bevalligste tooneelspeelsters was aan de _Comédie française_, en die
misschien nog enkele ouderen van dagen, als ik, zich herinneren zullen,
in 1811, toen Napoleon Amsterdam bezocht, met Talma, Damas en Duchesnois
op 't Leidsche plein te hebben zien spelen, had te Parijs haar hôtel
naast dat van de Princes X. Nu gebeurt het, dat de kat der
tooneelspeelster op roof uitgaat, in de kamer der Princes dringt en haar
kanarievogel opsnoept. De Princes, hierover verstoord, schrijft een vrij
kras briefje aan de aktrice om zich te beklagen, en teekent dat briefje:
X. De andere antwoordt in gelijken stijl, vertelt, dat zij de kat niet
bij zijn staart kan houden, dat de Princes dan beter zorgen moest, haar
vogelkooi dicht te houden, enz. enz., en teekent: _Bourgoin_. Groote
verontwaardiging bij de Princes, die een tweeden en nog scherper brief
schrijft, maar deze reis onderteekent: _Princes X_. Maar de
tooneelspeelster, die juist dien avond een princesserol in een van
Racine's meesterstukken te vervullen had, wil voor de degelijke Princes
niet onderdoen en teekent haar wederantwoord: _Iphigénie en Aulide_.
Van denzelfden aard is hetgeen zich, niet zoolang geleden, een andere
Parijsche aktrice veroorloofde. Op de groote Tentoonstelling van 1867
was er om de ruimte, waarin die gehouden werd, binnen te treden, eene
poort, die alleen toegang verleende aan vorstelijke personaadjen. Daar
vertoont zich aan de poort een prachtige _équipage_, met vier paarden
bespannen, en waarin een fraai gekleede vrouw was gezeten. De portiers,
die alle gekroonde hoofden kenden, hielden het rijtuig, dat wilde
doorrijden, tegen; doch met majesteit riep zij hun toe: "_la
Grande-Duchesse de Gérolstein_," en eerbiedig trad men rechts en links
ter zijde--voor M^{lle} Schneider, die alle avonden gezegde rol in het
_Theâtre des Variétés_ vervulde.
* * * * *
~Tucht.~--P. Krassus, Konsul in Aziën zijnde, had aan een Griekschen
krijgsbouwmeester bevel gezonden om hem den grootsten van twee masten
toe te zenden, die zich te Athenen bevonden, en waar hij zeker
oorlogswerktuig van wilde doen vervaardigen. De andere echter vond goed,
hem den kleinsten mast te brengen, als naar zijn oordeel beter geschikt
voor het doel, dat Krassus zich voorstelde. Krassus, zijn gronden
vernomen hebbende, liet hem dapper met roeden slaan, als meenende dat
het belang van de krijgstucht van meer gewicht was dan het belang van
het voorgenomen werk. Intusschen is het aan bedenking onderhevig, of
niet die onbepaalde gehoorzaamheid alleen dan betracht moet worden,
wanneer het bevel stellig en ondubbelzinnig is, en of niet Krassus, aan
een man van 't vak schrijvende, en hem meldende tot welk einde hij den
bedoelden mast behoefde, hem scheen uit te noodigen over de zaak na te
denken en naar zijn beste weten te handelen?
* * * * *
~Vaderlandsliefde.~--De Spartaan Pedaretes had zich als kandidaat
gesteld voor den regeeringsraad, die uit drie honderd leden bestond. Hij
wordt niet gekozen en keert huiswaarts, zich verblijdende, dat Sparta
drie honderd mannen bezit, waardiger dan hij.
Een Spartaansche vrouw had vijf zonen bij 't leger en wachtte tijding
van den geleverden slag. Bevende vraagt zij dit aan een Heloot, die van
't leger keert. "Uw vijf zonen zijn gesneuveld," zegt de slaaf.
"Ellendeling!" voegt zij hem toe, "is dat wat ik u vroeg?" Hij herneemt:
"Wij hebben gezegevierd." De moeder gaat naar den tempel en brengt den
Goden dank.
