Geheel anders dacht daarover M. Emilius Lepidus, die aan zijn erfgenamen

verbood bij zijn begrafenis de anders gebruikelijke plechtigheden in

acht te nemen,--een beschikking, waarover hij door sommigen geprezen

werd, die er een bewijs van zedige eenvoudigheid in zagen, door sommigen

gelaakt, die haar aan ongepaste karigheid toeschreven. Mijns bedunkens

handelt hij het verstandigst, die zich niet bekommert over zijn

ter-aarde-bestelling en die aan zijne erfgenamen overlaat. Te recht zegt

Cicero, daarvan gewagende: "dat men die zaak, waar 't ons zelve aangaat,

niet moet tellen, maar niet verwaarloozen, waar 't onze naastbestaanden

betreft"[2]. En evenzoo oordeelt Augustinus, waar hij zegt, dat de zorg

voor de begrafenis, de hoedanigheid van het grafteeken en de luister der

lijkplechtigheden zaken zijn, die meer de vertroosting der levenden

betreffen dan de behoeften der dooden[3].

[2] _Totus hic locus est contemnendus in nobis, non negligendus in

nostris._ _Cap._ 1, 1. 45.

[3] _Curatio funeris, conditio sepulturae, pompa exsequiarum, magis

sunt vivorum solatio, quam subsidia mortuorum._ _De Civit. Dei_ 1,

12.

* * * * *

~Schrijvers.~--Men heeft den schrijvers wel eens een te groote

ingenomenheid met hun letterkundige voortbrengselen verweten, en zeker

zijn zij, die zelve bij anderen den lof van hun papieren kinderen

uitbazuinen, of, nog erger, er anderen op onthalen, even zeer te

veroordeelen en te schuwen als zij, die in gezelschap hun kinderen van

vleesch en bloed als kleine wondertjes voorstellen en ze hun kunsten

laten vertoonen. Maar van eenen anderen kant kan men het aan een

schrijver niet ten kwade duiden, dat hij aan de voortbrengselen van zijn

geest eenigermate gehecht is. 't Zijn toch ook zijn kinderen, en nog wel

de zoodanige, die uit zijn brein, als Minerva uit dat van Jupiter, en

zonder iemands tusschenkomst, zijn voortgesproten. Of die gelukkig of

minder gelukkig zijn uitgevallen, of de affektie, die hij hun toedraagt,

beredeneerd is of niet, doet minder ter zake. Zelfs is meer dan eens

opgemerkt, dat ouders doorgaans een voorliefde hebben voor dezen of

genen onder hunne kinderen, die 't minst naar lichaam of geest

ontwikkeld zijn: en op gelijke wijze ziet men niet zelden den auteur

zeker zwak koesteren juist voor 't werk, dat de kritiek 't minst goed

geslaagd oordeelt.

Van de gehechtheid des schrijvers aan zijn werk bestaan zelfs

aandoenlijke voorbeelden. Te Rome leefde in de eerste eeuw onzer

jaartelling zekere Labiënus, die niet alleen uitmuntte door aanzien en

karakter, maar ook verscheidene keurige werken had in 't licht gegeven.

Hij had zich benijders en vijanden verwekt, die hem voor den Rechter

riepen, en voorstelden als de jeugd door zijn geschriften te hebben

bedorven. Die voorstelling schijnt geheel lasterlijk en valsch te zijn

geweest. Wat daarvan zij is niet uit te maken, dewijl zij niet tot ons

gekomen zijn; genoeg, de Rechter hechtte er aan en gelastte, dat zij

verbrand zouden worden. En dit was, naar men beweert, het eerste

voorbeeld dat te Rome gegeven werd van een vonnis, tegen boekwerken

geveld. Labiënus nu trok zich het verlies zijner papieren kinderen zoo

zeer aan, dat hij zich levend liet wegdragen en opsluiten in het graf

zijner voorvaderen, en zich daar vrijwillig den dood gaf.

Hetzelfde deed Kumutius Kordus, die onder Tiberius leefde en wiens

boeken ten vure gedoemd waren, omdat zij den lof van Brutus en Kassius

behelsden. Hij hield hun gezelschap en getroostte zich den hongerdood.

