Lust het u, wanneer gij tot de ingewijden behoort, in statigen ommetogt
in uwen mystieken pelgrimsmantel gewikkeld, niet ongelijk aan eenen
bedevaartganger naar het heilige graf, of een Maltheser Ridder,
met uwe medebroeders den verloren acaciatak te helpen opzoeken,
of eene wijle tijds tusschen de kolommen J. en B. te vertoeven;
welaan begeef u dan, wanneer het feest is, en de altaren voor deugd
en menschenliefde rooken, naar het tot een verheven doel wel ingerigt
gebouw op den Kortendijk en klop daar, met uw diploma in de hand,
drie maal drie malen aan de deur van den gewijden tempel; gij zult
welkom zijn; men zal uw verlangen aan den Grootmeester der Orde te
kennen geven, men zal u begeleiden tot aan de voeten van den throon,
op welken hij met gepaste waardigheid zetelt, en gij wordt, nadat
men zich van uwe identiteit als broeder zal vergewist hebben, met
hartelijke welwillendheid tot de werkzaamheden toegelaten, terwijl
u handschoenen en schootsvel, blank en rein, als het symbool van
zuiverheid der bedoelingen, benevens winkelhaak en truweel zullen
worden aangeboden. Gij ontmoet dan, als deelgenoot aan de geheimen,
die weleer die van Isis en Osiris waren, in den heiligen broederkring,
menigen inwoner van het stadje, dien gij vroeger onopgemerkt, in
deszelfs straten zijt voorbijgegaan, of hier of elders hebt ontmoet,
hij drukt u hartelijk de hand, terwijl gij straks met hem en de overige
gasten aan den feestdisch het «in diesen heiligen Hallen kennt man die
Rache nicht» of het «par trois fois trois mes frères» zult aanheffen.
Broederliefde! verheven woord! woord van gewigtige beteekenis! Zijt
gijl. mijne broeders! allen daarvan wel diep doordrongen?! Zorg,
ik bezweer het u, dat dit woord voor uw lieden geen ijdele klank
zij, zorg, dat gij niet vreezen moet, dat schietlood en compas u
beschuldigend in de handen zullen beven, en het alziend oog, dat in
den gevel des tempels prijkt, en uwe werken gadeslaat, zich van u
zal afwenden en de hamerslagen, die anders welluidend weergalmen,
dof zullen klinken, en dof zullen weerkaatst worden.
Broederliefde! woord des vredes! moge uwe stem, in deszelfs verhevene
en eigendommelijke beteekenis steeds gehoord worden, daar, waar de
star in het oosten flonkert, moge geen eenig broeder zich zijner
roeping onwaardig gedragen! Moge aan niemand hunner verwijtend worden
toegefluisterd «procul hinc, procul ite profani!» moge een ieder
hunner het heilig woord steeds onbevangen durven uitspreken en de
arbeiders aan den tempel van dien koning, uit de gewijde geschiedenis,
die door zijne wijsheid de geheele wereld met verbazing vervulde,
zich, door zuivere en onvervalschte broedermin, de goedkeuring van
den opperbouwmeester van het heelal waardig maken!