Een andere Spartaansche vrouw ziet bij een beleg haar zoon, die ergens
op post stond, door een pijl geveld, aan haar voeten nedervallen. "Roept
zijn broeder," zegt zij, "om hem te vervangen."
Porsenna, Koning van Hetruriën, belegerde Rome in 't jaar 246 harer
stichting en had de stad reeds tot het uiterste gebracht. Een jonge
Romein, Mutius genaamd, weet onder een vermomming in 't vijandelijk
leger, ja zelfs tot binnen Porsenna's tent te dringen, waar hij met zijn
dolk, wanende Porsenna te treffen, diens Sekretaris doorsteekt. Hij
wordt gevat en de Koning bedreigt hem met de felste folteringen. "'t Is
vruchteloos," zegt Mutius, "dat gij mij schrik zoekt aan te jagen.
Bewust, welk lot mij te wachten stond, heb ik mij vrijwillig opgeofferd
voor mijn Vaderland en, om u het bewijs te geven, dat geen vrees voor uw
foltertuigen mij weerhouden kon, zie hier," en meteen steekt hij zijn
rechterhand in de vlam, die op een daar aanwezig outer brandde, en
blijft met onbeweeglijk oog de werking van het vuur, dat haar
wegschroeit, aanstaren. Porsenna, over zulk een onversaagdheid verbaasd,
laat hem van 't altaar afhalen en stelt hem in vrijheid. "Ik wil u,"
herneemt Mutius, "de grootmoedigheid, die gij mij betoont, vergelden en
u thans vrijwillig een geheim mededeelen, dat anders al uw dreigementen
mij niet ontrukt hadden: weet, dat wij met ons driehonderd Romeinen
zijn, die gezworen hebben, u om hals te brengen, of te sterven."
Volgens de historieschrijvers werd Porsenna door deze mededeeling
zoodanig getroffen, dat hij het beleg opbrak.
De tot hiertoe vermelde gezegden en feiten werden in vroegeren tijd, en
vooral in 't laatst der vorige eeuw, hemelhoog geprezen en als
voorbeelden ter navolging gesteld. Tegenwoordig denkt men daar anders
over en kan men geen hulde meer brengen aan een onvrouwelijke,
onmoederlijke en onnatuurlijke kalmte, als door die Spartaansche moeder
aan den dag gelegd werd, en evenmin zal men toegeven dat, hetzij
vaderlandsliefde, hetzij eenig ander gevoel, dat loffelijk is op zich
zelf, een moord kan wettigen: zoodat dan ook de meesten van hen, die in
de laatste jaren een rol als die van Mutius hebben willen spelen, verre
van lof te behalen, afkeer verwekt hebben, en 't vrij algemeen is
goedgekeurd dat de galg of 't schavot hun loon werd. Meer onverdeeld is
de lof aan de bewijzen van vaderlandsliefde, die ik thans vermelden ga.
In 1396 verdedigden de Zwitsers bij Sempach hun onafhankelijkheid tegen
de Oostenrijkers. Deze laatsten, in 't staal geharnast, vormden een muur
van ijzeren lansen, die ondoordringbaar scheen aan de lichtgewapende
bergbewoners. Toen besloot Arnold von Winkelried, een Edelman uit
Unterwalden, zich aan zijn Vaderland ten offer te brengen. "Vrienden!"
zeide hij tot de Zwitsers, "ik bezorg u de overwinning ten koste van
mijn leven. Draagt slechts zorg voor hen die ik achterlaat. Volgt mij nu
en gedraagt u naar mijn voorbeeld." En toen den Zwitsers hun gelederen
hebbende doen schikken in den vorm van een driehoek, plaatste hij zich
zelf aan de spits en liep op het centrum van den vijand in. Daar
gekomen omvatte hij met beide armen zoovele der op hem gerichte lansen
als hij maar grijpen kon, en wierp zich daarmede op den grond, aldus aan
hen die volgden een doortocht openende om in 't hart dier ineengesloten
falanks te dringen. Zoo was de muur verbroken en 't kwam nu tot een
strijd van man tegen man, waarbij de Oostenrijkers te kort schoten, daar
nu 't gewicht hunner wapenrusting hun noodlottig werd.
