De ontdekking van de groote Newfoundlandbank voor de kabeljauwvangst

was de eerste slag, aan Penmarch toegebracht. De stad behield echter

nog haar handel met Spanje, handel in geweven stoffen, hennep,

vee enz. Toen volgde de vreeselijke ramp, de groote springvloed,

die de haven deed verzanden en oorzaak was van de verplaatsing

der kabeljauwbanken. Toch gaat Souvestre voort: "In het begin van

de 16de eeuw was het nog een belangrijke stad. Hendrik II stond

in 1557 aan zijn gelukkigsten boogschutter het recht toe, onbelast

vijf en veertig vaten wijn te verkoopen, een voorrecht, dat Rennes en

Nantes niet hadden kunnen verwerven. Maar tegen dien tijd begonnen de

zeeroovers meer aanvallen te doen en brachten der stad groote schade

toe". Ten slotte noemt Souvestre een ramp, misschien een springvloed,

die driehonderd booten deed schipbreuk lijden, op elk waarvan zich

zeven man bevonden. Veel kooplieden verlieten toen Penmarch met al

wat zij bezaten, om zich te gaan vestigen te Roscoff, Quimper, Brest

en Audierne.

Tijdens de Ligue wilden de bewoners zich bij geen enkele partij

aansluiten; zij bouwden een fort te Kerity, stelden enkele der op

de gevaarlijkste plaatsen gelegen huizen in staat van verdediging en

veranderden de kerk van Tréoultré in een arsenaal en een schuilplaats

voor de vrouwen, kinderen en grijsaards. Dit was niet voldoende, om

Fontenelle tegen te houden, die door list de stad binnendrong, waar

zijn volk zonder mededoogen plunderde en moordde. Moreau zegt, dat de

heftigste moordtooneelen in de kerk plaats hadden, waar de bedden der

stedelingen tot bij het altaar stonden. De rooverhoofdman liet naar het

eiland Tristan in de baai van Douarnenez driehonderd booten met buit

brengen. Ondanks die ramp ging Penmarch niet aanhoudend meer achteruit.

Op het tijdstip, toen Souvestre zijn reisverhaal deed, telden

de beide dorpjes slechts achttienhonderd inwoners; nu wonen er

zesduizend. Men heeft te Kerity en te Saint-Guénolé visschersbooten en

sardinebereiding. Er zijn uit den tijd, dien wij hebben opgeroepen, nog

enkele oude huizen over, die hun gordel van verdedigende muren hebben

behouden en ook torentjes bezitten. Er zijn ook zes kerken of kapellen,

waarvan Sint-Nonna de voornaamste is. Een opschrift boven de deur

vermeldt: "Op den dag van den Heilige Renatus in 1508 werd deze kerk

gesticht, en de toren in het jaar 1509". Het gebouw ziet er massief en

indrukwekkend uit en is versierd met grappig beeldhouwwerk, figuren,

druiventrossen, scheepjes. Het heeft een grooten vierkanten toren

met slanke torenspits. Binnen in de kerk vindt men een gebeeldhouwd

doopvont en een schilderij bij het hoofdaltaar, voorstellend het bezoek

van Lodewijk XIII te Penmarch. De kerk van Kerity, die het oudst is,

heeft als buurvrouw de kerk van de Tempeliers, die in zeer slechten

staat is, maar toch nog stevig in elkaâr zit.

