl zij plaats neemt voor het spinet, begint zij glimlachend
een Provençaalsch liedeke te zingen, met zooveel natuurlijke gratie,
dat beiden, Oliver en Guy, eenstemmig verklaren, dat het schande zou
zijn, als de muziekmeester werd afgedankt, tiende penning of geen
tiende penning.
Dit schijnt hen allen op hun gemak te zetten, en juffrouw Bodé Volckers
vergast nu de heeren op een verslag van het groote feest bij de gravin
van Mansfeld ter eere van Dona Hermoine de Alva, den vorigen avond,
en noemt de namen van de seigneurs de Noircarmes, d'Avila, Mondragon,
Gabriel de Cerbolloni en andere officieren en edelen, die tegenwoordig
waren, evenals de jongere gravin van Mansfeld, de aristocratische
barones d'Ayala en de schoone Dona Anica de la Medrado, die juist
uit Madrid was aangekomen en de laatste modes had meegebracht. "Ik
was de eenige _uit de stad_," voegde zij er argeloos aan toe, "maar
mijn dansen werd zeer bewonderd."
Een oogenblik later wordt dit bewezen.
Men hoort het trappelen van hoeven op het plein en men ziet vier
prachtige Spaansche muilezels aankomen met een staatsiekoets achter
zich, de voorrijders en lakeien in de schitterende livrei van Alva.
Een seconde later komt Dona Hermoine de kamer binnen, gekleed in
kostbaar bont, haar trotsch hoofd beschaduwd door een zwierigen
Spaanschen hoed met lange witte veeren, haar donkerkleurig gelaat
stralend, terwijl haar oogen nog levendiger worden, zoodra zij Guy
opmerkt. Achter haar aan schrijdt de gravin De Pariza, duena van top
tot teen.
Ofschoon Guy en Oliver zoo vlug mogelijk opstaan om rang, titel en
schoonheid te begroeten, is juffrouw Bodé Volckers hun toch reeds
voor en verwelkomt de dames, die haar en haar huis zooveel eer aandoen.
"Hoe minzaam van u, Dona de Alva, hoe vriendelijk van u, gravin
De Pariza," zegt zij, "om mij zooveel eer in mijn eigen huis te
bewijzen," en buigende tot op den grond, kust zij Hermoine's hand,
hetgeen die jonge dame, dochter van den onderkoning van Spanje,
genadig veroorlooft,--daarna gaat deze echter onmiddellijk op de
buigende heeren af, om hun hetzelfde voorrecht toe te staan.
De gravin De Pariza steekt haar deftige, magere, strenge hand niet
uit als de dochter van den oud-burgemeester tot op den grond voor
haar buigt, doch zegt tamelijk uit de hoogte: "Wij zijn hier gekomen,
_juffrouw_ Bodé Volckers, om u nog eens te zien dansen. Het verschafte
mij gisteravond veel vermaak."
"Om mij te zien dansen--_hier_?" zegt de jonge dame pruilend,
omdat de Gravin haar aanspreekt met _juffrouw_, den titel van de
middelklassen, en haar met weinig meer onderscheiding behandelt
dan een dienstmeisje. "Ik--ik ben niet in kostuum. Buitendien, deze
heeren--". Juffrouw Bodé Volckers is geheel van haar stuk gebracht,
daar het verzoek het karakter draagt van een bevel, dat haar voor
kapitein Guido Amati meer het voorkomen geeft van een danseres,
dan van een jonge dame uit de groote wereld.