Kassius Severus volgde dit voorbeeld niet, maar tergde zijn rechters,

toen hij, krachtens hun vonnis, zijn boeken verbranden zag, en riep hun

toe, dat zij hem mede hadden moeten veroordeelen om verbrand te worden;

want dat hij al wat in die boeken stond in zijn geheugen bewaarde.

Toen de dichter Lukanus, door Keizer Nero ter dood veroordeeld zijnde,

zich door zijn arts de aderen had doen openen, en door bloedverlies

verzwakt, begon te bemerken dat de dood, die reeds zijn uiterste

lichaamsdeelen had verstijfd, nu ook den zetel zijns levens naderde,

hief hij aan met het opzeggen van eenige regels uit zijn gedicht over

den slag bij Farsale, en stierf met die verzen in zijn mond. Het was als

een laatst vaarwel, zijn kinderen toegeroepen.

Gelijk met de schrijvers, is het met alle kunstenaars gesteld, wat door

de Oudheid zeer gelukkig is voorgesteld in de fabel van Pygmalion, die

op het beeld verliefde, dat het werk was zijner handen.

* * * * *

~Slaap.~--Het is over 't algemeen het bewijs, niet alleen van een gezond

gestel, maar ook van een sterken geest, onder alle omstandigheden des

levens goed te kunnen slapen. In de nacht, die den dag voorafging,

waarop Alexander de Groote den beslissenden slag aan Darius leveren zou,

sliep hij zoo gerust, dat zijn vertrouweling Parmenio verplicht was hem

te gaan wekken, en hem tot twee of drie malen bij zijn naam te roepen

eer hij hem wakker kreeg.

Cato, de jongere, besloten hebbende zich van kant te maken, wilde

daarmede wachten tot hij bericht zou hebben bekomen dat de Senatoren,

die hij had weggezonden, veilig buiten de haven van Utika waren gekomen,

en ging zoo lang te bedde liggen, waar hij in een zoo diepen slaap viel,

dat men hem in de naaste kamer hoorde snorken. Toen de bode, dien hij

naar de haven om tijding had afgezonden, was teruggekeerd en hem gewekt

had met het bericht, dat tegenwind alsnog het uitzeilen der schepen

belette, draaide hij zich weder op zijn bed om en sliep even gerust

weder in. Eerst toen hij door een tweeden bode onderricht was dat de

vaartuigen in zee waren, stond hij op en volvoerde zijn opzet.

Omtrent hetzelfde wordt verhaald van Keizer Otho, die, evenzeer

voornemens zijnde zich te dooden, 's avonds orde op zijn zaken stelde,

zijn geld onder zijn dienaars verdeelde, den degen, waar hij zich meê

wilde om hals brengen, scherpte, en zich toen gerust te slapen ging

leggen, even als Cato zijn voornemen niet volvoerende, dan na dat hij

bericht had dat al zijn vrienden in veiligheid waren.

Doch het was niet alleen in zijn uiterste, dat Cato zulk een kalmte van

geest toonde: ook een voorbeeld uit vroeger dagen is ons daarvan bewaard

gebleven. Ten tijde van de groote samenzwering van Katilina had de

Volkstribuun Metellus een voorstel gedaan om Pompejus met zijn troepen

binnen de stad te roepen. Cezar, het volk, allen waren op de hand van

Metellus en niemand wederstond hem dan Cato alleen, 't Was bekend, dat

op den dag, waarop de zaak zou beslist worden, een troep huurlingen en

zwaardvechters Metellus zouden vergezellen, zoodat al de bloedverwanten

en vrienden van Cato zeer bezorgd voor hem waren, en velen onder hen de

nacht wakende doorbrachten om te overleggen, hoe zij hem aan het gevaar

zouden onttrekken. Ook zijn vrouw en zijn zusters deden niets dan het

huis met jammerklachten vullen: hij daar en tegen sprak iedereen troost

in, at en dronk als naar gewoonte en ging toen naar bed, waar hij zoo

gerust sliep, dat een zijner vrienden hem den volgenden morgen moest

komen wekken om naar de plaats te gaan waar 't geding zou gevoerd

worden.

De Raadpensionaris Jan de Witt behoorde ook onder hen, die slapen kunnen

zoodra zij 't oorkussen ruiken. Hij placht te zeggen, dat iemand, die

vele en gewichtige zaken in 't hoofd heeft, die moet kunnen ter zijde

stellen zoodra hij zich te bedde bevindt: een raad, die uitmuntend is,

doch dien iedereen niet even bekwaam is te volgen. 't Is echter in 't

algemeen raadzaam, niet onmiddellijk van den arbeid naar bed te gaan;

want dan blijven allicht onze gedachten op hetzelfde punt werkzaam en

belet ons dit te slapen: men doet daarom altijd beter, niet later dan

tot een zeker uur te werken, en dan 't zij een spel, 't zij een weinig

vermoeiende lektuur bij de hand te nemen, of zich op andere wijze te

ontspannen, zoodat men met een verfrischt hoofd te bedde gaat: ik

althans heb mij bij 't aanwenden van soortgelijke middelen steeds wel

bevonden.

Men heeft opgemerkt, dat lieden, die wegens misdaden te recht stonden

waar de hals meê gemoeid was, doorgaans zeer slecht sliepen in de nacht

voor dat het vonnis zou gewezen worden, dewijl alsdan de onzekerheid

omtrent hun lot hen uit den slaap hield, maar daar en tegen zeer gerust

in de nacht voor dat het vonnis zou voltrokken worden en als zij de

overtuiging hadden, dat er toch aan hun zaak niets meer te doen was.

* * * * *

~Snapachtigheid.~--Men beschuldigt in 't algemeen de vrouwen van een

haar ingeboren zucht tot snappen, en de hekel- en blijspel-dichters, zie

o. a. Hooft in zijn Warenar, hebben dan ook nimmer nagelaten, die zucht

op allerlei wijze ten toon te stellen. Toch is het de vraag, of die

meerdere geneigdheid tot praten niet veeleer een gevolg is van de

bijzondere omstandigheden, waarin de vrouwen geplaatst zijn. Zij toch

hebben over 't geheel zoodanige bezigheden, waarbij de handen alleen 't

werk doen, terwijl hoofd en tong geheel vrij zijn. 't Zij ze aan 't

naaien of borduren, 't zij ze aan 't wasschen of schoonmaken zijn, de

verbeelding heeft vrij spel en, zij zouden zich vervelen, indien zij

niet nu en dan een praatje maakten. De mannen daar-en-tegen, zijn ze

ambtenaren, klerken, kantoorbedienden, advokaten, prokureurs, doktoren,

letterkundigen, enz. enz., hebben hun hoofd noodig bij hun werk en

wennen zich dan voorzeker 't noodeloos praten niet aan. Zijn ze

ambachtslieden, landbouwers, poldergasten, hun arbeid zelf, die zware

krachtsinspanning vordert, maakt hun doorgaans 't babbelen onmogelijk;

zij zouden onder 't werk niet verstaan worden, en zijn na 't werk te moe

en te slaperig om te praten. Toch vindt men ook onder de mannen niet

weinig snappers,--maar 't is doorgaans juist onder de zoodanigen, die

een beroep uitoefenen, waarbij hoofd noch lichaamsspieren zich

bijzonder vermoeien, onder kappers, barbiers, bedienden in koffiehuizen

en modewinkels, livreiknechts en dergelijken, dat men babbelaars vindt,

en wel dikwijls de zoodanigen, die 't aan de vrouwen niets toegeven. 't

Is dus mijns bedunkens gewaagd uitsluitend aan de natuur der vrouwen een

hebbelijkheid toe te schrijven, die zich uit andere oorzaken verklaren

laat.

Doch toegegeven eens, dat de vrouw uitteraard meer dan de man tot

snappen geneigd is, dan mag men dit nog als een geluk beschouwen.