Ik heb al gezegd, dat er hier veel kerken zijn, de Sint-Pieterskerk,

de Notre Dame en de Saint-Guénolé, een der mooiste met haar vierkanten

toren, haar kijkgaten voor de bewakers en haar deur met gebeeldhouwde

scheepjes. Doch er zijn heel andere versterkingen aan het strand

der zee, reuzengroote, vlakke steenen, waar de golven over bruisen,

grillig uitgetande rotsen, waar de zee tegen breekt. Bij laag water

zijn het velden met verspreide steenbrokken, gelijkend op kudden van

dieren, die er weiden of er hun prooi beloeren. Als de vloed opkomt,

krijgt men den indruk van een voortdurend werkende, onweerstaanbare

macht. De vloed komt eerst met kleine witte randjes, die het zand

omzoomen als met witte kant. Dan neemt de beweging toe, de wind stuwt

de golven op, de golven worstelen tegen hinderpalen, en langzamerhand

schijnen van den verren horizon reusachtige golven op te komen, de

"witte paarden van de zee", waar een grieksch dichter van spreekt. Nu

moet er worden opgepast. De golven zijn vraatzuchtig, zelfs in tijden

van mooi weêr. Er komen slechts kleine rimpelingen aan de oppervlakte,

regelmatige golfjes, die harmonieus op elkander volgen, en waar men

voor kan wegloopen, als zij wat hoog komen of haast maken en teveel

terrein winnen.

Maar er is iets anders. Onder de kalmste zee, bij den vriendelijksten

zonneschijn, als een zachte koelte alles liefkoost en de vlinders uit

de heggen aan het strand der zee komen vliegen tot boven de eerste

golfjes, die met het zand spelen, kan zich in open zee op groote

diepten een onmetelijke golf vormen, die haar beweging vervolgt, zonder

zich door iets te verraden op de altijd kalme oppervlakte. Plotseling

rijst dan die verborgen golf omlaag, heel dicht bij het strand,

wordt hooger en hooger, tot zij reusachtig is en zwaar en op het

land neerploft met onweerstaanbare kracht, alles verpletterend en

meesleurend. Zoo werden op een dag in den herfst, October 1870,

de vrouw van een ambtenaar uit Quimper met haar dochtertjes en de

kindermeid, in 't geheel vijf personen, van een vlakken steen aan

het strand, waar zij zich volkomen veilig waanden, meegesleurd naar

de open zee. Er is een kruis in de rots gespijkerd als herinnering

aan die gebeurtenis.

Bij Penmarch ziet men den oceaan reeds in zijn volle kracht, zonder dat

iets hem tegenhoudt. Vooruit staat Torcherots, een hol geraamte, waarin

de zee weerklinkt als in een schelp. Bij de Philopenrots laat men u

een grot zien, waar Girondijnen zich in 1793 hebben verscholen. Men

is ook inderdaad te Penmarch aan het eindje van de wereld, en men

moet wel op zijn schreden terugkeeren, als men de kust niet wil

volgen tot Audierne. Ik moet trouwens naar Quimper. Dien weg langs

de kust wil ik een andere maal in tegengestelde richting volgen,

als ik van Audierne kom. Men kan toch niet altijd tusschen groote

steenen leven en het is mij aangenaam, eens weer naar een echte,

groote stad te gaan, waar wat meer te genieten valt dan te Penmarch,

juist als men na een zeker aantal dagen, in een stad doorgebracht,

blij is naar een rustige streek te vertrekken.

Dus vooruit naar Pont-Labbé des avonds, en van daar naar Quimper

per spoor. Ik ben er aangekomen in den avond, dus heb ik den eersten

aanblik van een mooie stad in 't volle daglicht gemist. Doch dien kreeg

ik den volgenden dag, een Zondag, en ik heb de sobere genoegens van

dien dag met voldoening genoten, mij amuseerend met militaire muziek

en met de families van de militairen: papa's, mama's en jonge meisjes,

sterk zich bewust van de contrôle waaronder zij worden gehouden! Wie

zal de kleine drama's tellen en de groote comedies, die daar worden

afgespeeld op zoo'n marktplein in een provinciestad, terwijl het

koper zich waagt aan marschen en ouvertures van opera's.

Maar laat ons over Quimper spreken, de oude hoofdstad van het

graafschap Cornwallis, aan de samenvloeiing van de Steir en de Odet

tegenover het exercitieterrein.

Het eerste feit, dat de geschiedenis van Quimper verhaalt, is een

opstand van de plaats tegen het romeinsche juk aan het einde van

de 14de eeuw, toen zendelingen beproefd hadden de bewoners tot het

christendom te bekeeren. De zendeling werd bisschop, en dit was het

begin van de macht der geestelijkheid in dit land; het gezag der

bisschoppen werd zoo groot, dat zij in de elfde eeuw over de stad

een onbeperkt gezag uitoefenden en den naam van heeren droegen,

rechtstreeks onder den hertog geplaatst, met een staf, die zoowel

in het tijdelijke als in het eeuwige alles bestierde. De stad, die

in de 13de eeuw door Pierre de Dreux versterkt was, werd ingenomen

en in 1344 geplunderd door Karel van Blois. Montfoort sloeg er het

beleg voor in het volgend jaar; hij werd afgeslagen, maar zijn zoon

werd er ontvangen en erkend. Bij het oproer van 1489 versloegen de

gewapende boeren de Spanjaarden, die Quimper te hulp waren gekomen,

plunderden hun tenten, en daarna werden de opstandelingen op hun beurt

verslagen door de hertogelijke troepen in de velden rondom Pont-Labbé.

Quimper is een licht en vroolijk stadje, schilderachtig door zijn oude

wijken, die met de nieuwe afwisselen. Eerst was het alleen op den

rechterover van de Odet gebouwd, smal bij de Steir en voorzien van

kaden. Maar de noodzakelijkheid maakte, dat de stad zich uitbreidde

op den linkeroever, waar men nu rechte en breede straten vindt met

fabrieken, werkplaatsen en woonhuizen, overal met brugjes, om van

den eenen oever naar den anderen te komen.

In 1901 is in de stad een kunstmuseum voor den godsdienst opgericht;

men vindt er beeldhouwwerk, schilderijen, geschilderde kerkglazen,

borduurwerk en heilige boeken. In 't stadhuis is een rijke bibliotheek,

met ongeveer dertig duizend deelen, waaronder veel zeldzame uitgaven,

zooals een bretonsch woordenboek, een der oudste die bekend zijn, te

Tréguier gedrukt in 1499. Het museum heeft ook buiten beeldhouwwerk en

schilderijen archaeologische verzamelingen en belangrijke collecties

ethnografica, waarvan een deel geschonken is door den heer Silguy. De

heer Bougeard heeft aan de stad een schoone collectie gravures

geschonken.

De oude gebouwen zijn er talrijk; het Sint-Katharinahospitaal

dateert van 1645; het lyceum, nog altijd in de gebouwen van het

Jezuietencollege is onder Lodewijk XIV gesticht; de kerk van Locmaria,

een voorstad van Quimper, is van de elfde eeuw, de kerk van den

H. Mattheus van de 13de, en dan is er nog de kathedraal van Quimper,

een der mooiste bouwwerken uit Bretagne. Als men er naar ziet van uit

de Groote Straat, die smal is en met vooroverhangende gevels een zeer

mooien indruk maakt, is het een imposant en rijk gebouw. Van het plein

gezien, maakt het een nog beteren indruk. Sommige gedeelten zijn uit

de eerste helft der 13de eeuw. De spitsen, die modern zijn en van 1854

dagteekenen, passen uitstekend bij de torens uit de 14de eeuw. Het

geheel vormt een der schoonste gothische bouwwerken uit Bretagne.

Door de oude straten wandelt men verder naar de kade langs oude

huizen met veel beeldhouwwerk, terwijl op den drempel de eene

of andere vrouw, in gedachten verzonken, den nieuweren tijd te

binnen brengt. Maar laat eens een buurvrouw of een toevallige

voorbijgangster een praatje beginnen, dan wordt de peinzende een

drukke babbelaarster. Al die menschen uit de straten van Quimper,

het personeel, dat kleine handelsbelangen heeft, huisvrouwen, die

op de Woensdagmarkt inkoopen gaan doen of op de kermissen van den

derden Zaterdag van iedere maand, jonge arbeidsters uit Locmaria,

allen zijn vlug en vroolijk. Ik heb enkele dagen gewoond in een der

kleine straten tusschen de Steir en de Odet, en daar heb ik tegen het

vallen van den avond, als ieder rust neemt en verademing zoekt na

de volbrachte dagtaak, hetzelfde gevoel gehad als te Morlaix en te

Quimperlé, bewonderend den goeden, opgewekten geest. De verdiensten

zijn gering; maar de menschen hebben weinig noodig, en hun gelukkige

aard doet de zorgen vergeten. Men behoeft den gang en het gelaat der

vrouwen maar te zien, om den opgewekten en toch zachten geest waar

te nemen van de vrouwen en meisjes, klein, een weinig dik, meestal

flink gebouwd en met heldere, open oogen.

Van af den berg Frugy heeft men onder de mooie beuken, die er heerlijke

lanen vormen, een prachtig uitzicht op de stad, de kaden, de beide

rivieren en de omstreken. Quimper is het middelpunt van een groen

land. Uit dicht opeenstaande daken stijgt blauwachtige rook omhoog;

de groote kathedraal schijnt als een groot schip op de zee van lage

daken te drijven. Dichterbij ziet men de voorstad Locmaria.

Daar wordt het bretonsche aardewerk gemaakt. Er is veel namaaksel,

en dikwijls ontmoet men teekeningen en versieringen, afkomstig

uit Rouaan. Maar er is ook een originaliteit, en die vind ik in de

gewoonste dingen. Men kent, omdat men ze in alle steden van Bretagne

heeft gezien en ze ook in de parijsche winkels heeft ontmoet, borden

en inktkokers, wijwaterbakjes, schotels, kandelaars en al die andere

voorwerpen, die de reizigers blij zijn aan te treffen, en die zij

meenemen als herinneringen aan de doorreisde streken. Maar er zijn

ook doodgewone borden, zooals ik er voor een kwartje gekocht heb op de

markt en die toch bekoorlijk zijn van levendige harmonische kleuren,

op de manier van veldbouquetten dooreengemengd. Ik heb ook kopjes

gezien in den vorm van klaverblaadjes met blauwe versierselen. Onder

de beeldjes ontmoette ik veel Heilige Anna's en Maria's en heiligen

in den vorm van kandelaars, geknield soms en in hermelijn gekleed,

met een bril op den neus.

Er wordt niet enkel aardewerk te Quimper gemaakt, maar ook porselein;

dan worden er metalen bewerkt en leder; er wordt bier bereid en men

kan er ingemaakte voedingsmiddelen krijgen; er wordt koren gemalen

en op enkele kilometers afstands, te Ergué-Gaberic, is een groote

papierfabriek. De handel is vooral graanhandel; ook wordt er handel

gedreven in was en honig, linnen en touw, vee en boter.

Buiten Quimper is de omgeving allerliefst. Deze streek alleen zou al

voldoende zijn, om de al te veel verbreide meening te niet te doen van

de eentonigheid van Bretagne's binnenland. Hier niet de gelijkheid van

de landes en ook niet de trotsche natuur van La Forêt. Laat men maar

eens de Odet volgen, niet naar de monding, maar stroomop; men zal dan

spoedig te Stangala blijven, doel van alle wandelaars uit Quimper,

die wat meer verlangen dan het zondagsche militaire concert. Dat is

een alleraardigst plaatsje met overvloed van bloemen, die op rotsen

groeien, zoo mooi, alsof men opzettelijk tuinen op het gesteente

had aangelegd.

Verscheiden malen ben ik naar de in zee ver uitstekende punt du

Raz gegaan, toen de spoorweg nog niet tot Audierne liep, en langs

verschillende wegen, maar altijd met Douarnenez als uitgangspunt. Eerst

is er een weg over Comfort, Pont-Croix, Audierne, dat is zelfs de ware

weg, de eenige, de klassieke weg naar du Raz. Buiten dien weg zijn er

alleen voetpaden en dwarswegen; dus gaan rijtuigen en voetgangers, die

wel eens een herberg willen aandoen, er alle over. Ik voor mij volgde

een andere route, mooier naar mijn smaak, langs de kust over Tréboul,

waar ik de zee heb zien zegenen door de priesters, en over Beuzec.

Toch is de weg over comfort en Pont-Croix niet zonder bekoring en ook

niet oninteressant. De natuur is er ernstig, zelfs somber, maar men

komt ook geen lachende landschappen zoeken bij du Raz. Trouwens de

vroolijkheid en de somberheid van een landschap zijn betrekkelijk. Zij

hangen van de stemming van den reiziger af, van toevallige

ontmoetingen, van een zonnestraal, die door den grijzen hemel breekt

en de bloemen der distels doet schitteren boven de vale kleur van

den grond. En dan, hoe schunnig en armoedig ook een gehuchtje is,

dat men passeert, 't is toch altijd een vereeniging van menschen, die

hun huizen bij elkander plaatsten, om samen 't lot het hoofd te bieden.

Met ziet vrouwen en kinderen op de drempels der huizen, mannen, die

van het land naar huis komen; men kan eens een winkel binnengaan, een

groet met menschen wisselen en een oogje slaan op wezens, die nuttig

werk verrichten en gevoel van solidariteit bezitten. Om te Audierne

te komen, behoeft men slechts den weg te volgen, die langs de rivier

loopt. Dan plotseling maakt die een bocht, en de weg gaat stijgen;

men ziet een visschersdorp met huizen langs de kade en heel veel

booten. Bij mijn eerste reis heb ik gelogeerd in een klein hôtel aan

de kade, bestuurd door het echtpaar Batifoulier. De Batifouliers waren

geen Bretagners, maar Auvergnaten; er zijn veel Auvergnaten in Bretagne

en allen hebben de gemeenschappelijke kenmerken van het keltische ras.

De Auvergnaat is meer handelsman en zuiniger is hij ook, zoodat het

hem meestal beter gaat in zaken. Maar Batifoulier was beroemd om

iets anders; hij had zijn bekendheid te danken aan zijn persoon, en

inderdaad was hij, dunkt mij, een eenig type. Hij was lang, maar niet

daardoor trok hij de aandacht; zelfs leek hij, oppervlakkig beschouwd,

van gewone lengte. Maar hij was buitengewoon breed; ik zou haast durven

zeggen, dat hij even breed als lang was, een bewegende toren en een,

die langzaam bewoog, een olifant of een hippopotamus, dien men gekleed

had in een broek en buis en met een klein hoedje. Alle vergelijkingen

met groote gebouwen en zware beesten kwamen iemand in den zin, als ze

dien forschen man zagen met zijn enorme ledematen. Maar het gezicht! Ik

heb nooit zoo'n groot gezicht gezien met zijn twee reuzenwangen,

een waterval van kinnen, een knevel en een puntbaard en alles vrij

regelmatig, met kleine boosaardige oogjes in die vetmassa. De kleur

was niet rose, ook niet rood, maar paars.

Die kolossus had tot vrouw een oud, in 't zwart gekleed mensch, met

een zwart doekje om het hoofd en een mager lijfje. Zij bestuurde de

zaak en ze deed dat goed. Hij, Batifoulier, was een volmaakte waard;

zijn huis en hij waren één. Men moest hem zien op het trottoir, als hij

belde voor de maaltijden. Met hoeveel overtuiging ging dat. Nooit zag

een redenaar op de tribune, een priester bij het altaar er ernstiger

uit. Dus men kan begrijpen, hoe het was, als hij voorzat aan de

table d'hôte, want hij gebruikte zijn maaltijd met de gasten. In het

midden van de tafel gezeten, drie plaatsen vullend voor zich alleen,

diende hij den gasten de koolsoep voor en zat voor bij de maaltijden

der ambtenaren, die er geregeld tweemaal per dag kwamen.

Hij presenteerde ook de sardines, wijzend, hoe men die moest eten,

in één hap ze verslindend, na kop en graat behendig te hebben

verwijderd. Hoeveel at hij ervan? Dat weet ik niet. Maar 't was

afgrijselijk. En het kwam mij voor, dat de booten, welker masten ik

gezien had in de haven vóór 't hôtel, alleen daar kwamen, om sardines

te lossen, bestemd den honger te stillen van den auvergnaatschen

reus. Hij sneed ook het gebraad voor en schonk den appelwijn. Goedig

van aard en zeer voorkomend, trotsch op zijn rol in 't leven, had

hij bij het waarnemen der honneurs van zijn huis iets van den grand

seigneur, van Porthos, den musketier, ontsnapt uit de grotten van

Locmaria en hotelier geworden te Audierne.

Men had het dus goed bij Batifoulier, ondanks de sardines aan alle

maaltijden, en die men niet kon weigeren onder de allesziende oogen in

het groote, paarse gelaat. Er werden ook heerlijke dingen gebraden in

den jachttijd, en alle ambtenaren van de belasting en de griffie en

de politie waren, dat begrijpt men, niet achterlijk in 't vertellen

van hun jachtavonturen.

Dan had men er de zee in de buurt, die heel uitlokkend was, die

ongebogen lijn van de Audierne-baai, die van kaap du Raz tot de

Torchebaai gaat en de rotsen van Penmarch. Van de pier, die moedig

in de open zee is uitgebouwd, heeft men een prachtig gezicht op de

open baai. De haven is niet van zooveel beteekenis als Douarnenez en

Concarneau. Er zijn niet meer dan honderd visschersschepen te Audierne;

maar ze zijn voldoende om levendigheid te brengen, als ze uitgaan of

thuiskomen of stil liggen in de baai.

Ze zijn bemand met ruwe kerels, die stil en bedaard zijn bij hun werk,

maar die luidruchtig en geweldig zijn des Zondags en op vrije dagen,

als ze herberg in, herberg uit loopen. Ik herinner mij een Zondag,

toen ik was gaan wandelen naar Plouhinec aan de overzij van de rivier

Goayen. Daar ik mij wat verlaat had, ging ik niet weer den omweg over

de brug, maar wou den overtocht doen met een bootje van een man uit

Audierne. Ik kreeg gauw spijt van dat besluit en dacht honderdmaal,

dat we op dat korte eindje naar den kelder zouden gaan met het bootje

vol dronken menschen, dat tusschen andere luidruchtige bootjes door

moest varen. Voor 't vervolg ging ik liever des Zondags naar Plouhinec

terug langs den langsten weg. En ik ging nog verder dan dat tusschen

een overvloed van steenen liggend dorp, altijd langs de kust, den

weg der douane volgend. Het is een troostelooze route. Ik heb er,

geloof ik, wel een dag geloopen, zonder een menschelijk wezen te

ontmoeten buiten de weinige dorpen, en die dorpen zelf maakten ook

nog den indruk van eenzaamheid, zoo somber waren ze met alle mannen

op zee, alle vrouwen op het veld en kinders op de drempels van de

huizen. Achter een toonbank soms een vrouw, en hier en daar een paar

gezichten achter de ramen.

Om bij een dier dorpen te komen, moest men zich van de zee verwijderen

en langs een pad gaan tusschen steenen muurtjes of over een dorre

vlakte met het weinige groen, dat de scherpte van den zeewind kan

verduren. Men zag alleen hier en daar een armoedig aardappelland,

waar men kon zien met hoeveel moeite de landman wat voedsel haalde

uit dien misdeelden grond.

Een dier dorpen was Plozenet, dat bijna niet den naam van dorp

verdiende. De huizen staan er om een kerkje geschaard, en even

voorbij Plozenet naar den kant der zee draagt een groote gedenksteen

van wel vijf meter hoogte een opschrift, dat de schipbreuk in de

herinnering roept van 't schip de _Droits de l'homme_ in 1797. De

schipbreukelingen werden door de zee verzwolgen, en velen van hen, op

't strand gespoeld, zijn hier begraven bij den menhir van de Rechten

van den Mensch. Het opschrift luidt: "Hier bij dezen Druïdensteen

zijn ongeveer zeshonderd schipbreukelingen begraven van het schip

_De Rechten van den Mensch_, gestrand in den storm van 14 Januari

1797. Majoor Piron, te Jersey geboren, die op wonderdadige wijze

aan de ramp ontkwam, is naar deze plek teruggekeerd op 21 Juli 1840,

en toen hij daartoe de toestemming had verkregen, heeft hij op den

steen dit getuigenis van zijn dankbaarheid laten graveeren."

Daarna keerde ik terug naar het strand, dat kaal was als te Audierne,

met wit zand en groote rolsteenen en hier en daar een kleinen inham of

een nietig dal, waar planten groeien en zacht gras. Ik bleef een dag te

Plovan, toen te Treguennec en in de Onze-Lieve-Vrouwenkerk te Tronoën,

waar ik in de schemering aankwam. Het was echter nog licht genoeg,

om het kerkje te zien en den lijdensberg, den oudsten van Bretagne,

met twee rijen van beelden en daarboven de drie kruisen.

Daar bespeurde ik, dat ik dichter bij Penmarch was dan bij Audierne,

waar ik zou logeeren, en ik besloot naar Pont-Labbé terug te gaan, waar

ik gemakkelijker een rijtuig zou kunnen krijgen naar Audierne. Op den

terugweg waren mijn gedachten vol van de zee, de nimmer vervelende, die

zooveel prettiger onze droomen begeleidt, dan de onbewegelijke dingen

doen, zoodat er een soort van verwantschap moet bestaan tusschen haar

en onze diepste gedachten. De reden van onze liefde voor de zee moet

zijn, dat zij het schouwspel biedt van altijddurende beweging, als

was zij de steeds onrustige ziel der golven. "De oceaan spreekt tot

de gedachten", heeft Victor Hugo gezegd, en hij helpt ons inderdaad

de raadselen en problemen van dit moeilijk leven te ontcijferen. Ik

voelde dat alles aan dit strand van Bretagne, toen ik mij verder begaf

van Audierne naar Esquibien en Saint-Tugean, waar de gothische kerk in

een reliekenkastje een ijzeren sleuteltje bezit, dat aan Saint-Tugean

heeft behoord en waarmee kleine broodjes worden doorboord, die dienen

om dolle honden op de vlucht te jagen. Met het sleuteltje bewaart

men er ook de tanden van den heilige in een kaak van verguld zilver,

die men slechts behoeft aan te raken, om van kiespijn te genezen. Ter

eere van den heilige dragen nog verscheiden mannen in die streek een

sleutel, geborduurd op den rug van hun jas en hoeden, waar een looden

sleutel aan een lint bij neerbengelt.

Tot hier toe heb ik niet anders gezien dan wat eiken en dennen. Na

Saint-Tugean en Primelin zijn die er niet meer. Er zijn windmolens,

want het waait op de hoogten, van waar men de schuimende zee

overziet. Ook zijn er dolmens, en het dorp Plogoff, gesticht door den

heiligen Collédor, bisschop, die kluizenaar geworden was en die hier

gelukkiger zich voelde dan aan het hof van koning Arthur. Plogoff is

geen onaardig dorp. Verbeeldt u de huizen verspreid over de heuvels;

hier één huisje, daar een paar andere, drie of vier ginds en een half

dozijn rondom het kerkje. Te Lescoff heeft men voor het laatst zulk

een huizengroep vóór kaap du Raz.

Nog twee kilometer door de landes, en men komt aan den vuurtoren. Dit

is nog niet het eindje der wereld, want men krijgt nog het eiland Sein,

en 't is zelfs niet de laatste vuurtoren, want in de wijde zee staan

nog de vuurtoren La Veille met groen licht, de Tevennecvuurtoren en

die van Armen, ook in de open zee gebouwd vóór 't eiland Sein. Maar

dit is het eind van het vasteland en 't verste punt van Bretagne

met Saint-Mathieu.

In Zuid-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 2 / 3 段