"O, gij kunt uw kostuum immers aandoen. Ga naar boven en haast u een
weinig. Die rose zijden kousen staan u goed," antwoordt senora De
Pariza. "En wat deze heeren betreft,"--zij vestigt haar Argusoogen op
Chester en Oliver, die in gesprek zijn met Dona Hermoine, ofschoon
Antony, als onder-secretaris van haar vader, een weinig achter den
Engelschman staat, die een krijgsman van rang en aanzien is met
zijn titel van kapitein van de musketiers,--"dat zijn natuurlijk
familieleden, daar gij ze alléén ontvangt, juffrouw Bodé Volckers. Maar
dat komt niet te pas voor een meisje van uw leeftijd. Slechts met
broers mag men zich zoo iets veroorloven, met neven is het reeds
gevaarlijk. Wip dus vlug de trappen op en trek dat Hongaarsch kostuum
aan, dat u gisteravond zoo goed stond. Ik zal een mijner Moorsche
meisjes vragen, om op het spinet te spelen."
En de duena wil zich reeds naar de deur begeven, om een der meisjes te
laten komen, als Dona Hermoine, die de verlegenheid opmerkt, waarin
het bevel het jonge meisje, dat haar hartje zoo hoog draagt, heeft
gebracht,--met die neerbuigende minzaamheid, waarmee hooggeplaatste
personen beneden hen in rang staanden op hun gemak weten te zetten,
plotseling uitroept:
"Dansen, gravin? Dan ben ik tot uw dienst!" en met een bevalligen zwaai
haar pelsmantel afwerpend en den zoom van haar zijden japon opnemend,
staat zij in een losse, bevallige houding voor hen, terwijl zij
lachend zegt: "Castagnettes, en ik ben een Andalusische Zigeunerin!"
Maar de duena keert onthutst terug en roept verbolgen uit: "Voor deze
heeren, Dona de Alva?"
"Waarom niet, als ik goed genoeg kan dansen, om hen te
behagen? Kapitein Guido heeft mij gisteravond zulk een grooten dienst
bewezen, dat ik wel iets tot zijn belooning en voor zijn genoegen
mag doen, en senor Oliver is iemand, die tot mijns vaders huishouding
behoort en als zoodanig een goede bekende."
Bij deze woorden deinst Oliver een stap achteruit. Den vader, den
tyran, kon hij verraden, maar de gedachte, dat dit wezen, zoo goed en
beminnelijk, hem eens voor een verrader en een laaghartige zal houden,
doet nu reeds de wroeging aan zijn hart knagen.
"Dansen! De dochter van den Onderkoning hier dansen en haar voeten
hoog oplichten?" roept de duena verontwaardigd uit.
"Waarom niet?" lacht het meisje overmoedig. "Heb ik dan niet geposeerd
voor Oliver's Madonna--en dat nog wel met _bloote_ voeten? Eenmaal
zal ik senor Antony beroemd maken of, liever, hij zal mij onsterfelijk
maken door zijn talent en zijn altaarstuk."
"Gij hebt voor uw voeten geposeerd?" zegt Guy op halfluiden toon,
met verrukking het fraai gevormde voetje beschouwend, dat het meisje
laat zien, terwijl zij nog steeds in de houding van een Zigeunerin
voor hen staat.
"Ja, ik hoop, dat hij ze naar uw smaak klein genoeg geschilderd heeft,"
lacht de jonge dame. "Maar ga gij aan het spinet zitten, senorita
Mina, en speel voor mij, opdat ik de gravin De Pariza met een dansje
genoegen kan doen," voegt Dona Hermoine er aan toe, haar duena, die
haar verlangen naar een proeve van de kunst van Terpsichore geheel
schijnt verloren te hebben, schalks aankijkend.
Deze zegt dan ook scherp: "Als juffrouw Bodé Volckers niet genegen is,
mij het genoegen van gisteravond nog eens te doen smaken, zal ik naar
haar vaders winkel gaan en zien, of daar vandaag ook koopjes zijn te
doen in Lyonsche zijde en fluweel en Venetiaansche kant."
"Dat zou ik denken!" merkt Oliver op. "Buitengewone koopjes! De schade,
door het water veroorzaakt, moet alle prijzen verlaagd hebben."