In 1346 werd Calais belegerd door Koning Eduard III van Engeland, en zag
zich, na een langdurig beleg, op den 3den Augustus van 't volgende jaar
tot de overgave gedwongen. Vertoornd over den hardnekkigen wederstand,
die hem geboden was, weigerde Eduard in 't eerst eenige gunstige
voorwaarden aan de ingezetenen toe te staan, en bepaalde hij, dat de
eene helft omgebracht en de andere op rantsoen gesteld zou worden. Van
dit wreede besluit werd hij echter door zijn legerhoofden teruggebracht,
die hem niet zonder reden voorhielden, hoe zulk een gestrengheid de
Franschen zou aansporen, hun gevangenen op gelijke wijze te behandelen,
en hij zeide daarom zich tevreden te zullen stellen met den dood van zes
personen, die hem, blootshoofds en met den strop om den hals, de
sleutels der stad zouden brengen. Toen Mauny uit zijn naam aan de
inwoners van Calais deze laatste bevelen zijns meesters kwam
overbrengen, verzocht de Stadskommandant, Jean de Vienne, hem te
blijven, en tegenwoordig te zijn bij het besluit dat dien overeenkomstig
zou genomen worden. De markt stond volgepropt met lieden uit de stad,
die er met pijnlijk ongeduld stonden af te wachten, hoe de veroveraar
over hen beschikken zou. Toen zij dit hadden vernomen, heerschte alom
een stille neerslachtigheid, en de een zag angstig den anderen aan, als
om te vragen, wie onder hen een der zes ter dood gedoemden wezen zou.
Hier en daar gaf zich de smart in hoorbare zuchten of in snikken en
tranen lucht; de Kommandant, hoe dapper hij in de bres gestreden had,
schreide als een kind; Mauny zelf was met dit schouwspel innig bewogen.
Toch moest men tot een besluit komen; want aan verzachting van 's
Konings eisch viel niet meer te denken. Daar kwam Eustatius de St.
Pierre midden uit de burgers voor den dag en zeide: "Heeren, groot en
klein! 't zou een bittere ramp wezen al dit arme volk door honger of
anders te laten omkomen, als er middel tot uitkomst is, en ik voor mij
heb zoo groote hoop vergiffenis mijner zonden van onzen Heer te
verwerven, als ik sterf tot rantsoen van deze allen, dat ik de eerste
wil zijn."--Zoo getroffen waren de omstanders door deze schoone taal,
dat elk om 't eerst zich aan zijn voeten wierp, en zoo krachtig was het
voorbeeld der deugd, dat terstond Jean d' Aire, Jacques en Pierre
Wissant en twee anderen (wier namen de Geschiedenis, die er zoovele van
groote schelmen in aandenken houdt, ons niet bewaard heeft) zich bereid
verklaarden, met hem te sterven. De Kommandant deed hen uitgeleide tot
aan de stadspoort, waar hij hen aan Mauny overgaf, met verzoek in hun
voordeel te spreken bij den Koning. Voor dezen verschenen, boden zij hem
de stadssleutels aan, terwijl al de hovelingen, door zoo veel
grootmoedigheid getroffen, den Koning naar de oogen zagen in de hoop,
dat hij een milder uitspraak doen zou. Doch Eduard bleef onbewogen, en
in weerwil dat zijn zoon, de Prins van Wallis, zich voor zijn voeten
wierp, gaf hij last dat de beul zou geroepen worden. 't Was met die
ongelukkigen gedaan geweest, ware niet ter goeder ure 's Konings
gemalin, Filippa, zuster van onzen Graaf Willem den Goede, verschenen,
die zich aan 's Konings voeten wierp en hem smeekte, den luister zijner
overwinning door geen wandaad te bezwalken. "Ach, Mevrouw!" zeide hij
eindelijk, "'t ware mij liever geweest, indien gij elders dan hier
geweest waart; doch gij bidt mij zoo ernstig, dat ik u niets kan
afslaan. Neem ze met u, ik schenk ze u." Terstond leidde hen de Koningin
naar haar verblijf, bezorgde hun kleederen en spijzen, en zond ze naar
de stad terug, aan elk hunner zes goudstukken schenkende, om in hun
behoeften te voorzien.
* * * * *
~Verachting van den Dood.~--Toen Filippus van Macedoniën met zijn leger
den Peloponnezus was binnengerukt, zeide iemand tegen Damindes, dat de
Lacedemoniërs wèl zouden doen, zich tijdig te onderwerpen, dewijl zij
anders 't ergste te vreezen hadden. "Eiwat, bloodaard!" antwoordde deze:
"wat kunnen zij te vreezen hebben, die niet bang zijn voor den
dood?"--en inderdaad toen Filippus hun schreef, dat hij al hun
ondernemingen verijdelen zou, was hun antwoord: "zult gij ons ook
beletten te sterven?"
Toen men aan Koning Agis vroeg, hoe een man vrij kon leven, antwoordde
hij: "door den dood te verachten."--
Uit deze gezegden blijkt, dat beide deze Spartanen van oordeel waren,
dat men des noods zijn einde verhaasten mag, ja verplicht is, zulks te
doen, om een erger leed, als b. v. schande of slavernij, te ontwijken.
Trouwens, dit werd dien hardvochtigen volksstam van jongs af ingeprent,
getuige die Lacedemoonsche knaap, die, door Antigonus gevangen en als
slaaf verkocht zijnde, zijnen meester, toen deze zeker verachtelijk
dienstbetoon van hem vorderde, toevoegde: "Ik zal u toonen wien gij
gekocht hebt, en hoe ik, de vrijheid in mijne macht hebbende, mij
schamen zou te dienen," en meteen sprong hij het plat van het huis af en
viel te pletter.
Ook de oude Germanen stelden den dood boven de slavernij, en edel was
het antwoord, dat Bojaculus, een hunner aanvoerders, aan den Veldheer
van Keizer Tiberius gaf: "wij kunnen gebrek hebben aan land om op te
leven; maar het zal ons nooit aan land ontbreken om op te sterven."
En dat diezelfde vastberadenheid ook bij de verre nakomelingen der oude
Germanen niet was verloren gegaan, bleek uit de schoone woorden, die
onze Stadhouder Willem III in 1672 sprak, toen men hem te kennen gaf,
dat er voor onze landgenooten, door Frankrijk, Engeland en Munster
bestookt, geen uitkomst meer bleef: "Ik weet een middel om den vijand te
ontkomen," zeide hij, "dat is te sterven bij de verdediging van de
laatste gracht."
De regel echter, dat men den dood verkiezen moet boven hetgeen erger is
dan de dood, heeft van ouds reeds aanleiding gegeven tot verheerlijking
van den zelfmoord. Ieder weet, hoe Kato van Utika door de Latijnsche
schrijvers geprezen werd, omdat hij, toen Cezar zegevierde, de vrijheid
van zijn Vaderland niet wilde overleven. Niet minder roemen zij Boges,
die, door Xerxes tot bevelhebber van Eione aangesteld en geen kans meer
ziende om de plaats tegen de overmachtige Atheners, onder Cimon, te
verdedigen, de schande van een post, hem door zijn meester toevertrouwd,
te verliezen, niet begeerde te overleven, maar den hem aangeboden
eerlijken uittocht weigerde, en, toen al de voorraad verteerd en alle
verdere afweer onmogelijk was, eerst in de rivier Strymon al het goud en
wat verder de begeerlijkheid des vijands wekken kon, liet werpen, waarna
hij een groote houtmijt deed oprichten, zijn vrouwen, kinderen en
dienaren en eindelijk zich zelven den vlammen prijs gaf.
Maar ook de zelfmoord ter ontwijking van tegenspoeden van minder
beteekenis, ja van ziekten en gebreken, werd bij de Ouden loffelijk
geacht. Diogenes, den wijsgeer Speusippus ontmoetende, die, door
waterzucht gekweld, zich in een draagbaar liet rondrijden en hem goeden
dag wenschte, gaf hem tot antwoord: "U wensch ik geen goeden dag, die
laf genoeg zijt om in een toestand als de uwe te blijven leven."--En
inderdaad ontnam kort daarna Speusippus zich het leven, dat hem tot een
last was geworden.
De oude niet alleen, ook de nieuwe geschiedenis is vol voorbeelden van
menschen, die zich ombrachten om een gelijke of nog zonderlinger reden.
Lucius Aruntius doodde zich om de toekomst en het verledene te
ontvluchten. Grunius Silvanus en Statius Proximus, na eerst door Nero
ter dood te zijn veroordeeld en toen vergiffenis ontvangen te hebben,
deden hetzelfde omdat zij geen genade van zulk een dwingeland begeerden.
Nog opmerkelijker is de zelfmoord van de vrouw van Fulvius. Deze
Fulvius, een der gunstelingen van Augustus, had een geheim, dat de
Keizer hem had toevertrouwd, aan zijne vrouw medegedeeld, en deze had
het verder verteld. Augustus was er achter gekomen en had hem er ernstig
over onderhouden; waarop de hoveling, vreezende de gunst zijns meesters
voor altijd verbeurd te hebben, wanhopend naar huis liep en aan zijn
vrouw zeide, dat hem nu niets anders overbleef dan zich om hals te
brengen. "En daar zult ge zeer groot gelijk aan hebben," zeide hierop
zijne vrouw: "gij wist dat ik een langtong ben, en hadt beter moeten
oppassen mij niets toe te vertrouwen; maar laat ik mij zelve nu eerst
straffen," en meteen, zijn degen nemende, stootte zij zich dien in 't
hart.
Sixtus Pompejus, naar Aziën trekkende, deed het eiland Cea aan, juist op
het tijdstip dat een aanzienlijke vrouw aan hare medeburgers de redenen
had ontvouwd, waarom zij besloten had zich van het leven te berooven.
Zijn komst vernomen hebbende, liet zij hem verzoeken haar sterven met
zijn tegenwoordigheid te vereeren; waarop hij zich onmiddellijk tot haar
begaf en met klem van allerlei redenen trachtte haar van zulk een
wanhopig besluit terug te brengen; doch al zijn preêken was vruchteloos.
Hij moest toegeven dat zij haar zin deed. De vrouw, die reeds negentig
jaren telde en gezond was van lichaam en geest, ontving ter bestemder
ure hem en de overige genoodigden, terwijl zij fraai gekleed op haar
rustbed lag, en sprak hem op deze wijze toe: "De Goden, o Sixtus
Pompejus, en nog meer zij, die ik achterlaat, dan zij, die ik ga zoeken,
mogen u dank weten, dat gij mij tot bepleiter van mijn leven en tot
getuige van mijn dood hebt gestrekt. Wat mij betreft, altijd door
voorspoed gehad hebbende, wil ik de kans niet loopen, dat de zucht om
langer te leven mij een tegenovergestelde ondervinding liet opdoen, en
ik acht het wijzer, aan mijn ziel een gelukkige standverwisseling te
bezorgen, terwijl ik twee dochters en tal van achterneven nalaat."--Dit
gezegd, de haren tot vrede en eendracht vermaand en de huisgoden aan
hare oudste dochter bevolen hebbende, nam zij met vaste hand den beker
met vergif, bad Merkuur, haar in de andere wereld naar een gelukkig
hoekje te geleiden, en dronk toen rustig den beker ledig. Dit gedaan
hebbende bleef zij zich nog met de aanwezigen over de werking van het
gif onderhouden, hun vertellende, hoe zij achtereenvolgens al haar
ledematen voelde verstijven, totdat zij eindelijk, ontwarende dat het
gif haar hart genaakte, haar dochters tot zich riep om haar de oogen te
sluiten.
Hoe gemeenzaam de zelfmoord bij de Ouden was, kan men o. a. opmaken uit
hetgeen van Timon den Menschenhater verteld wordt, die een vijgeboom in
zijn tuin had, waar zich de Atheners, als zij 't leven moede waren, bij
voorkeur aan kwamen verhangen. Op zekeren dag sloeg hij op een paal de
aankondiging aan, dat hij voornemens was gezegden boom te doen omhakken
en alzoo zijn stadgenooten uitnoodigde, zich te haasten alsnog van de
schoone gelegenheid gebruik te maken.
Of de oude schrijvers ons alleen die voorbeelden van zelfmoord hebben
nagelaten, waar een min onedele reden daartoe geleid heeft, weet ik
niet; maar zeker is 't, dat ik nergens bij hen heb gelezen van iemand,
die zich van kant maakte omdat zijn geld op was: wat echter in latere
dagen de meest gewone aanleiding is tot zulk een wanhopige daad.
Voorbeelden daarvan zou ik bij duizenden ook uit onzen leeftijd kunnen
aanhalen. Ik bepaal mij tot een paar, die nog al treffend zijn.
Richard Smith, een Engelschman, was zijn ongeluk moede. Hij was rijk
geweest, en arm geworden. Hij was gezond geweest en zat vol kwalen. Zijn
vrouw leed er evenzeer onder als hij, ook vooral om het kind, dat hun
was overgebleven. Zoo besloten zij, zich van het leven te berooven, en
na elkander teederlijk omhelsd en hun kind vaarwel gekust te hebben,
wurgden zij eerst dat onnoozele wicht en hingen zich toen aan hun
bedstijlen op. In een brief, dien zij aan hun neef Brindlay schreven,
gaven zij hun hoop te kennen, dat God hun vergiffenis zou schenken, en
verklaarden dat zij het leven verlaten hadden, omdat zij geen uitkomst
meer wisten, en aan hun zoontje den dienst hadden bewezen van hem voor
een gelijk lot te bewaren. Tevens bevalen zij hunnen neef hun hond en
hun kat aan, zeker van oordeel zijnde, dat men gemakkelijker hier
beneden het geluk van een huisdier dan dat van een menschelijk wezen
verzekeren kan.
Een rijke en kinderlooze Weduwe had in haar huis een daglooner aan 't
werk, die een vrouw en een kindje had. 't Waren eerlijke lieden,
ordelijk en werkzaam, doch die naauwlijks in hun meest dringende
behoeften konden voorzien. Eens gebeurde het dat de vrouw van den
werkman bij de Weduwe kwam en haar vriendelijk verzocht, haar kind tot
harent te laten, terwijl zij een boodschap ging doen. De Weduwe stemde
er in toe. "Maar, beste Mevrouw," zei de arme vrouw, "ik beveel hem u
wel aan: laat het arme schaap toch goed verzorgd worden, tot ik terug
ben."--De Weduwe verzekerde haar dat zij er alle zorg voor dragen zou,
waarop de moeder vertrok. Men zag haar dien dag niet terug, noch ook
den vader. Eerst na drie dagen vernam men, hoe beiden zich in den Teems
verdronken hadden. De Weduwe achtte zich nu door haar gegeven woord
verbonden en voedde het kind als het hare op.
Een Engelsch meisje, door de armoede tot radeloosheid gebracht, wierp
zich in den Teems; een voorbijganger sprong haar na en redde haar. Dan,
in plaats van hem dank te weten, zeide zij dood bedaard tot hem: "Nu gij
mij de eenige uitkomst, die mij overbleef, hebt ontnomen, zijt gij
gehouden mij schadeloos te stellen. Ik ben ten prooi aan de ijselijkste
ellende; gij wilt dat ik leev', geef mij dan de kost."--
Over 't algemeen levert Engeland talrijke voorbeelden van zonderlinge
zelfmoorden. Philip Mordaunt, neef van den beroemden Graaf van
Peterborough, was zeven-en-twintig jaren oud, schoon, welgemaakt, door
zijn liefste teeder bemind en met de schitterendste uitzichten voor
zich. Het leven begon hem te vervelen, hij betaalde zijn schulden,
schreef aan zijn vrienden brieven tot afscheid, en maakte zelfs eenige
dichtregelen, waarvan de laatste, overgezet, aldus luidden:
Zoo de opium den wijzen
Gewenschte diensten doet,
Een zakpistool en moed
Zijn hooger nog te prijzen.
En naar dit voorschrift schoot hij zich voor den kop, tot reden alleen
deze gevende, dat zijn ziel zijn lichaam moede was, en dat men een huis
verlaat, waarin men zich verveelt.
Lord Scarborough scheidde van het leven met dezelfde kalmte als van zijn
bediening als Opper-Stalmeester. Men verweet hem in het Hoogerhuis, dat
hij 's Konings zijde voorstond, omdat hij eene hooge betrekking had ten
hove. "Mijne Heeren," zeide hij, "om u te toonen dat mijn politieke
meeningen niet afhankelijk zijn van mijne bediening, zend ik
onmiddellijk mijn ontslag in." Iets later, moetende kiezen tusschen een
minnares, die hij liefhad, en een andere, die trouwbeloften van hem had,
maakte hij zich van kant om zich uit de verlegenheid te redden.
Niet zoo snel kwam Robeck tot dat besluit. Niet alleen overwoog hij de
zaak, maar hij schreef zelfs een boek, dat heel dik, heel geleerd, heel
droog en heel vervelend was en, daarin betoogd hebbende, dat de
zelfmoord geoorloofd is, maakte hij van dat verlof voor zich zelven
gebruik.
In December 1761 was een arme man hout gaan sprokkelen in Hydepark, toen
hij een welgekleed heer zag, die met een zwaarmoedig gelaat de laan op
en neder ging. De arme man, denkende dat het een Officier was, die hier
een tweegevecht kwam houden, dook achter de struiken weg. Hij zag toen,
hoe de onbekende een papier voor den dag haalde, dat hij met blijkbare
ontroering las en toen verscheurde. Daarop haalde hij een pistool uit
zijn zak, zette ze tegen zijn voorhoofd en trok den haan over. Het zwam
ontbrandde; maar het schot ging niet af. Nu sprong de man uit zijn
schuilhoek te voorschijn en ontrukte het moordgeweer aan den
zelfmoordenaar, die, zijn degen trekkende, er zijn redder mede wilde
doorsteken. "Stoot toe," zeide deze, "ik ben evenmin bevreesd voor den
dood als gij; maar ik heb meer moed. 't Is nu vijf-en-twintig jaren,
dat ik in armoede en kommer leef; maar ik laat aan God de zorg over om
een einde te maken aan mijn lijden." De andere, over dit antwoord
getroffen, bleef een oogenblik stokstijf staan, trok toen zijn beurs en
gaf die aan den braven grijsaard, wien hij beloven deed, geene pogingen
aan te wenden, om achter zijn naam te komen.
Het is buiten twijfel, dat die man het aan 't rechte eind had, en zoo er
wijsgeeren geweest zijn, die den zelfmoord op den straks aangevoerden
grond verdedigden, anderen zeiden met recht, dat iemand die zich zelf
niet heeft doen geboren worden, ook geen recht heeft zich te doen
sterven, en dat niemand zijn post verlaten mag zonder last van dengene,
die hem daarop gesteld heeft. Het toont meer ware geestkracht, zijn
keten te slepen dan die te verbreken, en Regulus toonde meer waren moed
dan Kato. 't Is de flaauwhartigheid, niet de deugd, die iemand de slagen
der fortuin in een graf doet ontwijken.
Terecht zei daarom Kleomenes, toen hij bezweek in den strijd, na
vruchteloos den dood getart te hebben, tegen iemand, die hem aanspoorde
zich zelven van kant te maken en de schande der neêrlaag niet te
overleven: "Tot zulk een uiterste kan men altijd komen; doch niet
zoolang er nog een zweem van hoop overblijft: te blijven leven is soms
een daad van moed en volharding, en zal een zelfmoord loffelijk zijn,
dan moet hij dienst doen aan het Vaderland."