Immers, het is aan de vrouw, dat de eerste opleiding van 't kind, als

baker, als min, als kindermeid, als moeder, is toevertrouwd. Het

denkvermogen van het kind kan niet ontwikkeld worden, tenzij men het van

zijn geboorte af, reeds wenne, klanken te hooren, er naar te luisteren,

er de beteekenis van te verstaan, er op te antwoorden, in één woord, te

hooren praten. Nu ligt het wel in de reden, dat men begint met aan het

kind enkele woorden voor te zeggen, en vervolgens volzinnen, maar die op

zich zelve weinig beduiden, en dat ook zelfs als men verder komt, men

nog altijd over zeer dagelijksche en onbelangrijke dingen tegen hem

praat;--dat daartoe nu de vrouw in staat gesteld is, daarvoor mogen wij

den Hemel danken, en offert zij soms een groot gedeelte van haar leven

op om beuzelingen aan een kind te vertellen, laten wij het haar dan niet

ten kwade duiden, zoo zij nu en dan beuzelingen in haar gesprek met

menschen van haar leeftijd te pas brengt.

En toch, zoo als ik zeide, kunnen de mans niet nalaten, gedurig aan de

vrouwen haar snapzucht te verwijten. Zelfs geestelijken hebben zich

veroorloofd dit van den kansel te doen. Zoo wordt er van een verhaald,

dat hij, op Paaschdag voor geestelijke zusters predikende, de reden van

het feit, dat de Heer na zijn opstanding zich 't eerst aan vrouwen

vertoond had, daarin verklaarde gelegen te zijn, dat op die wijze de

tijding het spoedigst verspreid zou worden.

Een andere geestelijke, die in een dorpskerk preekte, waar mannen en

vrouwen afzonderlijk gezeten waren, werd midden in zijn rede gestoord

door gebabbel onder zijn toehoorders. Dit hindert hem en hij beklaagt er

zich over. Een vrouw staat op, en zegt: "'t Is niet aan onzen kant,

Eerwaarde!"--"Des te beter, vrouwtje!" is zijn antwoord: "zooveel te

eerder zal 't gedaan zijn."

Weêr een ander, over het gesprek met de Samaritaansche vrouw zullende

preêken, zei tot zijn toehoorders: "Verwondert u niet, indien mijn tekst

zoo lang is: 't is hier een vrouw, die aan 't woord is."

* * * * *

~Staatzuchtigen.~--Wie door eer- en staatszucht wordt voortgedreven,

kent zelden andere houding dan geknield te liggen of op de toonen te

staan, en zoekt zich doorgaans, als hij de nukken of de ongenade

verduren moet van wie boven hem zijn, zich daarover te wreken door hen,

die van hem afhangen, uit de hoogte te behandelen. Dit althans was het

gevoelen van een Sinees, die door Europa reisde. Eens zich in de

voorzaal bevindende van een machtigen Monarch, zag hij daar een man met

een gunstig voorkomen, in een prachtig gewaad, met vele eereteekens

behangen, die alleen en afgezonderd stond en met wien zich niemand

scheen te willen bemoeien. "Wie is die verlatene?" vroeg de Sinees aan

zijn geleider. "'t Is," antwoordde deze, "een onzer voornaamste Heeren;

hij heeft roemrijke krijgstochten gemaakt en is Goeverneur van een

onzer aanzienlijkste Gewesten; doch voor 't oogenblik is hij in

ongenade."--"En waarom draait men hem den rug toe?" vroeg wederom de

Sinees: "indien men ten Hove geen medelijden heeft met hem, moest men

het ten minste hebben met zijn arme onderhoorigen."

De Kardinaal Dubois, die Minister was onder den Regent, bood een abdij

aan een Bisschop, wien hij op zijn hand wenschte te hebben. De Bisschop

sloeg de gift af, zeggende, dat hij, volgens de Kanonieke wetten, niet

meer dan één geestelijk goed bezitten mocht. Die onbaatzuchtigheid

verbaasde Dubois, die zelf alles behalve nauwgezet was. "Indien gij,"

zeide hij, "niet over sommige punten wat vrij geschreven hadt, zou ik u

heilig verklaren."--"Gave God," antwoordde de Bisschop, "dat uwe

Eminentie er de macht toe bezat, en ik er u aanleiding toe gegeven had;

wij zouden beiden reden tot voldoening hebben."--Dat was een fijne

manier om hem zijn staatszucht te verwijten.

* * * * *

~Tooneelspelers.~--Het is noodig, dat een tooneelspeler, behalve een

goed uiterlijk, ook bekwaamheid genoeg hebbe om de rol, die hij te

vervullen heeft, behoorlijk te begrijpen; dat hij zich in den toestand

kunne verplaatsen van de persoon, die hij zal voorstellen, en diens

gevoelens en gewaarwordingen als 't ware tot de zijne maken. Met slechts

weinigen intusschen is dit het geval. Men had aan een beroemde

tooneelspeelster de taak opgedragen, aan eene, die nog debuteeren

moest, de rol te leeren spelen eener princes, die een hevige hartstocht

gevoelde voor een ontrouwen minnaar; doch, na les op les, begon de

onderwijzeres hoe langer hoe meer te bemerken, dat zij niet vorderde.

Eindelijk ongeduldig geworden zijnde, zeide zij tot haar leerling: "Is

hetgeen ik u vroeg dan zoo moeilijk? Stel u in de plaats der verlaten

minnares. Indien gij in haar geval waart en verraden door hem, dien gij

liefhadt, zoudt gij dan niet, als zij, van diepe smart doordrongen zijn?

Zoudt gij niet...."--"Ik?" antwoordde de debutante: "ik zou mijn best

doen, gaauw een anderen vrijer te krijgen."--"Is dit het geval?" hernam

de onderwijzeres; "dan verliezen wij beiden onzen kostbaren tijd: ik zal

u nooit kunnen leeren uw rol te spelen gelijk 't behoort."--[4]

[4] REMOND DE S^{TE} ALBINE. _Le comédien._ Paris 1751.

Intusschen, men versta ons wel: wanneer wij zeggen, dat een

tooneelspeler zich in de plaats moet weten te stellen van de persoon,

voor welke hij spelen zal, dan moet dit geschieden terwijl hij de rol

~bestudeert~; wanneer hij die werkelijk ~vervult~, moet hij

daar-en-tegen zich steeds herinneren dat het maar spel is; ging hij zich

dan werkelijk verbeelden de voorgestelde persoon te zijn, liet hij zich

wegslepen door de aandoeningen, die de _situatie_ medebracht, hij zou

groot gevaar loopen onverstaanbaar te worden, of in de war te raken. Een

tooneelvertooning is als een schilderij: beiden moeten treffen door de

voortreffelijke en bedriegelijke wijze waarop de natuur is ~nagevolgd~,

en even als men op een schilderij, waar een roos of een zijden kleed op

is voorgesteld, geen degelijke rozebladeren of geen wezentlijke zijde

zal gaan plakken zonder een zeer misselijke uitwerking te doen, even

zoo zou een akteur, die wezentlijk gevoelde wat hij moet schijnen te

gevoelen, de geheele vertooning allicht bederven.--Verbeelde men zich,

dat hij, als 't in zijn rol te pas kwam, verontwaardigd te schijnen op

een ander personaadje, zich wezentlijk boos ging maken en aan den

anderen een wezentlijk pak slaag gaf, of de minnares, op welke hij zich

voorstellen moet verliefd te zijn, in plaats van een tooneelzoen, een

wezentlijken liefdekus gaf!--En dit is zoo waar, dat zelfs de

ondervinding geleerd heeft, hoe degene, die in zijn persoonlijk

uiterlijk een toevallige overeenkomst heeft met het uiterlijk van

dengene, dien hij voorstelt, minder voldoen zal, dan degene, die zich

door kunst dat uiterlijk weet te verschaffen. Men verhaalt van een

tooneelspeler te Londen, die, na dertig jaren de gunst van het publiek

genoten te hebben, door een val kreupel werd. "Nu," dacht hij, "zou hij

juist beter dan iemand de rol van Richard II van Shakespeare vervullen,

die door den schrijver kreupel is voorgesteld." En toch, toen hij aan

den regel kwam: "de honden blaffen mij na, als zij mij zien hinken,"

ontstond er zulk een algemeen gelach dat hij buiten staat was zijn rol

verder voort te spelen.[5]--Even zoo hebben werkelijk dikke akteurs

nooit met goed gevolg voor sir John Falstaff gespeeld: en altijd slaagt

hij er beter in, die er met een gemaakten buik in optreedt.