"Koopjes? Kom, laat ik dan eens gaan zien," en De Pariza begeeft zich
naar de deur om haar beide Moorsche meisjes te roepen, maar Guy, die
haar reeds, van het oogenblik af, dat zij binnenkwam, naar de maan
heeft gewenscht, haast zich beleefd de deur voor haar te openen, die
toegang geeft tot het binnenplein, aan welks overzijde het magazijn
van den koopman zich bevindt.
Dona Hermoine is blijkbaar niet gekomen, om ook inkoopen te doen;
zij vergezelt haar duena tenminste niet, maar blijft nog staan,
een toonbeeld van gratie, in de houding, die zij voor den dans heeft
aangenomen.
"Gij maakt u niet druk met nieuwe kostuums, Dona de Alva," merkt
Guy droomerig op, geheel onder den indruk van de bevallige pose
van het meisje, die nog wordt verhoogd door het engsluitende half
Zuid-Spaansch, half Moorsch kostuum van dunne stof, dat elke lijn van
haar bevallige schoonheid duidelijk doet uitkomen en, opgenomen door
een fijn handje, even een enkel laat zien, zoo volmaakt in proportie
en vorm, dat dichters er over zouden droomen,--maar de vermetele
jonge zeeman is er eenvoudig verliefd op.
"Neen, waarom ook? Ik heb ze bij dozijnen, die ik niet eens alle
draag, en Papa zou er mij duizend geven als ik dwaas genoeg was,
er hem om te vragen," antwoordt Dona Hermoine, haar Zigeunerhouding
opgevende en haar Moorschen rok latende vallen. "Hij geeft mij alles,
wat ik begeer." Dan merkt zij naïef op: "Gij zijt mijn naam te
weten gekomen--gij weet nu, dat ik de dochter van den Viceroy ben,
kapitein Guido _Amati_. Gij--gij ziet, dat ook ik uw naam ben te
weten gekomen. Of beter gezegd: majoor Guido Amati."
"Majoor?"
"Ja; bevorderd sedert vanmorgen!"
"Maar uw vader--?"
"O, ik heb hem er niets van gezegd. Gij zijt afwezig zonder verlof. Ik
heb ook niets gezegd aan Sancho d'Avila, die kolonel in uw regiment
is, tijdens Romero's verblijf in Spanje. Maar er was een plaats open
en het was gemakkelijk, haar te doen geven aan kapitein Guido Amati,
die, zooals mij werd verteld, de dapperste officier van het leger is,
of althans een van de dappersten."
"Majoor bij Romero's voetvolk!" stamelt Guy, die haar, terwijl zij
sprak, geheel verbijsterd heeft aangestaard.
"Ja, ik heb de monsterrol van het regiment zelf ingezien, om mij te
overtuigen, dat kapitein veranderd was in majoor."
"De monsterrol!" brengt Guy met moeite uit, zijn ooren niet
vertrouwend.
"Ja, er zijn duplicaten in de Citadel."
"De monsterrol in de Citadel," stamelt hij, geheel verbluft. Maar hij
is gelukkig zoo wijs te bedenken, dat verbazing hem zal verraden,
en dat dankbaarheid het eenige is, waarmee hij deze verrassende
mededeeling kan ontvangen, een dankbaarheid, die hem niet moeilijk
valt. Zijn voordeel doende met de houding der jonge dame, want zij
heeft haar hand naar hem uitgestrekt met een gelukkig, bevallig gebaar,
drukt hij er één kus van erkentelijkheid op en twee kussen van liefde,
waarop mademoiselle Brunette's leliën in rozen veranderen.
Dit wordt begunstigd door de omstandigheid, dat het paar zich alleen
bevindt, daar Oliver de schoone Mina heeft meegetroond naar de
aangrenzende kamer en haar in het oor fluistert: "Kijk eens in Dona
Hermoine's oogen. Leest gij daarin geen verzoek, dwaas meisje? Zij
redde u uit de verlegenheid, waarin haar duena's verzoek om te dansen
u bracht; doe nu ook iets voor haar. En doe ook uw vader genoegen. Ga
naar het magazijn en wees koopvrouw. Laat de gravin De Pariza de nieuwe
stoffen zien. Maak er koopjes van. Stel den prijs de helft lager."
