vuurtoren bewonderd op de hooge kaap, en ik heb mij vermaakt met een
gesprek met een der wachters. Het was een man, die al grijs werd,
en nog altijd trouw zijn wachterstaak vervulde tusschen hier en den
toren in de open zee. Hij las couranten, had boeken, drukte zijn
meening zeer verstandig uit over wat er in de wereld voorviel, en
ik was zeer verbaasd, toen ik later vernam, dat die kalme, rustige
man krankzinnig was geworden en dat hij de misdaad had begaan, zijn
vrouw te worgen, die op een dorp bij de kaap woonde.
Ik herinner mij nog, of het gisteren was, hoe hij mij zorgvuldig
geleidde en tot gids diende bij mijn wandeling om de kaap. Dat is niet
gevaarlijk voor wie vast van voet is en niet aan duizelingen lijdt;
maar dan moet men nog met zorg de steenen uitkiezen en de trappen,
die den omgang mogelijk maken om het enorme, verweerde rotsblok vol
spleten en afgronden. De weg is niet gemakkelijk en er is maar één
weg. De straatjongens, die ons volgen, geven er echter niet om, laten
zich langs de hellingen afglijden, houden zich vast aan vooruitstekende
steenen, verdwijnen in holten en komen op eenmaal weer te voorschijn,
alsof ze een luik oplichten, en maken al die gymnastische toeren,
waar ik wel voor zou bedanken, om mij een bouquetje welriekende, gele
bloemen te brengen, geplukt op de helling van een gapenden afgrond.
Ik kan die oefeningen niet meemaken; dat heeft mij het draven door
de straten van Parijs niet geleerd. Dus volg ik voorzichtig mijn
metgezel, die mij aanwijzingen geeft en mij soms bij de hand neemt,
als het pad te glad en te moeilijk is. Het begin der reis valt het
zwaarst langs het noordelijk deel der kaap. Dat is ook het mooiste
gedeelte, namelijk het meest grootsche en schrikwekkende. De Hel
van Plogoff is een gat, waar het gevaarlijk zou zijn in te storten;
de roode wanden van de kloof zouden nergens den val breken, en de zee
daarbeneden met haar golven en haar schuim en haar donderend geweld
doet denken aan een troep wilde beesten, opgesloten in een te enge
ruimte, wier woede naar een prooi verlangt.
Het schouwspel van dit punt is over de zee niet zooveel dreigender dan
van Penmarch; maar hier is alles op één plek geconcentreerd, terwijl
Sein in de buurt is, en de woedende zee tusschen dat eiland en het
continent. Dat is een eenig en aangrijpend schouwspel, die woede van de
zee tusschen het vasteland en het eiland, waar de zee onbeschrijfelijk
heftig is. Het verrast, als men er toch visschersbooten en groote
schepen ziet passeeren. De mensch levert er een bewijs van zijn moed
en zijn verstand. Hij vertrouwt zich toe aan het razend snelle water,
omdat hij het in al zijn grillen en nukken heeft leeren kennen.
_Enez Sizun_ heet het eiland Sein, de legendarische verblijfplaats
der druïdische priesteressen. Het is een rots, die al meer door de
zee wordt afgebrokkeld, met een vuurtoren erop en een kleine haven
voor reddingbooten en voor een dertigtal visschersschuiten. Daarbij
zijn de kleine huisjes van het dorp gebouwd. Hevige stormen zijn
gedenkwaardig gebleven in de geschiedenis van Sein, waar het licht,
dat wijd uitschijnt over de zee, het einde van Bretagne aangeeft.