[5] _Année Littéraire._

Zoo iemand zich immer wist te doordringen van den geest der rol, die zij

vervulde, dan was het Wattier-Ziesenis, de volmaaktste tooneelspeelster,

die wij ooit aanschouwden; eens bewees zij dit op eene meesterlijke

wijze bij gelegenheid dat zij in de vertaling van het stuk van Bouilly,

"l'Abbé de l'Epée," de rol van den doofstommen jongeling vervulde. Er is

in dat stuk een tooneel, waarin, terwijl de overige personaadjen een

levendig gesprek voeren, de doofstomme in een hoek zit te lezen.

Plotseling valt er, terwijl dat tooneel gespeeld wordt, achter de

schermen een gewicht of ander zwaar voorwerp met een grooten slag naar

beneden. Al de akteurs kijken verschrikt om; Wattier alleen vergeet

niet, dat zij voor 't oogenblik doofstom is, en niet alleen wendt zij 't

hoofd niet, maar geen spier op haar gelaat, geen beweging van een enkel

lichaamslid geeft te kennen dat zij den slag gehoord heeft.

Eens dat een beroemd akteur aan de _Comédie française_ wat zacht sprak

in zijn rol, riep iemand uit het publiek hem toe: "wat luider." De

akteur, zich werkelijk voorstellende de Vorst te zijn, waarvoor hij

speelde, gaf onbeschroomd tot antwoord: "en gij, wat stiller."--Hieruit

ontstond groote opschudding; de politie bemoeide er zich mede, en de

tooneelspeler kreeg last, het publiek om verschoning te vragen. Op den

voorgrond van het tooneel gekomen,--wij zouden nu zeggen, bij 't

voetlicht, maar dat was er toen nog niet,--begon hij aldus zijn

aanspraak: "Nog nooit, mijne Heeren, heb ik meer de overtuiging gekregen

van het lage van mijn beroep, dan door den stap, dien ik heden doe." Dit

begin, hoezeer beleedigend voor het publiek, had niettemin een gunstige

uitwerking, en de toeschouwers, misschien minder lettende op hetgeen hij

zeide, dan op de vernedering, die hij onderging, gaven door luidruchtig

handgeklap te kennen, dat zij tevreden waren en dat hij niet verder

behoefde voort te gaan.

Een ander tooneelspeler redde zich evenzeer door zijn vrijmoedige taal

uit een onaangename stelling. De eerste operazanger was ziek geworden en

een zanger van den derden rang was geroepen om hem te vervangen. Hij

zong, en werd uitgefloten; maar zonder zich onthutst te toonen, zag hij

het publiek met strakke blikken aan, kruiste de armen en zeide: "ik

begrijp ulieden niet; verbeeldt gij u misschien dat, voor driehonderd

gulden 's jaars, ik u een stem van duizend rijksdaalders bezorgen

kan?"--Het publiek lachte, vergaf den zanger, om het logische zijner

redeneering, zijn gebrek aan talent, en juichte hem de rest van den

avond toe.

De beroemde Duclos, te Parijs de rol van Camille in den "Horace" van

Corneille spelende, geraakte, op het oogenblik dat zij, na tegen Rome te

zijn uitgevaren, het tooneel verlaten zou, in haar mantel verward en

viel. De akteur, die voor Horatius speelde, beleefder dan zijn rol wel

medebracht, nam zijn hoed af met de eene hand, hielp haar op met de

andere en geleidde haar met vele plichtplegingen tot achter de schermen,

waar hij, zijn hoed weder opzettende en zijn degen trekkende, haar met

groote woede den doodsteek scheen te geven. "Baron," zegt de abt Nadal,

die deze anekdote vertelt, "zou de fout niet begaan hebben, die

Beaubourg beging; hij zou, als een groot tooneelspeler die hij was, van

hetgeen gebeurde partij getrokken, en haar in den val zelven gedood

hebben."

Een beroemde tooneelspeelster redde zich op behendiger wijze uit een

onvoorzienen tegenspoed. Voor Fedra spelende, in het treurspel van

Racine, voelde zij in het tooneel, waarin zij haar liefde aan

Hippolytus verklaart, dat zij haar stem kwijt raakte; zij trok er partij

van om de zwakke toonen te doen hooren van een vrouw, die, door haar

gevoel overmand, alle kracht en stem verloren heeft. Het publiek zag

hetgeen het gevolg van een tijdelijk ongemak was aan voor een

opzettelijke stembuiging, door een verheven kunstgevoel voortgebracht,

en nimmer maakte dat schoone tooneel een zoo diepen indruk op hen die 't

hoorden.

Twee voorbeelden van noodlottige gevolgen, ondervonden door mannen, die

zich te veel vereenzelvigden met de personen, die zij op het tooneel

voorstelden, wil ik hier verhalen. 't Eene vond ik aangehaald door

Gueret in zijn "_Parnasse reformé_", en betreft Montfleuri, die op het

Fransche tooneel Baron voorafging en in 1667 stierf ten gevolge van de

geweldige inspanning, waarmede hij in Racine's "Andromaque," de rol van

Orestes had vervuld. Het andere las ik in het _Journal politique et

littéraire_, een tijdschrift, dat in de vorige eeuw verscheen. Een

Engelschman, Bond geheeten, was zoo bijzonder ingenomen met Voltaire's

"Zaïre," dat hij een der beste dichters van Londen aanspoorde, dat stuk

in 't Engelsch te vertalen. Zijn doel was, de vertaling op het theater

van Drurylane te doen opvoeren, en gedurende twee jaren stelde hij al

zijn pogingen en die zijner vrienden in 't werk om het Bestuur van

gezegden schouwburg daartoe te doen overgaan; doch zonder gevolg;

immers, hoewel de vertooning in die twee jaren wel twintig maal werd

aangekondigd, had zij nimmer plaats. Eindelijk wanhopende het stuk immer

op een gewonen schouwburg te zien spelen, nam Bond het besluit, dit zelf

te doen, met de hulp van eenige andere tooneelliefhebbers, en wel in de

zaal der Yorck-Buildings, toen een lokaal bestemd tot het geven van

concerten, doch dat men ook voor één avond huren kon, mits een som

betalende, waarvoor men een huis voor een geheel jaar kon krijgen. De

rollen werden verdeeld en de geheele stad kreeg bericht van het gevormde

plan. Bond, die reeds een goede zestig jaren achter den rug had, koos

voor zich de rol van Lusignan, als 't meest voor zijn leeftijd en

krachten berekend; hij spaarde moeite noch kosten om de voorstelling zoo

luisterrijk mogelijk te maken, al de voordeelen willende overlaten aan

den vertaler van het stuk. De groote dag kwam, en nimmer had men in die

zaal zulk een schitterend gezelschap bijeen gezien. De eerste bedrijven

werden onder herhaalde toejuichingen gespeeld. Men wachtte Lusignan: hij

verschijnt, en alle toeschouwers gevoelen zich aangedaan op 't zien van

den eerwaardigen grijsaard. Maar meer dan allen te zamen was hij zelf

ontroerd; zoo geheel geeft zich de oude man over aan de kracht zijner

verbeelding, zoo hevig grijpen hem zijn gewaarwordingen aan, dat hij, te

zwak om haar geweld te weêrstaan, bewusteloos nedervalt in zijn stoel,

op het oogenblik dat hij zijn dochter herkent. Eerst dacht men dat zijn

flauwte slechts geveinsd was, en bewonderde men de wijze, waarop de

kunst de natuur wist terug te geven. Maar men begon eindelijk te vinden,

dat het lang genoeg duurde en zoo waarschuwden hem Chatillon, Nerestan

en Zaïre, dat het tijd was, voort te gaan. Hij opent even de oogen,

sluit ze weêr en valt terug in zijn leuningstoel zonder een woord te

spreken: hij strekt nog eens de armen uit--en die beweging was zijn

laatste levensstuip.

Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen · 第 5 / 8 段