"_De helft_ lager! Goede hemel, wat zal mijn vader daarvan zeggen?"
"Ik zal het ontbrekende betalen, of liever kapitein Amati."
"O, nu vat ik het," lacht het meisje. "Maar wat zal haar vader,
de geduchte Hertog, zeggen?"
"Hij zal het nooit te weten komen, als gij de gravin De Pariza maar
koopjes genoeg aanbiedt, om haar een geruimen tijd bezig te houden. Doe
het--voor mij."
"O, gij-!"
Want de schilder heeft aan dit "voor mij" kracht bijgezet, door haar
een zoen te ontstelen.
Aldus geprest en een blik opvangend uit Hermoine's schitterende oogen,
waaruit werkelijk een verzoek spreekt, snelt Mina weg, om op Oliver's
aandringen de kostbaarste stoffen in haar vaders magazijn tot koopjes
te verlagen, en de prijzen zóó te verminderen, dat Bodé Volckers
krankzinnig zou worden van ergernis, als hij er bij tegenwoordig was
geweest; maar mijnheer Bodé Volckers is gelukkig naar de kade gegaan,
om het oog te houden op het lossen van een schip.
Oliver begeeft zich naar het uiterste einde van het aangrenzende
vertrek, en ofschoon hij feitelijk aanwezig is, ziet hij toch
inderdaad niets en de dochter van den Onderkoning en Guy Stanhope
Chester zijn alleen.
"Gij ziet," zegt de jonge dame schalks, "dat ik onderzoek naar
u heb gedaan. O, heb maar geen zorg. Niemand weet, dat gij hier
zijt,--afwezig zonder verlof. Zij zouden u misschien geen majoor hebben
gemaakt, als hun dat bekend was geweest. Maar ik heb hooren verluiden,
dat gij nog meer zijt dan _majoor_ Guido Amati; gij zijt majoor Guido
Amati de Medina, zoon van Hernandez de Medina, eens gouverneur van
Hispaniola, en gij hebt gezworen uw doorluchten familienaam niet te
zullen dragen, voordat gij generaal zijt, en dat zal nu niet lang
meer duren."
Daarna roept zij, in de handen klappend, levendig uit: "Nu, als gij een
Medina zijt, moet gij een neef zijn van den hertog van Medina Coeli."
"Slechts--een neef--in den derden graad," stamelt Guy, die denkt,
dat zijn ooren hem bedriegen, ofschoon hij weet, dat zijn oogen hun
werk uitstekend doen.
"Nu, hoe dat ook zij, gij hebt het bloed van de grandes van Spanje
in uw aderen, en als zoodanig staat uw familie gelijk met de mijne,"
merkt het meisje op, een veelbeteekenenden nadruk leggend op de
laatste woorden. "Als zoodanig moogt gij natuurlijk aan mijn zijde
_zitten_," en terwijl de jonge dame op een Turksche sofa plaats neemt,
een toonbeeld van beweeglijke gratie, noodigt zij Guy uit, gebruik
te maken van het voorrecht, dat hij geniet als haar gelijke in rang.
En als zij den Engelschman daarbij aankijkt, kleurt zij tot achter
de ooren, en als antwoord begint Guy's hart sneller te kloppen,
als hij bespeurt, wat er in het meisje omgaat.
"Ik ben blij, dat gij zooveel van mij weet," zegt hij lachend. "Blij
dat, hetgeen gij te weten zijt gekomen, u niet mishaagt."
"O, dat weet ik nog niet," merkt de jonge dame op, en zegt met
schalkschheid in haar toon, maar met trillende lippen: "Men fluistert
ook, dat kapitein Guido Amati een zeer wild jongmensch was. Ik hoop,
dat majoor Guido Amati zich beter zal gedragen. Men zegt echter
tegelijk, dat gij de dapperste officier van het leger zijt." En het
meisje kijkt hem verheugd, stralend en trotsch aan.
