In Zuid-Bretagne
Naar het Fransch van Gustave Geffroy.
Het stadje Quimperlé kan heel goed als type dienen voor Zuid-Bretagne,
hier in dit hoekje van Finistère, zooals Morlaix en Saint-Pol-de-Léon
Noord-Bretagne typeeren. Men kan te Quimperlé van allerlei
eigenaardigheden der natuur en van ieder aanzicht, dat een landschap
bieden kan, genieten.
Als men aankomt op een avond van helderen maneschijn, vindt men
een vreedzaam, stil stadje, dat er fantastisch uitziet, met ledige
straten en kronkelende steegjes, gevels, die voorover hangen en
terugwijkende benedenhuizen. De klokkentoren van Saint-Michel drukt
als een domper op de huizen der bovenstad. Als het blauwe maanlicht
over het steenen gevaarte strijkt, ziet de toren er met zijn hoeken
en bogen en balustrades uit als een reuzenuil met een vierkante kroon
en de witte vlek van 't uurwerk over zijn eene oog. De uil staat daar
reeds op zijn steenen nest sinds de 15de eeuw, en de klokkestem, die
zijn stem is, blijkt wel een stem te zijn uit het grijs verleden,
zoo oud en vreemd en gesluierd klinkt zij, beverig en grommend en
langzaam de tonen uitgietend over de stad en de rivier.
Dat is het eenige nachtelijke geluid in Quimperlé, die stem van lang
geleden. Alles slaapt den slaap der kleine steden, dien slaap, die
werkelijk slaap is, de dood der menschheid. Geen enkele tred op het
plaveisel van de straten, geen geratel van een rijtuig bij 't begin
van den straatweg, zelfs niet het fluiten van een spoortrein op de
hoogte. Alles zwijgt tegelijk, en als men opmerkzaam toeluistert,
hoort men zoo nu en dan 't geritsel van den wind in het gebladerte
der boomen van het plein, of 't zacht geklots van het water tegen den
oever, of den doffen bons van een boot tegen de steenen kade. Zulke
nachten kent het groote Parijs niet, welks holle bodem, waarin de
buizen en leidingen van allerlei diensten elkander kruisen, het geluid
van al wat in beweging is, meedoogenloos terugzendt.
De fiacres van drie uur in den morgen rijden nog, nachtelijke
feestgangers zijn nog onderweg, of reeds komen uit alle voorsteden de
wagens van de groenten- en fruitverkoopers en gaan met de snelheid,
die hun slaperige paarden bereiken, naar de hallen. Doch dat is nog
maar een rustig, regelmatig, bijna gedempt geluid. Later behoort de
stad aan de slagerskarren en de melkrondbrengers, die vliegensvlug
door de straten daveren; gillend en met hun zweep omhoog, gedragen
de koetsiers zich, of ze aan een wedstrijd met triomfwagens deelnamen.
Zulke genoegens kent Quimperlé niet, en de doortrekkende reiziger, die
uit de groote steden komt, moet het stadje dankbaar zijn, dat hij er
de décors der onbewegelijkheid en de stemmen der stilte mag bewonderen.
De menschen staan vroeg op; dan begint de vroolijke symphonie der
klompen, en de verandering treedt op in 't aanzien der stad. Die
schijnt met den blauwen rook uit de schoorsteenen mee te gaan vliegen
door de op terrassen liggende tuinen. Als de blinden en de vensters
opengaan, verschijnen vriendelijk lachende gezichten met heldere oogen
en praatlustige monden, de witte mutsjes reeds geplant op blonde en
kastanjebruine haren. De koopvrouwen van visch loopen rond met den neus
in den wind en een breeden roependen mond, die, daar ben ik zeker van,
niemand het laatste woord zouden gunnen en voor haar zusters in het
paviljoen der hallen van Parijs niet onderdoen in woordenrijkheid.
Als gij buitendien nog Quimperlé op een Zondag bezoekt, en als er in
de buurt de een of andere vergadering is, zal het u gegeven zijn, de
mooiste verzameling goed opgetrokken kousen, korte rokjes en kleurige
boezelaars te zien. Die boezelaars! Men moet ze twee aan twee of drie
aan drie of bij halve en heele dozijnen in de straten der stad hebben
waargenomen en op de wegen in den omtrek, om zich een denkbeeld te
vormen van hun belangrijkheid en hun luister. In de uitstalkasten van
de winkels, beschaduwd door de overhangende luiken, zijn ze niet zoo
schitterend welsprekend; maar als de vrouwen en meisjes van Quimperlé
ze dragen en in haar wandelpasjes er fleurig mee flaneeren, bewust
van eigen schoon aangekleed zijn, worden ze buitengewoon aardig en
klinken hoog als een fanfare bij een marsch in den zonneschijn van een
feestdag. Er zijn blauwe als korenbloemen, als maagdepalm en andere
als hoekjes van den hemel na den regen of als blauwe kinderoogen. Er
zijn violette als een onweershemel, als de zee in den zomer tegen
den avond. Dan ziet men roode, vurig als bloed, en rose als rozen en
gele als gouden knoopen. Men heeft er, die afwisselende tinten hebben
als de borst van een duif en witte zijden boezelaars, die in de zon
verguld lijken en blauwachtig zijn in de schaduw, en het lijkt wel,
of die wandelaarsters het erop hebben gezet, op feestdagen alle
kleuren der natuur na te bootsen op alle uren van den dag.
Quimperlé is naar mijn smaak een der mooiste stadjes van Bretagne,
niet enkel om den bloei der mooie boezelaars, maar ook om zijn gunstige
ligging aan de samenvloeiing van de Ellé en de Isole, die de Laïta
worden, om de aardige huizen en de vroolijkheid der bewoners. Overal
ziet men tuinen en boomen. Als men den heuvel Penarven is afgedaald,
treedt men de stad binnen, komt op het pleintje van den Bourg Neuf,
dan op de oude Place Royale en bij de merkwaardige kerk van het Heilige
Kruis. Te Quimperlé is, evenals te Hennebont, de stad weer verdeeld;
hier heeft men de hooge en de lage stad, en de laatste bestaat op haar
beurt weer uit twee wijken, de eene, omsloten door de twee rivieren,
vormt een gesloten stadsdeel, de andere wijk op den linkeroever der
Ellé, heet Vannes, daar het riviertje, de Ellé, vroeger de grens
vormde tusschen het diocees Vannes en Quimper. Tegenwoordig behoort
alles bij het departement Finistère.
Op het terrein tusschen de beide rivieren ligt het eigenlijke
Quimperlé. Evenals in vele plaatsen van Bretagne is het oudste huis
een kluizenaarswoning geweest, geen hermitage van een heilige,
maar de kluis van een onttroonden monarch, Gunthiern, prins van
Groot-Bretagne, koning van Cambrië, die in een gevecht zijn hem
onbekenden neef doodde. Smart en wroeging deden hem de heerschappij
neerleggen. Eerst ging hij naar het eiland Groix, daarna naar den
grond tusschen de Ellé en de Isole. De legende wil, dat hij er een
klooster heeft gesticht; Albert le Grand bevestigt dat, Dom Lobineau
spreekt het tegen. Wat met meer zekerheid kan beweerd worden, is dat
hier een der kasteelen stond van de graven van Cornwallis. Een van die,
Alain Canhiart, die op het punt was, het gezichtsvermogen te verliezen,
werd genezen door een droom, waarin hij een gouden kruis zag. De paus,
die geraadpleegd werd, raadde aan, een klooster te bouwen ter eere
van het Heilige Kruis, dat op 14 September 1029 werd gesticht, dag
der aanbidding van het kruis. In dien tijd werden Belle-Ile-en-Mer
en andere leenen door Alain Canhiart aan de monniken afgestaan. Die
laatsten lieten hun klooster in 1678 herbouwen.
Thans zijn er de rechtbank en het gemeentehuis, de onderprefectuur, een
gemeenteschool en een politiepost gevestigd. Een deel der bibliotheek
bevindt zich te Quimper. Een copie van het kloosterregister wordt in
den vreemde bewaard. Maar gebleven is de kerk van het Heilige Kruis,
die beroemd is in de kunstgeschiedenis als een der weinige navolgingen
van de kerk van 't Heilige Graf in Jeruzalem. Ik heb reeds als zulk
een imitatie aangewezen de kerk van Lanleff bij Saint-Brieux; maar
dat is een ruïne; en Sainte-Croix, de kerk die hersteld en herbouwd
is in 1476, blijft door vele van haar deelen een merkwaardig monument
uit de 12de eeuw. De algemeene vorm is rond; maar door uitbouwsels
heeft zij den kruisvorm gekregen, eigen aan zooveel kerken. De meening
der archeologen is, dat het koor nieuwer is dan het middengedeelte,
en dat het oude koor zich bevond tusschen de vier enorme pilaren van
het midden.
Sainte-Croix doet afbreuk aan Saint-Michel, een kapel, die tot
kerk geworden is en een zeer belangwekkend gebouw moet heeten uit
de 14de en 15de eeuw. De vierkante toren met zuilen en zuiltjes en
open galerijen, siert Quimperlé met zijn ernstige lijnen en fijn
beeldhouwwerk. Saint-Colomban ligt in puin. Het Jacobijnenklooster,
waar nu nonnen wonen, heeft enkel nog een poort uit de 15de eeuw,
en het heeft zijn prachtige tuinen behouden.
Dit is zoowat alles, wat met enkele oude huizen overgebleven is van
de oude stad. De vestingwerken en de poorten zijn verdwenen. Veel
bruggen vindt men in de straten, zooals te verwachten is bij een
stad, gebouwd aan twee rivieren. Kermissen en markten worden op het
Saint-Michelplein gehouden, waarvan een gedeelte het Zonneplein en
een ander het Varkensplein of de Varkensmarkt heet. De gemeenteschool
is gevestigd in een oud Capucijnerklooster. Daar werden in ouden tijd
de inwoners genoodigd, om op Goeden Vrijdag kabeljauw te komen eten,
zooals men op Sint-Jan sardines ging nuttigen bij de Jacobijnen.
Het kerkhof omgeeft de Sint-Davidkapel. Er bestaat een zoo goed als
volledige lijst van de burgemeesters der stad van de eerste jaren
der 16de eeuw tot 1790. De zeehandel is afgenomen, schepen van dertig
tonnen kunnen niet meer de rivier opvaren door de ondiepten.
Twee Benedictijner monniken, die beroemd zijn geworden, werden te
Quimperlé geboren, Gurheden, geschiedschrijver van het klooster
Sainte-Croix in de 12de eeuw, en Dom Morice, schrijver van de
Geschiedenis van Bretagne, uitgegeven in 1750. Ook zijn er geboren
generaal Hervé en de prediker Boursoul, terwijl de zeevaarder Du
Conëdic ook dichtbij Quimperlé het levenslicht aanschouwde.
Ofschoon er nogal toeristen komen en enkele Engelschen zich er
gevestigd hebben, blijft de streek toch eenzaam en een heerlijk oord
voor wandelaars door het groote bosch van Clohars-Carnoët, een domein
van 724 H.A.
Het begint aan het benedeneind der stad en strekt zich uit tot aan het
dorp Clohars, en hier en daar liggen brokken verspreid, eikenlanen,
hoekjes dennebosch en boomgroepen. De groote wegen worden dikwijls door
pleizierrijtuigen bereden; maar de wegjes en voetpaden zijn eenzaam
en verlaten, verlicht door 't groene schijnsel, dat door de boomen
valt. De plantengroei op den grond en op de hellingen der wegen is
dicht en weelderig; hooge varens en distels staan er tusschen rose
en paarse heide, en al die lage gewassen herbergen een wereld van de
grootste verscheidenheid en ongehoorden vormenrijkdom, een wereld van
insecten en vliegen en vlugge mieren, die lasten torsen grooter dan
zij zelve. Vlinders van allerlei gedaante en kleur, morgenvlinders
en avondvlinders, kleine bleekblauwe kapelletjes, die als fladderende
viooltjes zijn, legers gestreepte en gebronsde kevers van kopergroen en
gevlamde tinten, sommige met helmen en zwarte kurassen en horens als
van een hert, dat alles leeft hier als in een klein bosch onder het
groote. Men krijgt het alles te zien, als men zich maar onbewegelijk
houden kan en op dezelfde plek oplettend alles wil gadeslaan, zonder
de eindelooze tochten te storen van al die kruipers en vliegers en
van de velen, die elk doorgangetje tusschen de grassprietjes kennen.
Heft men het hoofd op, dan krijgt men een indruk van den tempel van
ongekorven hout; de boomstammen gaan rechter en losser en fierder de
hoogte in dan de zuilen van gothische kathedralen. Zij hebben vorm en
kleur en hardheid als van steen; de tijd heeft hun hout verhard als tot
graniet. Er is een plekje, waar het aantal woudreuzen bijzonder groot
is. Men ziet het van den grooten weg, die het bosch recht doorsnijdt
in de richting van Clohars. Het bosch loopt hier over heuvels en door
dalen en op een der hoogten ziet men een groep pijnboomen van edelen
vorm en onvergelijkelijke gratie. Daar ze hun naaldenkroon enkel op
den top dragen en geen lage takken hebben, beheerschen zij als reuzen
het woud. In de ondergaande zon en het rose schijnsel doen hun rechte
stammen denken aan masten van schepen; hun graniet wordt tot porfier,
en de wind ontlokt klanken als van een orgel van hun donkere kronen.
Het eenige geluid, dat aanhoudt bij dit windgesuis, dat toeneemt en
vermindert, zucht en fluistert en in golven aanbruist, is het gezang
der vogels in de heggen en de boomen. Zij houden zelfs niet stil,
als men voorbijgaat, of als er een roofvogel over het bosch vliegt,
tot hun plotseling het zwijgen wordt opgelegd, als de wreede roover op
een open plek in 't bosch zijn prooi uitkiest. Alle andere geluiden
zijn kort van duur en toevallig, en om ze te hooren, moet men goed
opletten als een jager, en tevens met het geduld en de voorzichtigheid
van een hengelaar. 's Nachts vooral kan men lichte of zware schreden
hooren van de dieren in het bosch, of plotseling verschrikt worden
door vormen, die eensklaps uit het kreupelhout voor den dag komen en
in een paar sprongen weer verdwenen zijn. Dan heeft het bosch zijn
zwarte en zijn twijfelachtige, doorschijnende plekken; het is vol
ongeziene dingen, vol van het geheimzinnige in de natuur, dat altijd
den mensch schrik heeft aangejaagd.
Over dag ziet het er vriendelijker uit, vooral hier en daar aan
den rand of op enkele hoogten, waar de hutten van kolenbranders en
klompenmakers zijn gelegen. Daar vindt ge ze, de ware heeren van het
woud, evengoed er meesters als de wachters, die bij bochten in den
weg u voorbijgaan met het geweer op schouder en in den correcten pas
van den soldaat. Die bijeenstaande hutten, die er geïnstalleerd zijn
als in een Indianenkamp, die rook, die keukens in de open lucht, die
werkende mannen, die lachende kinders in het groen, alles spreekt tot
den beschaafde van instinctieve vreugde, van een onbezorgd voortleven
van den eenen dag op den anderen, van de aanvaarding van een bescheiden
bestaan, nederig en vrij en zoo gelukkig mogelijk.
Dit mooie bosch van Carnoët kent levendige feestvreugde, en wel eens
per jaar, op Pinkstermaandag. In Toulfouën bij den ingang van het bosch
wordt vogelmarkt gehouden, een waar feest voor den heelen omtrek. In
de buurt zijn de ruïnen van het kasteel Carnoët, waar Con-Mor huisde,
een der Blauwbaarden van Bretagne.
Maar de stad is het uitgangspunt van nog andere uitstapjes.
Quimperlé, dat de stilte van den nacht en de vroolijkheid van den
dag kent, heeft niet alleen een bosch, het heeft ook een rivier en
op twaalf kilometer afstands de zee.
Die twaalf kilometer kan men afleggen door het woud van Clohars-Carnoët
of langs de rivier, de Laïta, gevormd beneden het stadje door
de vereeniging van de Ellé en de Isole. 't Is waar, dat men op die
rivier zich nog in het bosch bevindt. Het water der Laïta stroomt onder
struiken door en tusschen eiken en beuken. Het is blauwachtig en helder
bij 't verlaten van Quimperlé, wordt dan onder het kreupelhout groener
en donkerder, weerspiegelt het gebladerte en laat heel in de diepte een
streep over van de lucht, schittert dan weer vrij op de open plekken
en wordt bij de bochten gelijk aan een liefelijk meertje. Stelt u het
bosch van Fontainebleau voor, doorstroomd door een rivier. Die stroom
wordt breeder en breeder, laat zijn oevers droog in den tijd van eb,
vloeit tusschen door rotsen versterkte kanten, met pijnbosschen bedekt
en boschjes van kastanjeboomen. Na een oponthoud te Saint-Maurice,
waar men voorbij een kasteel uit de 18de eeuw gaat, dat zich spiegelt
in een vijver, en waar men de ruïnen der abdij Saint-Maurice bezoekt,
omgeven door de gebouwen van een boerenhuis, gaat de rivier met
korte golfjes verder. Die eerste elastische golfjes schijnen de boot
aangenaam aan te doen, nadat zij lui den kalmen loop van 't water
heeft gevolgd. Men wordt herinnerd aan een paard, dat eerst op een
moeilijken weg dommelig en traag heeft geloopen en dan, door zweep
en woord aangemoedigd, een mooien weg vóór zich ziet, waar het flink
en ferm lang achtereen vlug zal kunnen draven.
Zoo komt de boot, die het eerst al te gemakkelijk had in tegenstelling
met het paard, opgewekt te Pouldu, dat tegelijk aan de rivier en de
zee is gelegen.
Het is een gehucht, waar het goed rusten is voor hen, die villa's aan
de kust hebben gebouwd en hun met vijgenboomen beplante tuinen door
hooge muren hebben omgeven. Het strand der zee is hier omzoomd met
struikgewas vol bloemen en in den herfst met vruchten overladen. Nu
kweelen er de vogels in. De rotsen zijn laag, en hier en daar dalen
lange, zachte, zandige hellingen af naar zee. Aan den horizon ziet men
het eiland Groix, als een steenen tafel oprijzend uit de golven. In
de zachte lucht komt een aroma van bloemen naar ons toe door de zilte
zeelucht heen.
Ten tijde van mijn verblijf te Pouldu en te Quimperlé hadden het
dorp en het stadje een eigenaardig karakter, dat ik niet verborgen
wil laten, al moet de nationale trots er onder lijden. Het een en
't ander vormen samen een badplaats, die een soort van engelsche
kolonie is, een volledige kolonie, waar men zich niet zou verbazen,
als men er een consulaat vond en een engelsche vlag.
De hôtels van Quimperlé waren ingenomen door engelsche families
of door engelsche jonge meisjes met haar gouvernantes. Meer dan de
helft der plaats, ja bijna de geheele stad, was bezet door John Bull
met vrouw en kinderen, en John Bull leefde hier als in Australië of
in Indië. Hij heeft zin voor cosmopolitisme, en dat toont hij in een
hoekje van een stil, kalm stadje in Bretagne, waar hij zijn zomerrust
geniet, even duidelijk als in die streken, waar hij regeert in naam
van zijn koning-keizer. Hij is overal op zijn gemak, en als men zegt,
dat de Engelschman zoo aan zijn home gehecht is, sluit dat tevens in,
dat hij zijn tehuis overal kan vinden en dat alle plaatsen geschikt
zijn, om er zijn thee en zijn biefstuk met smaak te gebruiken.
Te Pouldu was alles vol, net als te Quimperlé, en veel Engelschen,
die het klimaat boven dat van Londen verkiezen, blijven er het geheele
jaar. Zij hebben hier hun huis, hun boot, hun rijtuig; ze dwalen
langs de kust, loopen door het bosch, en overal ziet men hun witte
hoeden, groene voiles en geruite pakken. Want zij geven zich hier
het uiterlijk van de Engelschen uit onze vaudevilles, en de dames en
kinderen overdrijven eveneens de anglomanie. En daarom ook ontmoet
men in het land der vroolijke klompen en der mooie boezelaars zooveel
groote meisjes, die als kinderen van Kate Greenaway gekleed gaan,
en die veel te ernstig kijken, als ze naar huis gaan van een zitje
bij het teekenen van een aquarel of van een levendige vlinderjacht.
Er is wel een verklaring van te geven, waarom de Engelschen en
villégiature zich er dadelijk zoo stevig installeeren, waarom onze
buren van overzee terstond de omgeving verengelschen, het stadje, 't
hôtel, het strand en alle plaatsen, waar zij hun tenten opslaan voor
korteren of langeren tijd. De eigenaardige zeden en gebruiken geven
er de waarde aan van een _home_, dat de Engelschen zoozeer op prijs
stellen, evenals al degenen, die over Engeland spreken. Het bestaat
wel, dat gevoel, maar niet alleen op de gevoelige, dichterlijke en
romaneske manier, zooals allen zich dat voorstellen. Het is ver
uitgebreid, gegeneraliseerd, algemeen geworden. Het _home_ is de
plaats, waar de Engelschman zich bevindt. Ook de plaats, die de zee
voor hem inneemt, is daardoor aangewezen; zij vooral is zijn domein,
waar de andere volken zich eigenlijk niet mogen vertoonen. Het is
vrij gemakkelijk in te zien, hoe dit gevoel hem is aangeboren en zich
altijd bij hem heeft ontwikkeld. De dubbele verklaring hangt samen
met de aardrijkskundige gesteldheid van Engeland, met zijn rol in de
wereld en ook met den zin voor het reëele, die een der karaktertrekken
is van het handeldrijvende volk.
Het moederhuis is een eiland. Het was voor de daar gevestigde
menschen volstrekt noodig, hun fortuin op het water te beproeven. Hun
continentale uitbreiding in Europa is hun onmogelijk gemaakt door het
verzet van Frankrijk; zij hebben in ons een levensfrischheid en kracht
gevonden, waarop hun pogingen zijn afgestuit, en dus hebben zij hun
horizon elders moeten uitbreiden. En dan was er de zee! Die hebben zij
golf na golf veroverd; ze hebben haar geheel geëxploreerd; zij hebben
alle landen op alle breedten aangedaan, overal hun vlag geplant, waar
nog een zandbank was te vinden. De bewoners van het europeesche eiland
zijn ten slotte in het bezit geraakt van een onmetelijk rijk, dat met
zorg uitgekozen koloniën omvat, die op het budget prijken met baten,
niet met nadeelige saldo's. Dan, na dien zegetocht over de wereld, na
die vestiging hier en elders verschijnt de zin voor de werkelijkheid,
en de practische geest gaat aan het werk.
De Engelschman verstaat, zooals men heeft gezegd en dikwijls herhaald,
de kunst van reizen, en het denkbeeld, dat men leert door reizen
is aan hem bewaarheid. Zoo heeft hij leeren begrijpen, dat de aarde
heel klein is, och zoo'n klein planeetje, dat men gemakkelijk naar
alle zijden kan bereizen, terwijl het engelsche volk talrijk genoeg
zou wezen, om het geheel te bezetten. Maar die onderneming biedt wel
eenige moeilijkheid, en nu hij de aarde niet geheel voor zich kan
nemen, stelt hij zich tevreden met een gedeeltelijke bezetting en
inbezitneming. Toch is het gevoel van die universeele souvereiniteit,
die niet tot de onmogelijkheden behoort, hem bij en uit zich altijd
en overal, in de kleine bretonsche steden, uitgekozen als geschikte
punten, daar het klimaat er heerlijk is, en op de groote, wijde zee,
die er slechts schijnt te zijn, om de Britsche eilanden met water
te omringen.
Te Pouldu hield ik mij eenigen tijd op in het oranjekleurige zand en
de holle wegen, waar de hellingen met wilde aardbeien en viooltjes
zijn begroeid. Toen ging ik per boot naar Douëlan en Pont-Aven. Het
eerste is een haven, waarin enkele booten liggen. Pont-Aven "stad van
naam, veertien molens en vijftien huizen, meldt de faam", zegt het
spreekwoord. Er zijn inderdaad molens te Pont-Aven, maar er zijn nog
meer rotsen en 't allermeeste schilders; schilders van alle naties
en 't meest amerikaansche schilders. Het heet, dat een Amerikaan
Pont-Aven heeft ontdekt in 1872. Welk een hôtel en wat voor table
d'hôte toentertijd! Maar het landschap vloeide over van tooneeltjes,
door die heeren als motieven aangeduid. De rivier is verrukkelijk
door haar watervalletjes en scherpe bochten, door groene oevers en
kleine strandjes, waar men een schildersezel kan neerzetten.
De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde
reputatie van behaagzucht. Ze besteden veel geld aan degelijke
stoffen voor haar japonnetjes, vooral het bruidskleed moet prachtig
zijn. Haar nationale dracht vertoont veel fluweel en borduursel,
goud- en zilvergarnituur en allerlei versiering.
Niet ver van Pont-Aven ligt de kapel Trémalo, een laag gebouwtje,
waarvan de muur maar even boven den grond reikt met een hoog dak erop
en een klein klokkentorentje, zoodat het geheel er als een schuur
uitziet; verder het kasteel Hénan, dan veel dolmens of hunebedden, een
ingestorte toren en begroeid plateautje, die de ruïnen van Rustephan
moeten zijn, gesticht in de 12de eeuw.
Dan bereikte ik Bannalec, het land der zwarte mutsjes, dan Rosporden,
waar ik in den namiddag aankwam en waar alles mij doodsch en verlaten
scheen met het stille marktpleintje en de zwarte huizen, en Concarneau,
dat mij aan Pont-Aven deed denken.
De aankomst in den zomer tegen het vallen van den avond te Concarneau
in een der hôtels, die op de haven uitzien, geeft een goed denkbeeld
van de villégiatures in die visschersplaatsjes. De dame van 't hôtel
heeft, zoo al niet de nationale dracht, toch het karakteristieke
mutsje behouden, maar er is veel schijn bij die vertooningen, en
de bretonsche meubels zijn in Parijs gemaakt en toen verzonden naar
de handelaars in oudheden in die kleine stadjes. Hier bijvoorbeeld
is gelukkig de eetzaal echt engelsch en modern, vernist hout en
electrische verlichting, maar de costumes der dames, wit en rood en
fleurig, de mannen met hooge witte boorden, alsof ze een rol in een
blijspel speelden, waarin het leven op een kasteel voorkwam, en geen
middagmaal in een dorpsherberg vlak bij de schepen met sardines.
Concarneau gelijkt teveel op een deftige badplaats; maar als men
het plaatselijke leven nagaat, is het bestaan der visschers altijd
interessant. Ruwe, sterke heftige mannen zijn het, die soms een
wedstrijd houden met volle booten, om maar het eerst hun visch te
verkoopen. Daarna wordt alles weer kalm, als de booten op een rij
liggen in de haven, en de netten drogen.
Ik ben hier gekomen in een tijd van feestelijkheden; en ik meng mij
onder de menigte, die kijkt naar wilde-beestenspellen en luistert
naar straatzangers. Er zijn veel vrouwen bij met bretonsche mutsjes
en mannen met snorren, uit het régiment meegebracht.
De beide stadjes staan met elkander door een brug in gemeenschap. De
nieuwe stad is slechts een voorstad, maar die neemt toe in aanzien
en wint het van de moederstad. Deze heeft een geschiedenis, verhaald
door de stevige muren. Zij is bezet geweest door de Engelschen,
werd bevrijd door Du Guesclin en had te lijden in de oorlogen der
Liga. Tusschen de hooge wallen, en in de vesting met gekanteelde
muren is thans een visscherijschool gevestigd.
Buiten Concarneau kan men een bezoek brengen aan het museum Keryolet,
aan het departement vermaakt door de gravin Chauveau Narischkine. Het
uitwendige is een slechte nabootsing van werk der 15de eeuw, maar er
zijn enkele mooie dingen, oud borduursel, aardewerk en een verzameling
mutsjes. Toch is het prettiger, door de velden te loopen, waar de
natuur prachtig is.
Deze heele streek van Bretagne is als een tuin, gelegen op de
zuidelijke helling der Zwarte bergen, een oude, liefelijke tuin met
eeuwenoude boomen, bloeiende velden en omlijnd door het saffierblauw
van de zee. Van Quimperlé tot Douarnenez ademt alles rust, bekoring
en vroolijkheid, met uitzondering alleen van de vooruitstekende
rotspunten, die van Penmarch en du Raz.
In deze opmerking is niets overdrevens. Er is in Bretagne een
eigenaardige tevredenheid, een natuurlijke vroolijkheid bij de
bewoners. Reeds in het noorden van het land, aan het Kanaal, waar
men den ernst verwachten zou in de straatjes der kloosterachtige
steden, heeft de melancholie haar glimlach. Ik denk vooral aan de
vrouwen van het land, nu ik dit schrijf, de vrouwen, die het leven
zoo kalm opnemen, zoo aanhoudend bezig zijn en zoo bevallig zich
bewegen met onveranderlijk, kalm gelaat. Zij kunnen echter ook
wel haar genoegen er af nemen, en niet alleen de jonge meisjes,
ook de oude vrouwen dragen dikwijls den gelukkigen glimlach, die
aantoont, dat zij 's levens zorgen niet zwaar nemen. Op feestdagen,
bij bruiloften en boetedagen ontmoet men altijd bekoorlijke oudjes,
zacht, eenvoudig en welwillend, die u een tot weerziens toeroepen,
haar "kennavo!" alsof ze wilden zeggen, dat men ze misschien niet zal
terugzien in de vroolijke gezelschappen, maar dat zij niettemin zeer
gelukkig zouden zijn, als ze nog één- of tweemaal mochten terugkeeren.
Nog duidelijker komt het opgewekte humeur aan den dag in het zuiden
in de streken aan den Atlantischen Oceaan; de taal is er levendiger;
de menschen spreken haastiger en luider, en er wordt meer gezongen. Op
de wegen hoort men lachen en zingen en praten; elk kruispunt van
wegen wordt een societeit, soms een danszaal. Een muzikant, op een
ton staande, is voldoende, en men danst de oude boerendansen met de
vastgestelde figuren en de deftige buigingen.
Ik heb zulke menuets zelfs zien dansen op den weg naar Raz in dat
sombere landschap, waar de velden door steenen zijn omsloten. Er
moet een groot weerstandsvermogen in het ras aanwezig zijn, om zoo
de nederige en bescheiden algemeene vroolijkheid te kunnen handhaven
bij de vijandige natuur tegenover die zee, die zoo dikwijls wreed en
woest is. Maar het landschap is daarentegen vertrouwd en vriendelijk
langs de holle, door groen beschaduwde wegen, de voetpaden, tusschen
hagen ingesloten en de velden, bloeiend afloopend naar zee.
Mij treft die luchthartigheid in het land, dat met zijn schoone
boomen de baai de la Forêt omzoomt en dat tot Concarneau en de in
zee uitstekende punt Beg-Meil voortloopt, terwijl ik door het dorp La
Forêt en 't gehucht Fouesnant ga. Men beschrijft, als 't ware, al dat
groen, die rose en blauwe velden en den glanzigen zeespiegel voor zich
zelven, alleen als men die dagen herroept en zich de aardige gesprekken
weer te binnen brengt. Ik weet wel, dat de strijd om het bestaan ook
hier als elders een onaangenamen kant kan hebben; maar ondanks alles,
ondanks de kwaal van het snobisme, hier en daar opgetreden op bepaalde
plaatsen aan de kust, ondanks de kwade praktijken, met de beschaving in
de veelbezochte dorpen gebracht, ondanks de noodzakelijke laagheden,
die met het bezit van geld worden aangevoerd, is dit toch het land,
waar men nog 't best een eigen, vrije manier van leven behoudt en
een belangelooze vreugde aan het schoone der natuur.
De Glenans-archipel, ten westen van de Woudbaai gelegen, telt negen
eilandjes, waarvan één, Cigogne, een fort draagt. De belangrijkste
daarna zijn Loch, Penfret, waar een vuurtoren en een semafoor
zijn opgericht, en 't eiland Sint-Nicolaas, waar men tevergeefs
beproefd heeft, een kapel te bouwen voor het honderdtal bewoners,
allen visschers, die er in hutten wonen. Dit is niet Belle-Ile, noch
Groix. Al deze eilandjes vormden vroeger samen één eiland, zegt men;
maar de zee heeft zich tot taak gesteld, die eenheid te verdeelen,
den grond vaneen te scheuren en de rotsen uiteen te doen wijken. Het
is nu niet anders dan een hoop boven water uitstekende rotsen, een
golfbreker voor de baai van La Forêt.
Fouesnant ten noordwesten van die baai is een bloeiend dorp, waar
veel drukte heerscht op marktdagen, op het plein bij 't kerkhof en
de kerk. Men kan er varkens te zien krijgen, zoo groot als kleine
ezels. Er wordt een massa boter verkocht en appelen vent men er;
de appelwijn van Fouesnant heeft een goeden naam, en hij verdient
dien. Een der belangwekkendste personen, die ik ooit in mijn
leven heb ontmoet, is een appelenkoopman, die te Roscoff woonde,
en die te Fouesnant kwam, toen ik er vertoefde, om een deel van den
oogst of misschien wel alles, op te koopen. Hij was, zoo gij wilt,
commis-voyageur, want hij reisde voor zijn handel en hij nam gaarne
het woord aan de table d'hôte van het kleine hôtel, waar hij was
afgestapt en waar ik ook logeerde.
Hij was er een bewijs van, dat de commis-voyageurs niet allen, zooals
beweerd wordt, zoutelooze verhalen doen of opsnijders en kletsers
zijn. Deze was een goed spreker, zeker, maar hij praatte niet,
om niets te zeggen. Hij had heel wat van de wereld gezien, Europa,
de kusten van Afrika, Amerika, Azië en Oceanië. Het bijzondere was,
dat hij goed had gezien al wat hem onder de oogen kwam. Ik heb eenige
avonden met hem gesleten, niet om met hem een gesprek te voeren,
maar eerder om naar hem te luisteren, hem slechts een woordje tot
antwoord gevend, om hem op te wekken, door te gaan.
Nooit heb ik zulk een verzamelaar van feiten ontmoet en ik ben
nog al met menschen in aanraking geweest, maar deze was waarlijk
verrassend. Hij was begiftigd met een geheugen, dat geen aarzeling,
noch weigering kende, en dat, naar men terstond merkte, niet door
boeken was gevoed. Hij had in zich de herinnering bewaard aan alle
landen, die hij bezocht had, alle zeden en gewoonten, die hij had
waargenomen. Hij was op de hoogte van regeeringen en wetgevingen en
handelstoestanden en kende allerlei bijzonderheden, die zich aan hem
hadden voorgedaan. Wat Bretagne aangaat, daar kende hij alle steden,
alle dorpen, alle gehuchten, wist wat er op de velden groeide,
waarmee de bewoners zich voedden, hoe zij zich kleedden en welke
hun karaktertrekken waren. Hij beschreef den vorm der mutsen, het
borduursel van 't corsage, de manier, waarop ceintuurgespen werden
gesloten, en tegelijk gaf hij wenken over de geschiktheid voor den
handel, den stoutmoedigen of schroomvalligen geest der menschen,
hun somber of opgewekt humeur. En met hoeveel menschen had hij niet
zaken gedaan! Deze appelkoopman was van gemiddelde lengte en ook van
middelbaren leeftijd, gedrongen, met breede schouders, een forsch,
welgebouwd hoofd had, een kleinen zwarten knevel met enkele witte
haren erin en kleine, zwarte, onderzoekende en zeer scherpziende oogen.
Als gij hem ontmoet en hem aan dit signalement herkent, schroom dan
niet, een gesprek met hem aan te knoopen; ge zult u den tijd niet
beklagen, dien gij hem schenkt, en ge zult u niet vervelen bij dien
verzamelaar van feiten, die altijd bereid is, u zijn collecties te
laten zien en steeds eenvoudig, overtuigd en met geest het woord voert.
Des middags en des avonds bleef ik langen tijd bij dien sympathieken
prater. Maar toch vond ik 's morgens en in den namiddag den tijd, de
omstreken te gaan zien en 't land van Fouesnant te leeren kennen. Ik
wandelde dikwijls naar Beg-Meil, een zomerstadje aan den westkant van
de baai, met kleine huisjes, zandige tuinen en veel groen. De kust is
er laag met kleine duinen en zacht gras bedekt. Daar tegenover zag
men de grijze, violette of in het licht schitterende rotsen van de
Glenans-eilanden. Maar mijn liefste wandelingen waren de schaduwrijke
wegen naar den achtergrond der baai. De zee, door al het groen gezien,
is onvergelijkelijk mooi, en de baai, die zoo weinig wordt bezocht,
doet voor geen inham in schoonheid onder; men geniet daar in de buurt
de schoonheid van een met zorg aangelegd park. De zuidelijke natuur,
zoo hoog geprezen, schijnt een schouwburgdecoratie, vergeleken bij
dit frissche, intieme landelijk schoon. Hier niet meer de gratie van
Quimperlé of de schilderachtigheid van Pont-Aven; maar in ernstige
lijnen en donker groen zijn er de wegen en de dalen getrokken, alles
uitloopend op het witte strand en de blauwe oneindigheid der zee.
De vrouwen van Fouesnant zijn mooi, evenals die van Pont-Aven, dat wil
zeggen, ze zijn forsch en statig en soms vertoonen ze rijke kleedij,
als de omstandigheden het zoo meebrengen. Haar gewoon costuum is
maar eenvoudig; een rok, een boezelaar met banden en een lijfje,
maar alles is met borduursel overladen, borduursel van goud en zilver
en gekleurde zijde. Er bestaan van die costuums uit oude tijden,
die ware meesterstukken zijn, en de vrouw, die ze draagt, schijnt een
standbeeld, stijf en schitterend voor een processie naar buiten gekomen
als een heiligenbeeld. Zij loopt dan ook met afgemeten schreden, in
het volle besef harer gewichtigheid. Het mutsje met de linten ligt
op het voorhoofd, de beide vleugels sluiten bij twee zijden van het
gelaat aan. Dat laatste heeft mooie trekken, lange, zachte oogen,
maar het is dikwijls mager met een langen neus en dan heeft het met
den kleinen mond een uitdrukking van een listig muisje.
Van Fouesnant ga ik naar de Forêtkapel dichtbij, tusschen hooge boomen
met een lijdensberg erbij, en dan naar Benodet.
Er was feest te Benodet op een Zondag. Gekleurde boezelaars kwamen uit
alle holle wegen aanloopen. Kleine meisjes in lange jurken en met roode
boezelaars als standbeelden in nissen zijn op het oog de aardigste
oude vrouwtjes, die men zich kan denken. Zij vereenigen de grappige
komiekheid van de jeugd, die zich voor 't eerst verkleedt, met die
van kleine meisjes, die haar poppen dragen met de zorg van oplettende
moedertjes. Achter haar loopen de vrouwen met haar klokrokken en de
weinig lenige lijven, als uit hout in het corsage gesloten.
Het is een bewonderenswaardig land; men ziet er velden met tarwe
en aardappelen, vlas en rogge en veel boomen als in een park of
een boomgaard.
"Vroeger, toen wij Lotharingen nog hadden", zei de koetsier, die mij
reed, "noemde men dat den tuin van Frankrijk. Nu is dit land hier
zoo gelukkig".
Ik geloof, dat de koetsier Lorraine met Touraine verwart, dat wij nog
altijd bezitten; maar ik help hem niet uit den droom. En deze streek
is toch ook inderdaad een prachtige tuin.
Wij komen te Benodet. De kermis aan het water gelijkt op alle andere
kermissen; maar men heeft er hier de zee bij met haar witte zeilen als
achtergrond. Het spel met de stokken, het worstelen van den sterken
man met den liefhebber, het zijn gewone kermisvermakelijkheden. Maar
de liefhebber, een jonge boer, die gedronken heeft en niet weg wil,
staat met open mond te wachten op een tweeden slag en geeft iets
eigenaardigs aan de voorstelling.
Ook de vrouwen en meisjes van Fouesnant met de muizenprofielen en den
kleinen mond, met de mutsjes boven op het hoofd, die heel wat donker
haar onbedekt laten, zijn geen alledaagsche toeschouwsters en geven met
de naïeve, gezonde en geamuseerde trekken aan alles een eigen karakter.
Anderen loopen ernstig rond, laten zich kijken meer dan zij
rondzien. Dat zijn de schoonheden uit het land van Fouesnant
met goudborduursel op hun jakjes. Daar zijn er twee, een met
kastanjebruinen boezelaar, de ander met een bleek lilaschortje met
bloemen erop; ze beslaan den geheelen weg en zijn breed en forsch
in haar rijken tooi. En het geheele bretonsche land, alle typen
dooreen, ziet men op een hoekje van het feestterrein vóór een tent,
met dit opschrift: "Mevrouw Anézel, somnambule van den eersten rang,
consulten over het verleden, het heden en de toekomst, voor civiele
en militaire zaken, handelsaangelegenheden of liefde...."
Op den drempel verschijnt te midden van een troep Zigeuners de
oostersche schoone, een mooi donker meisje met gekroesde haren, een
koperkleurige gelaatskleur en brutale, fluweelen oogen. Zij loopt heen
en weer met de handen in de zij, bewegelijk in haar lenige manieren
tusschen dit stijve volkje van Bretagne. Ze staat stil, noodigt een
boer binnen te treden in de tent en dringt bij hem aan met woord en
gebaar en zachten drang. De vierkante boer met zijn ringbaardje om
de kin blijft onverzettelijk, doof en stom, een schuine, wantrouwige
beer, die een poesje ziet rondscharrelen.
Benodet ligt aan de rivier en aan de zee; de eerste is de Odet,
die hier komt, na Quimper te zijn voorbijgestroomd en de baai van
Benodet ligt wijd open naar de zee. De burgerij van Quimper komt
hier uitspanning zoeken; er zijn veel mooie huizen midden in tuinen
en een breed en veilig strand, waar de baders druk aan 't wandelen
zijn. Plotseling wordt de lucht donker, het weêr verandert; blauwgrijs
wordt het uitspansel en in den regen loop ik de Odet over.
Aan den anderen kant heeft men het land van Pont-Labbé en Penmarch,
waar ik een bezoek zal brengen, vóór ik naar Quimper terugkeer. Vóór
Pont-Labbé liggen de eilanden Tudy en Loctudy. Het eerste is geen
eiland meer, want de zee heeft zooveel zand aangevoerd, dat het met
de kust is verbonden; maar als men er den voet zet op dien grond,
die met de zee gelijk staat, heeft men een gevoel, van in het water
te zijn. De kleine lage huizen met hun tuintjes zijn als vastgemeerde
bootjes, waaromheen de netten hangen te drogen. Er zijn nog andere
eilanden in de buurt, Chevalier, Garo, het Gemzeneiland; 't is een
soort van archipel in een ondiepe, woelige zee. Het dorp Loctudy aan
de overzijde van de Pont-Labbérivier, is beroemd om zijn romaansche
kerk, men kan er gemakkelijk komen van het eiland Tudy, als men een
voorbijvarende boot neemt. De kerk is wel dat korte reisje waard om
haar zuilen met versierde kapiteelen, en ook de bevolking verdient
een bezoek, de mannen met de versierde vesten en de vrouwen met de
hoog op het hoofd gedragen mutsen.
Van daar bereikt men Pont-Labbé per rijtuig of per boot naar
verkiezing; maar nu het weer begint te regenen, is het verstandiger
een rijtuig te kiezen. Men rijdt een tijdlang langs de zee, maar
dan wordt het bevallige landschap doodscher; de boomen staan wijder
uit elkaâr, en het land wordt moerassig en arm, met kleine stukjes
bouwland ertusschen.
Pont-Labbé is thans niet meer dan een klein visschers- en
ankerplaatsje. Vroeger heeft de stad haar dagen van glorie gehad. Het
is het centrum geweest van een der machtigste baronnieën van Bretagne,
heeft een vestingwal van muren gehad, waarvan nog sporen over zijn. De
vesting werd ontmanteld, want zij onderwierp zich niet zonder weerstand
te bieden aan de koninklijke macht, en in 1501 moest een edict den
heeren van Pont-Labbé gelasten, zich voortaan niet meer te noemen
heeren van het hertogdom Bretagne en niet meer de wapens van dat
hertogdom te voeren.
In 1673 woedde te Pont-Labbé een oproer als verzet tegen het verzegeld
papier, ingevoerd door Lodewijk XIV. De stad is er goed blijven
uitzien, en 't is een genot, er binnen te komen na een vermoeienden
rit, zelfs als het regent. De huizen van graniet, oud van voorkomen,
hebben al den ernst van gebouwen, die al twee- of driehonderd jaar
oud zijn en zoo goed gebouwd werden, dat ze nog soliede zijn. Langs
de kade staan schaduwgevende boomen, en de haven levert een aardig
tooneeltje op met de vele booten, de rij van huizen en den hoogen
klokkentoren. De gebouwen van het Karmelieterklooster zijn afgebroken,
en het klooster is later te Quimper weer opgericht, ingewijd 17 Maart
1902. De kerk is de oude kapel van dat klooster uit het einde van de
14de eeuw, gerestaureerd in de 16de.
Alle vrouwenhoofden dragen hier den _bigouden_, waar men nog
teekeningen van phoenicischen oorsprong op meent te herkennen, en
van laken of fluweel vervaardigd. Dat mutsje wordt boven op het hoofd
gedragen en laat het haar van het achterhoofd vrij. De rokken hebben
meestal een fluweelen rand, de mouwen van het lijfje zijn bewerkt en
kleurrijk evenals de boezelaars. De mannen dragen ronde hoeden met
smalle randen en met fluweelen linten versierd. De vrouwen met haar
wijde rokken lijken op laplandsche vrouwen. Zij gaan voor leelijk door,
maar er zijn toch wel aardige bij; men moet ze niet vergelijken bij
vooraf gemaakte schoonheidsvoorstellingen met haar korte, platte
neuzen en blauwe, starende oogen. Ze hebben geen gebruinde tint,
maar zien er blank en rose uit, als vrouwen uit het Noorden.
De weg van Penmarch volgt eene zuidwestelijke richting, bestijgt
een hoogte door de landes, door dennenbosschen en bouwland. Men kan
zich ophouden in het kasteel Kernuz, toebehoorende aan de familie
Châtellier, en het museum bezoeken, waar talrijke belangwekkende
voorwerpen zijn, zooals de druïdische diademen van massief goud en
veel romeinsche beeldjes van gebakken aarde, te Tronoën gevonden,
en door romeinsche soldaten in Gallië gebracht. Zij stelden huisgoden
voor en fetisjen, ook Venussen en Juno's, onder welke één bijzonder
bekoorlijk was, een rijzige, slanke Venus, de eene hand omhoog geheven,
de andere op de heup gesteund, met een kapsel, verdeeld in golvende
bandeaux. Ook is er een gallisch graf te zien, een vreemde dolmen,
waarop de figuren zijn gebeeldhouwd van Mars, Mercurius en Hercules.
Te Plomeur wordt het land nog armer. Het is een effen vlakte zonder
boomen, waar enkel druïdische steenen en torens boven lage huisjes
de aandacht trekken. Dat terrein van rotsen en moerassen en heiden,
waar de wind vrij spel heeft, is het gebied van Penmarch, dat op een
ondergegane wereld gelijkt. De volksfantazie heeft er een mooie stad
geplaatst, met veel kerken en een bloeienden handel. Gustave Flaubert,
die zijn indrukken opschreef over een reis door Bretagne, heeft
herhaald, na Emile Souvestre, dat de straten ieder aan een bepaalden
handel waren gewijd, de straat der goudsmeden, die der geldwisselaars,
die der galanterieën enz. André Le Braz heeft niet veel moeite gehad,
om den geringen grond voor die veronderstellingen aan te toonen,
en ik ga de zaak niet opnieuw onderzoeken uit historisch oogpunt. Ik
kan alleen vertellen, wat ik van hoorenzeggen heb.
Buitendien schijnt de natuur erop te wijzen, dat hier nooit zulk een
groote stad heeft kunnen verrijzen en standhouden. Het aantal kerken
doet er niet veel toe en haar grootte ook niet. Een kerk werd niet
alleen voor een stad gebouwd, maar ook voor de omgeving. Een kerkelijke
gemeente kon zeer groot zijn, al was ook de kerk slechts door enkele
weinige huizen omgeven. Het was voldoende, dat de toren van verre
zichtbaar was, en dat de boeren, in hun hutjes of werkend op den
akker, de tonen konden hooren, hun door den zeewind toegevoerd. De
wind wierp wel eens den toren omver, maar dan werd hij herbouwd,
omdat hij iets heiligs was.
Maar het is niet waarschijnlijk, dat men met alle geweld een stad zou
hebben willen bouwen, waar die toch niet kon blijven bestaan, op dien
onvruchtbaren grond, gebeukt door wind en golven. Steden ontstaan op
natuurlijke wijze aan den oever van rivieren, in vruchtbare dalen en op
heuvelhellingen. Als het moet, vindt een dorp nog wel een plaatsje,
onverschillig waar, als het maar in de buurt der bebouwde velden
is. Overal waar de grond voor bebouwing geschikt is, verrijst een
huis. Een tweede voegt zich bij het eerste, dan een derde; er vormt
zich een groepje en men heeft het gehucht, het dorp. Het voetpad
wordt tot weg verbreed, en de weg kan tot hoofdroute worden.
Geen stad echter zal ontstaan op een plateau, waar veel sneeuw valt,
noch op een vooruitspringende rots, die aan de woede der zee is
blootgesteld. Men zal dus denkelijk de belangrijkheid van Penmarch
in den ouden tijd sterk overdrijven; de stad zou bij een hoogen vloed
verzwolgen zijn of ten minste teruggebracht tot de afmetingen van een
bescheiden dorp of liever van enkele dorpjes en gehuchten. Maar alle
watervloeden zouden niet kunnen teweegbrengen, dat hier vruchtbare
grond was geweest en een omgeving, geschikt voor het bestaan van
een groote stad. Aan den anderen kant kan echter een veilige, goed
beschutte zeehaven een stad doen ontstaan. De booten roepen huizen
en pakhuizen. Men kan dus zonder bezwaar, in plaats van een stad,
die het geheele schiereiland overdekte, een groote stad aan zee
veronderstellen met veel klokkentorens, een stad van visschers,
reeders en kooplieden. Er wordt gesproken van vijftien duizend
inwoners van Penmarch, van achthonderd schepen, die op de kust
aan kabeljauwvangst deden. Zoo groot is ongeveer de beteekenis van
Douarnenez en Concarneau, die ongeveer zevenhonderd schepen hebben. Nu
zijn er zoowat tienduizend inwoners in Douarnenez en zesduizend in
Concarneau. Het oude Penmarch heeft een stad van dien aard kunnen
zijn. Maar de legende heeft er zich mee bemoeid. Men heeft onder het
water een stad meenen te zien, nog ouder dan Penmarch, begraven in de
golven. Dat is de stad Is, welker klokken men op sommige tijden hoort
luiden. Vroeger werd de mis bediend op het schip, boven de golven, die
een wereld begraven hadden, en wel voor de zielsrust der begravenen.
Een haven, schepen en kabeljauwvangst, die vormen het vaststaand
verleden van de streek. De aanwezigheid van de kabeljauwen op de banken
in de wateren van Penmarch had visschers gelokt, en hertog Jan V moest
in 1494 een edict uitvaardigen, waarbij aan de landbouwers verboden
werd hun huis en hof te verlaten, op straffe van de strop. Toch wilden
allen fortuin maken, ten minste leven van die natuurlijke winst,
desnoods door den handel in visch, het "vastenvleesch", een handel,
die meer voordeelen afwierp dan de landbouw op het schiereiland.
Emile Souvestre, die wat er verteld werd, heeft verzameld en er
een geschiedenis van heeft trachten te maken, schrijft hierover:
"Penmarch had toen een haven, gevormd door een lange pier, waarvan
men de overblijfselen nog kan zien, en die van Kerity liep tot de
rots La Chaise genoemd. Wat de stad betreft, zij bedekte het terrein,
waar nu de kleine gehuchten Penmarch en Kerity liggen, zooals blijkt
uit het puin, dat daar overal verspreid ligt. De groote uitbreiding
der stad was oorzaak, dat men haar niet had versterkt, maar daar de
ligging gevaarlijk was met het oog op de Engelschen en de zeeroovers,
hadden de meeste rijke bewoners hun huizen voor aanvallen trachten
te beschutten, door er een gekanteelden muur om te laten bouwen en
er een toren op aan te brengen.