Waarschijnlijk heeft haar verbeelding een geschiedenis verdicht,
waarvan Guido Amati de held is; het toovert een licht in haar oogen,
dat haar schoonheid verhoogt, want bezat zij niet zooveel vrouwelijke
gratie, levendigheid en gevoel, dan zou haar schitterend vernuft
misschien aan Hermoine de Alva's schoon gelaat een te groote koelheid
verleenen.
Maar nu het romantisme in haar natuur, dat tot nu toe sluimerde,
in haar ontwaakt, wordt haar teeder gelaat als bezield,--als om een
heilige te doen ontbranden, maar een zeeman...
En hetgeen zij zegt, maakt de gelegenheid des te schooner. Zij houdt
den ring met den robijn in de hoogte en fluistert: "Gij hebt mij
dien teruggegeven?"
"Alleen om u nog eens te zien," en Guy gaat naast haar zitten.
"Als gij mij dan nog eens wilt zien, neem hem dan terug--schielijk."
"Nooit!"
"_Nooit_?"
"_Nooit_! tenzij gij dezen ring, een van mijn sieraden uit Hispaniola,
aan uw vinger wilt dragen." En de Engelschman maakt van zijn halsketen
een ring los, waarin slechts een enkele diamant is gevat.
"O, Santos! wat doet gij?" stamelt het meisje.
Hij heeft nu haar fraai handje gegrepen en haar oogen kijken een
oogenblik in de zijne en worden dan neergeslagen, zoodat de oogleden
ze geheel bedekken. Het volgend oogenblik schittert de diamanten
ring aan haar slanken vinger en Hermoine de Alva, de dochter van
den onderkoning van Spanje, is slechts een vrouw--een liefhebbende
vrouw--voor dezen man, die niet gedongen heeft naar haar hart, maar
er zich stormenderhand van heeft meester gemaakt.
"Neem den robijn--nu gij mij den diamant hebt gegeven," fluistert
zij. "_Gij weet wat dat beteekent_?"
"Goede Goden, of ik dat weet! Nu zijt gij mijn verloofde. Mijn,--mijn
voor altijd!" En zijn overmoedige lippen geven haar kus op kus, niet
als den vorigen avond, den vluchtigen, half geroofden kus onder de
mistletow, maar den kus van een verlangend hart.
"Pas op! Ik--ik ben de dochter van den Viceroy," fluistert het
meisje. Zij laat haar hoofdje hangen, kijkt hem een oogenblik later
weer aan en zegt met veel nadruk: "Mijn Guido, gij zijt vermetel!"
"Ja," fluistert hij. "Al waart gij ook de koningin van Spanje, ik
zou u toch liefhebben."
"Dan zou uw liefde hopeloos zijn!"
"Daar gij echter, Gode zij dank, Hermoine de Alva zijt," antwoordt Guy,
"zal mijn liefde triumfeeren en zal ik u, dochter van den Viceroy,
tot mijn vrouw maken. Hoort gij het?"--want bij het hooren van dezen
nieuwen titel maakt zij een gebaar van ontsteltenis. "_Vrouw_! En elken
keer dat gij tot mij zegt: 'Ik ben de dochter van den Viceroy,' of:
'Neem u in acht voor den landvoogd der Nederlanden!' moeten uw lippen
boete betalen, twee kussen voor ieder woord."
"Madre Mia! Wat zijt gij onstuimig," roept het meisje uit, zich
verzettend tegen de verlangde boete. Want Guy Stanhope Chester is
half krankzinnig van liefde en ofschoon hij deze jonkvrouw, zijn
gevangene, met eerbied behandelt, maakt hij haar toch op zulk een
vrije en losse zeemansmanier het hof, dat hij de dochter van den
Onderkoning geheel tot zijn slavin maakt. "Heilige Maagd! gij--gij
zijt zoo--zoo geheel anders."
"Dan wie?" roept Guy jaloersch.
"Dan--dan mijn andere aanbidders, die mij naderen, buigend tot op
den grond, flauwe complimenten afstekend en bedelend om de eer van
mijn hand."
"En dat hebben zij durven doen!" stuift onze held op, die nu deze
aanminnige brunette, met de zielvolle, goddelijk schoone oogen,
de wangen, waarop rozen en leliën bloeien, den blanken hals en de
verrukkelijke vormen, half meisje, half vrouw,--kortom, Hermoine de
Alva,--als zijn eigendom beschouwt.
"Durven doen?" pruilt de jonge dame. Dan zegt zij lachend: "Waarom
niet? Ben ik dan _zoo_ leelijk?"
"Neen, neen; al te schoon."
"En waarom zouden dan de Spaansche grandes en generaals en hidalgo's
van vier en twintig kwartieren niet met nederige woorden en op
eerbiedige wijze smeeken om een eer, die gij maar stoutweg neemt,
mijn vermetele Guido, alsof de hemel u had gelijkgesteld in rang met
mij, de dochter van den Viceroy!"
"Dat heeft hij ook, door de liefde, uw liefde," en Guy neemt haar
opnieuw in zijn armen, fluisterend: "Gij spraakt de woorden: 'dochter
van den Viceroy'. Denk aan de boete."
"Neem ze, tyran," fluistert het meisje, en met dezen naam, dien vrouwen
bij voorkeur geven aan hen, die over haar liefde weten te gebieden,
legt zij haar ziel op haar lippen en geeft ze hem.
En dit spelletje zou in het oneindige voortgeduurd hebben, daar het
paartje zich daarbij bijzonder schijnt te vermaken, als niet Oliver
met luide voetstappen zijn komst uit de andere kamer had aangekondigd.
Hij komt op hen af, en voor de jonge dame buigend, zegt hij: "Dona
de Alva, ik heb de eer als heraut van uw vader u van zijn komst
te verwittigen!"
"Papa! Hier?" en met deze woorden springt het meisje op.
"Ja, de cavalcade is reeds op de Schoenmarkt, de Hertog zoekt u
waarschijnlijk. Ik zal de gravin De Pariza roepen."
Als Oliver de deur achter zich toetrekt, begrijpt Guy, dat de tijd
van afscheidnemen gekomen is, want Hermoine grijpt haar pelsmantel
en fluistert: "Het is beter, dat Papa u niet ziet, daar gij u zonder
verlof uit uw garnizoen verwijderd hebt. Ik zal hem op straat te
gemoet gaan."
En als Guy haar in haar mantel hult, iedere aanraking een
liefkoozing, zegt zij vol beteekenis: "Ik ga een paar maanden in
Brussel doorbrengen, maar als majoor Guido Amati de Medina verlof
vraagt, om zijn garnizoen te Middelburg te mogen verlaten, zal hij het
ongetwijfeld krijgen. Verwaarloos echter uw militaire plichten niet
ter wille van mij. Denk er vooral aan, mijn Guido, dat elke schrede
voorwaarts, die gij in het leger doet, u nader brengt bij de kerkdeur,
waar uw bruid u wacht, die gij hebt doen vergeten, dat zij de dochter
is van den Viceroy!"
"De boete!" roept Guy, en neemt zijn kus zeer plechtig, want het rumoer
van de naderende menigte kondigt reeds de komst van haar vader aan.
Waarop de jonge dame met een allerliefst pruilmondje zegt: "Hoe
akelig! Men zou denken, dat gij een aanbidder waart, die geen succes
heeft! Maar uw boodschap door Oliver sprak van gevaar," en er klinkt
angst in haar stem.
"Ja, ik moet het wachtwoord van hedenavond hebben, om de schildwachten
te kunnen passeeren. Ik moet vanavond nog vertrekken."
"Om in Middelburg te zijn als uw bevordering aankomt, natuurlijk. Ik
heb daaraan gedacht en het wachtwoord meegebracht." Dit zeggende,
overhandigt zij hem een klein papiertje.
Hij leest: