verbood bij zijn begrafenis de anders gebruikelijke plechtigheden in
acht te nemen,--een beschikking, waarover hij door sommigen geprezen
werd, die er een bewijs van zedige eenvoudigheid in zagen, door sommigen
gelaakt, die haar aan ongepaste karigheid toeschreven. Mijns bedunkens
handelt hij het verstandigst, die zich niet bekommert over zijn
ter-aarde-bestelling en die aan zijne erfgenamen overlaat. Te recht zegt
Cicero, daarvan gewagende: "dat men die zaak, waar 't ons zelve aangaat,
niet moet tellen, maar niet verwaarloozen, waar 't onze naastbestaanden
betreft"[2]. En evenzoo oordeelt Augustinus, waar hij zegt, dat de zorg
voor de begrafenis, de hoedanigheid van het grafteeken en de luister der
lijkplechtigheden zaken zijn, die meer de vertroosting der levenden
betreffen dan de behoeften der dooden[3].
[2] _Totus hic locus est contemnendus in nobis, non negligendus in
nostris._ _Cap._ 1, 1. 45.
[3] _Curatio funeris, conditio sepulturae, pompa exsequiarum, magis
sunt vivorum solatio, quam subsidia mortuorum._ _De Civit. Dei_ 1,
12.
* * * * *
~Schrijvers.~--Men heeft den schrijvers wel eens een te groote
ingenomenheid met hun letterkundige voortbrengselen verweten, en zeker
zijn zij, die zelve bij anderen den lof van hun papieren kinderen
uitbazuinen, of, nog erger, er anderen op onthalen, even zeer te
veroordeelen en te schuwen als zij, die in gezelschap hun kinderen van
vleesch en bloed als kleine wondertjes voorstellen en ze hun kunsten
laten vertoonen. Maar van eenen anderen kant kan men het aan een
schrijver niet ten kwade duiden, dat hij aan de voortbrengselen van zijn
geest eenigermate gehecht is. 't Zijn toch ook zijn kinderen, en nog wel
de zoodanige, die uit zijn brein, als Minerva uit dat van Jupiter, en
zonder iemands tusschenkomst, zijn voortgesproten. Of die gelukkig of
minder gelukkig zijn uitgevallen, of de affektie, die hij hun toedraagt,
beredeneerd is of niet, doet minder ter zake. Zelfs is meer dan eens
opgemerkt, dat ouders doorgaans een voorliefde hebben voor dezen of
genen onder hunne kinderen, die 't minst naar lichaam of geest
ontwikkeld zijn: en op gelijke wijze ziet men niet zelden den auteur
zeker zwak koesteren juist voor 't werk, dat de kritiek 't minst goed
geslaagd oordeelt.
Van de gehechtheid des schrijvers aan zijn werk bestaan zelfs
aandoenlijke voorbeelden. Te Rome leefde in de eerste eeuw onzer
jaartelling zekere Labiënus, die niet alleen uitmuntte door aanzien en
karakter, maar ook verscheidene keurige werken had in 't licht gegeven.
Hij had zich benijders en vijanden verwekt, die hem voor den Rechter
riepen, en voorstelden als de jeugd door zijn geschriften te hebben
bedorven. Die voorstelling schijnt geheel lasterlijk en valsch te zijn
geweest. Wat daarvan zij is niet uit te maken, dewijl zij niet tot ons
gekomen zijn; genoeg, de Rechter hechtte er aan en gelastte, dat zij
verbrand zouden worden. En dit was, naar men beweert, het eerste
voorbeeld dat te Rome gegeven werd van een vonnis, tegen boekwerken
geveld. Labiënus nu trok zich het verlies zijner papieren kinderen zoo
zeer aan, dat hij zich levend liet wegdragen en opsluiten in het graf
zijner voorvaderen, en zich daar vrijwillig den dood gaf.
Hetzelfde deed Kumutius Kordus, die onder Tiberius leefde en wiens
boeken ten vure gedoemd waren, omdat zij den lof van Brutus en Kassius
behelsden. Hij hield hun gezelschap en getroostte zich den hongerdood.
Kassius Severus volgde dit voorbeeld niet, maar tergde zijn rechters,
toen hij, krachtens hun vonnis, zijn boeken verbranden zag, en riep hun
toe, dat zij hem mede hadden moeten veroordeelen om verbrand te worden;
want dat hij al wat in die boeken stond in zijn geheugen bewaarde.
Toen de dichter Lukanus, door Keizer Nero ter dood veroordeeld zijnde,
zich door zijn arts de aderen had doen openen, en door bloedverlies
verzwakt, begon te bemerken dat de dood, die reeds zijn uiterste
lichaamsdeelen had verstijfd, nu ook den zetel zijns levens naderde,
hief hij aan met het opzeggen van eenige regels uit zijn gedicht over
den slag bij Farsale, en stierf met die verzen in zijn mond. Het was als
een laatst vaarwel, zijn kinderen toegeroepen.
Gelijk met de schrijvers, is het met alle kunstenaars gesteld, wat door
de Oudheid zeer gelukkig is voorgesteld in de fabel van Pygmalion, die
op het beeld verliefde, dat het werk was zijner handen.
* * * * *
~Slaap.~--Het is over 't algemeen het bewijs, niet alleen van een gezond
gestel, maar ook van een sterken geest, onder alle omstandigheden des
levens goed te kunnen slapen. In de nacht, die den dag voorafging,
waarop Alexander de Groote den beslissenden slag aan Darius leveren zou,
sliep hij zoo gerust, dat zijn vertrouweling Parmenio verplicht was hem
te gaan wekken, en hem tot twee of drie malen bij zijn naam te roepen
eer hij hem wakker kreeg.
Cato, de jongere, besloten hebbende zich van kant te maken, wilde
daarmede wachten tot hij bericht zou hebben bekomen dat de Senatoren,
die hij had weggezonden, veilig buiten de haven van Utika waren gekomen,
en ging zoo lang te bedde liggen, waar hij in een zoo diepen slaap viel,
dat men hem in de naaste kamer hoorde snorken. Toen de bode, dien hij
naar de haven om tijding had afgezonden, was teruggekeerd en hem gewekt
had met het bericht, dat tegenwind alsnog het uitzeilen der schepen
belette, draaide hij zich weder op zijn bed om en sliep even gerust
weder in. Eerst toen hij door een tweeden bode onderricht was dat de
vaartuigen in zee waren, stond hij op en volvoerde zijn opzet.
Omtrent hetzelfde wordt verhaald van Keizer Otho, die, evenzeer
voornemens zijnde zich te dooden, 's avonds orde op zijn zaken stelde,
zijn geld onder zijn dienaars verdeelde, den degen, waar hij zich meê
wilde om hals brengen, scherpte, en zich toen gerust te slapen ging
leggen, even als Cato zijn voornemen niet volvoerende, dan na dat hij
bericht had dat al zijn vrienden in veiligheid waren.
Doch het was niet alleen in zijn uiterste, dat Cato zulk een kalmte van
geest toonde: ook een voorbeeld uit vroeger dagen is ons daarvan bewaard
gebleven. Ten tijde van de groote samenzwering van Katilina had de
Volkstribuun Metellus een voorstel gedaan om Pompejus met zijn troepen
binnen de stad te roepen. Cezar, het volk, allen waren op de hand van
Metellus en niemand wederstond hem dan Cato alleen, 't Was bekend, dat
op den dag, waarop de zaak zou beslist worden, een troep huurlingen en
zwaardvechters Metellus zouden vergezellen, zoodat al de bloedverwanten
en vrienden van Cato zeer bezorgd voor hem waren, en velen onder hen de
nacht wakende doorbrachten om te overleggen, hoe zij hem aan het gevaar
zouden onttrekken. Ook zijn vrouw en zijn zusters deden niets dan het
huis met jammerklachten vullen: hij daar en tegen sprak iedereen troost
in, at en dronk als naar gewoonte en ging toen naar bed, waar hij zoo
gerust sliep, dat een zijner vrienden hem den volgenden morgen moest
komen wekken om naar de plaats te gaan waar 't geding zou gevoerd
worden.
De Raadpensionaris Jan de Witt behoorde ook onder hen, die slapen kunnen
zoodra zij 't oorkussen ruiken. Hij placht te zeggen, dat iemand, die
vele en gewichtige zaken in 't hoofd heeft, die moet kunnen ter zijde
stellen zoodra hij zich te bedde bevindt: een raad, die uitmuntend is,
doch dien iedereen niet even bekwaam is te volgen. 't Is echter in 't
algemeen raadzaam, niet onmiddellijk van den arbeid naar bed te gaan;
want dan blijven allicht onze gedachten op hetzelfde punt werkzaam en
belet ons dit te slapen: men doet daarom altijd beter, niet later dan
tot een zeker uur te werken, en dan 't zij een spel, 't zij een weinig
vermoeiende lektuur bij de hand te nemen, of zich op andere wijze te
ontspannen, zoodat men met een verfrischt hoofd te bedde gaat: ik
althans heb mij bij 't aanwenden van soortgelijke middelen steeds wel
bevonden.
Men heeft opgemerkt, dat lieden, die wegens misdaden te recht stonden
waar de hals meê gemoeid was, doorgaans zeer slecht sliepen in de nacht
voor dat het vonnis zou gewezen worden, dewijl alsdan de onzekerheid
omtrent hun lot hen uit den slaap hield, maar daar en tegen zeer gerust
in de nacht voor dat het vonnis zou voltrokken worden en als zij de
overtuiging hadden, dat er toch aan hun zaak niets meer te doen was.
* * * * *
~Snapachtigheid.~--Men beschuldigt in 't algemeen de vrouwen van een
haar ingeboren zucht tot snappen, en de hekel- en blijspel-dichters, zie
o. a. Hooft in zijn Warenar, hebben dan ook nimmer nagelaten, die zucht
op allerlei wijze ten toon te stellen. Toch is het de vraag, of die
meerdere geneigdheid tot praten niet veeleer een gevolg is van de
bijzondere omstandigheden, waarin de vrouwen geplaatst zijn. Zij toch
hebben over 't geheel zoodanige bezigheden, waarbij de handen alleen 't
werk doen, terwijl hoofd en tong geheel vrij zijn. 't Zij ze aan 't
naaien of borduren, 't zij ze aan 't wasschen of schoonmaken zijn, de
verbeelding heeft vrij spel en, zij zouden zich vervelen, indien zij
niet nu en dan een praatje maakten. De mannen daar-en-tegen, zijn ze
ambtenaren, klerken, kantoorbedienden, advokaten, prokureurs, doktoren,
letterkundigen, enz. enz., hebben hun hoofd noodig bij hun werk en
wennen zich dan voorzeker 't noodeloos praten niet aan. Zijn ze
ambachtslieden, landbouwers, poldergasten, hun arbeid zelf, die zware
krachtsinspanning vordert, maakt hun doorgaans 't babbelen onmogelijk;
zij zouden onder 't werk niet verstaan worden, en zijn na 't werk te moe
en te slaperig om te praten. Toch vindt men ook onder de mannen niet
weinig snappers,--maar 't is doorgaans juist onder de zoodanigen, die
een beroep uitoefenen, waarbij hoofd noch lichaamsspieren zich
bijzonder vermoeien, onder kappers, barbiers, bedienden in koffiehuizen
en modewinkels, livreiknechts en dergelijken, dat men babbelaars vindt,
en wel dikwijls de zoodanigen, die 't aan de vrouwen niets toegeven. 't
Is dus mijns bedunkens gewaagd uitsluitend aan de natuur der vrouwen een
hebbelijkheid toe te schrijven, die zich uit andere oorzaken verklaren
laat.
Doch toegegeven eens, dat de vrouw uitteraard meer dan de man tot
snappen geneigd is, dan mag men dit nog als een geluk beschouwen.
Immers, het is aan de vrouw, dat de eerste opleiding van 't kind, als
baker, als min, als kindermeid, als moeder, is toevertrouwd. Het
denkvermogen van het kind kan niet ontwikkeld worden, tenzij men het van
zijn geboorte af, reeds wenne, klanken te hooren, er naar te luisteren,
er de beteekenis van te verstaan, er op te antwoorden, in één woord, te
hooren praten. Nu ligt het wel in de reden, dat men begint met aan het
kind enkele woorden voor te zeggen, en vervolgens volzinnen, maar die op
zich zelve weinig beduiden, en dat ook zelfs als men verder komt, men
nog altijd over zeer dagelijksche en onbelangrijke dingen tegen hem
praat;--dat daartoe nu de vrouw in staat gesteld is, daarvoor mogen wij
den Hemel danken, en offert zij soms een groot gedeelte van haar leven
op om beuzelingen aan een kind te vertellen, laten wij het haar dan niet
ten kwade duiden, zoo zij nu en dan beuzelingen in haar gesprek met
menschen van haar leeftijd te pas brengt.
En toch, zoo als ik zeide, kunnen de mans niet nalaten, gedurig aan de
vrouwen haar snapzucht te verwijten. Zelfs geestelijken hebben zich
veroorloofd dit van den kansel te doen. Zoo wordt er van een verhaald,
dat hij, op Paaschdag voor geestelijke zusters predikende, de reden van
het feit, dat de Heer na zijn opstanding zich 't eerst aan vrouwen
vertoond had, daarin verklaarde gelegen te zijn, dat op die wijze de
tijding het spoedigst verspreid zou worden.
Een andere geestelijke, die in een dorpskerk preekte, waar mannen en
vrouwen afzonderlijk gezeten waren, werd midden in zijn rede gestoord
door gebabbel onder zijn toehoorders. Dit hindert hem en hij beklaagt er
zich over. Een vrouw staat op, en zegt: "'t Is niet aan onzen kant,
Eerwaarde!"--"Des te beter, vrouwtje!" is zijn antwoord: "zooveel te
eerder zal 't gedaan zijn."
Weêr een ander, over het gesprek met de Samaritaansche vrouw zullende
preêken, zei tot zijn toehoorders: "Verwondert u niet, indien mijn tekst
zoo lang is: 't is hier een vrouw, die aan 't woord is."
* * * * *
~Staatzuchtigen.~--Wie door eer- en staatszucht wordt voortgedreven,
kent zelden andere houding dan geknield te liggen of op de toonen te
staan, en zoekt zich doorgaans, als hij de nukken of de ongenade
verduren moet van wie boven hem zijn, zich daarover te wreken door hen,
die van hem afhangen, uit de hoogte te behandelen. Dit althans was het
gevoelen van een Sinees, die door Europa reisde. Eens zich in de
voorzaal bevindende van een machtigen Monarch, zag hij daar een man met
een gunstig voorkomen, in een prachtig gewaad, met vele eereteekens
behangen, die alleen en afgezonderd stond en met wien zich niemand
scheen te willen bemoeien. "Wie is die verlatene?" vroeg de Sinees aan
zijn geleider. "'t Is," antwoordde deze, "een onzer voornaamste Heeren;
hij heeft roemrijke krijgstochten gemaakt en is Goeverneur van een
onzer aanzienlijkste Gewesten; doch voor 't oogenblik is hij in
ongenade."--"En waarom draait men hem den rug toe?" vroeg wederom de
Sinees: "indien men ten Hove geen medelijden heeft met hem, moest men
het ten minste hebben met zijn arme onderhoorigen."
De Kardinaal Dubois, die Minister was onder den Regent, bood een abdij
aan een Bisschop, wien hij op zijn hand wenschte te hebben. De Bisschop
sloeg de gift af, zeggende, dat hij, volgens de Kanonieke wetten, niet
meer dan één geestelijk goed bezitten mocht. Die onbaatzuchtigheid
verbaasde Dubois, die zelf alles behalve nauwgezet was. "Indien gij,"
zeide hij, "niet over sommige punten wat vrij geschreven hadt, zou ik u
heilig verklaren."--"Gave God," antwoordde de Bisschop, "dat uwe
Eminentie er de macht toe bezat, en ik er u aanleiding toe gegeven had;
wij zouden beiden reden tot voldoening hebben."--Dat was een fijne
manier om hem zijn staatszucht te verwijten.
* * * * *
~Tooneelspelers.~--Het is noodig, dat een tooneelspeler, behalve een
goed uiterlijk, ook bekwaamheid genoeg hebbe om de rol, die hij te
vervullen heeft, behoorlijk te begrijpen; dat hij zich in den toestand
kunne verplaatsen van de persoon, die hij zal voorstellen, en diens
gevoelens en gewaarwordingen als 't ware tot de zijne maken. Met slechts
weinigen intusschen is dit het geval. Men had aan een beroemde
tooneelspeelster de taak opgedragen, aan eene, die nog debuteeren
moest, de rol te leeren spelen eener princes, die een hevige hartstocht
gevoelde voor een ontrouwen minnaar; doch, na les op les, begon de
onderwijzeres hoe langer hoe meer te bemerken, dat zij niet vorderde.
Eindelijk ongeduldig geworden zijnde, zeide zij tot haar leerling: "Is
hetgeen ik u vroeg dan zoo moeilijk? Stel u in de plaats der verlaten
minnares. Indien gij in haar geval waart en verraden door hem, dien gij
liefhadt, zoudt gij dan niet, als zij, van diepe smart doordrongen zijn?
Zoudt gij niet...."--"Ik?" antwoordde de debutante: "ik zou mijn best
doen, gaauw een anderen vrijer te krijgen."--"Is dit het geval?" hernam
de onderwijzeres; "dan verliezen wij beiden onzen kostbaren tijd: ik zal
u nooit kunnen leeren uw rol te spelen gelijk 't behoort."--[4]
[4] REMOND DE S^{TE} ALBINE. _Le comédien._ Paris 1751.
Intusschen, men versta ons wel: wanneer wij zeggen, dat een
tooneelspeler zich in de plaats moet weten te stellen van de persoon,
voor welke hij spelen zal, dan moet dit geschieden terwijl hij de rol
~bestudeert~; wanneer hij die werkelijk ~vervult~, moet hij
daar-en-tegen zich steeds herinneren dat het maar spel is; ging hij zich
dan werkelijk verbeelden de voorgestelde persoon te zijn, liet hij zich
wegslepen door de aandoeningen, die de _situatie_ medebracht, hij zou
groot gevaar loopen onverstaanbaar te worden, of in de war te raken. Een
tooneelvertooning is als een schilderij: beiden moeten treffen door de
voortreffelijke en bedriegelijke wijze waarop de natuur is ~nagevolgd~,
en even als men op een schilderij, waar een roos of een zijden kleed op
is voorgesteld, geen degelijke rozebladeren of geen wezentlijke zijde
zal gaan plakken zonder een zeer misselijke uitwerking te doen, even
zoo zou een akteur, die wezentlijk gevoelde wat hij moet schijnen te
gevoelen, de geheele vertooning allicht bederven.--Verbeelde men zich,
dat hij, als 't in zijn rol te pas kwam, verontwaardigd te schijnen op
een ander personaadje, zich wezentlijk boos ging maken en aan den
anderen een wezentlijk pak slaag gaf, of de minnares, op welke hij zich
voorstellen moet verliefd te zijn, in plaats van een tooneelzoen, een
wezentlijken liefdekus gaf!--En dit is zoo waar, dat zelfs de
ondervinding geleerd heeft, hoe degene, die in zijn persoonlijk
uiterlijk een toevallige overeenkomst heeft met het uiterlijk van
dengene, dien hij voorstelt, minder voldoen zal, dan degene, die zich
door kunst dat uiterlijk weet te verschaffen. Men verhaalt van een
tooneelspeler te Londen, die, na dertig jaren de gunst van het publiek
genoten te hebben, door een val kreupel werd. "Nu," dacht hij, "zou hij
juist beter dan iemand de rol van Richard II van Shakespeare vervullen,
die door den schrijver kreupel is voorgesteld." En toch, toen hij aan
den regel kwam: "de honden blaffen mij na, als zij mij zien hinken,"
ontstond er zulk een algemeen gelach dat hij buiten staat was zijn rol
verder voort te spelen.[5]--Even zoo hebben werkelijk dikke akteurs
nooit met goed gevolg voor sir John Falstaff gespeeld: en altijd slaagt
hij er beter in, die er met een gemaakten buik in optreedt.
[5] _Année Littéraire._
Zoo iemand zich immer wist te doordringen van den geest der rol, die zij
vervulde, dan was het Wattier-Ziesenis, de volmaaktste tooneelspeelster,
die wij ooit aanschouwden; eens bewees zij dit op eene meesterlijke
wijze bij gelegenheid dat zij in de vertaling van het stuk van Bouilly,
"l'Abbé de l'Epée," de rol van den doofstommen jongeling vervulde. Er is
in dat stuk een tooneel, waarin, terwijl de overige personaadjen een
levendig gesprek voeren, de doofstomme in een hoek zit te lezen.
Plotseling valt er, terwijl dat tooneel gespeeld wordt, achter de
schermen een gewicht of ander zwaar voorwerp met een grooten slag naar
beneden. Al de akteurs kijken verschrikt om; Wattier alleen vergeet
niet, dat zij voor 't oogenblik doofstom is, en niet alleen wendt zij 't
hoofd niet, maar geen spier op haar gelaat, geen beweging van een enkel
lichaamslid geeft te kennen dat zij den slag gehoord heeft.
Eens dat een beroemd akteur aan de _Comédie française_ wat zacht sprak
in zijn rol, riep iemand uit het publiek hem toe: "wat luider." De
akteur, zich werkelijk voorstellende de Vorst te zijn, waarvoor hij
speelde, gaf onbeschroomd tot antwoord: "en gij, wat stiller."--Hieruit
ontstond groote opschudding; de politie bemoeide er zich mede, en de
tooneelspeler kreeg last, het publiek om verschoning te vragen. Op den
voorgrond van het tooneel gekomen,--wij zouden nu zeggen, bij 't
voetlicht, maar dat was er toen nog niet,--begon hij aldus zijn
aanspraak: "Nog nooit, mijne Heeren, heb ik meer de overtuiging gekregen
van het lage van mijn beroep, dan door den stap, dien ik heden doe." Dit
begin, hoezeer beleedigend voor het publiek, had niettemin een gunstige
uitwerking, en de toeschouwers, misschien minder lettende op hetgeen hij
zeide, dan op de vernedering, die hij onderging, gaven door luidruchtig
handgeklap te kennen, dat zij tevreden waren en dat hij niet verder
behoefde voort te gaan.
Een ander tooneelspeler redde zich evenzeer door zijn vrijmoedige taal
uit een onaangename stelling. De eerste operazanger was ziek geworden en
een zanger van den derden rang was geroepen om hem te vervangen. Hij
zong, en werd uitgefloten; maar zonder zich onthutst te toonen, zag hij
het publiek met strakke blikken aan, kruiste de armen en zeide: "ik
begrijp ulieden niet; verbeeldt gij u misschien dat, voor driehonderd
gulden 's jaars, ik u een stem van duizend rijksdaalders bezorgen
kan?"--Het publiek lachte, vergaf den zanger, om het logische zijner
redeneering, zijn gebrek aan talent, en juichte hem de rest van den
avond toe.
De beroemde Duclos, te Parijs de rol van Camille in den "Horace" van
Corneille spelende, geraakte, op het oogenblik dat zij, na tegen Rome te
zijn uitgevaren, het tooneel verlaten zou, in haar mantel verward en
viel. De akteur, die voor Horatius speelde, beleefder dan zijn rol wel
medebracht, nam zijn hoed af met de eene hand, hielp haar op met de
andere en geleidde haar met vele plichtplegingen tot achter de schermen,
waar hij, zijn hoed weder opzettende en zijn degen trekkende, haar met
groote woede den doodsteek scheen te geven. "Baron," zegt de abt Nadal,
die deze anekdote vertelt, "zou de fout niet begaan hebben, die
Beaubourg beging; hij zou, als een groot tooneelspeler die hij was, van
hetgeen gebeurde partij getrokken, en haar in den val zelven gedood
hebben."
Een beroemde tooneelspeelster redde zich op behendiger wijze uit een
onvoorzienen tegenspoed. Voor Fedra spelende, in het treurspel van
Racine, voelde zij in het tooneel, waarin zij haar liefde aan
Hippolytus verklaart, dat zij haar stem kwijt raakte; zij trok er partij
van om de zwakke toonen te doen hooren van een vrouw, die, door haar
gevoel overmand, alle kracht en stem verloren heeft. Het publiek zag
hetgeen het gevolg van een tijdelijk ongemak was aan voor een
opzettelijke stembuiging, door een verheven kunstgevoel voortgebracht,
en nimmer maakte dat schoone tooneel een zoo diepen indruk op hen die 't
hoorden.
Twee voorbeelden van noodlottige gevolgen, ondervonden door mannen, die
zich te veel vereenzelvigden met de personen, die zij op het tooneel
voorstelden, wil ik hier verhalen. 't Eene vond ik aangehaald door
Gueret in zijn "_Parnasse reformé_", en betreft Montfleuri, die op het
Fransche tooneel Baron voorafging en in 1667 stierf ten gevolge van de
geweldige inspanning, waarmede hij in Racine's "Andromaque," de rol van
Orestes had vervuld. Het andere las ik in het _Journal politique et
littéraire_, een tijdschrift, dat in de vorige eeuw verscheen. Een
Engelschman, Bond geheeten, was zoo bijzonder ingenomen met Voltaire's
"Zaïre," dat hij een der beste dichters van Londen aanspoorde, dat stuk
in 't Engelsch te vertalen. Zijn doel was, de vertaling op het theater
van Drurylane te doen opvoeren, en gedurende twee jaren stelde hij al
zijn pogingen en die zijner vrienden in 't werk om het Bestuur van
gezegden schouwburg daartoe te doen overgaan; doch zonder gevolg;
immers, hoewel de vertooning in die twee jaren wel twintig maal werd
aangekondigd, had zij nimmer plaats. Eindelijk wanhopende het stuk immer
op een gewonen schouwburg te zien spelen, nam Bond het besluit, dit zelf
te doen, met de hulp van eenige andere tooneelliefhebbers, en wel in de
zaal der Yorck-Buildings, toen een lokaal bestemd tot het geven van
concerten, doch dat men ook voor één avond huren kon, mits een som
betalende, waarvoor men een huis voor een geheel jaar kon krijgen. De
rollen werden verdeeld en de geheele stad kreeg bericht van het gevormde
plan. Bond, die reeds een goede zestig jaren achter den rug had, koos
voor zich de rol van Lusignan, als 't meest voor zijn leeftijd en
krachten berekend; hij spaarde moeite noch kosten om de voorstelling zoo
luisterrijk mogelijk te maken, al de voordeelen willende overlaten aan
den vertaler van het stuk. De groote dag kwam, en nimmer had men in die
zaal zulk een schitterend gezelschap bijeen gezien. De eerste bedrijven
werden onder herhaalde toejuichingen gespeeld. Men wachtte Lusignan: hij
verschijnt, en alle toeschouwers gevoelen zich aangedaan op 't zien van
den eerwaardigen grijsaard. Maar meer dan allen te zamen was hij zelf
ontroerd; zoo geheel geeft zich de oude man over aan de kracht zijner
verbeelding, zoo hevig grijpen hem zijn gewaarwordingen aan, dat hij, te
zwak om haar geweld te weêrstaan, bewusteloos nedervalt in zijn stoel,
op het oogenblik dat hij zijn dochter herkent. Eerst dacht men dat zijn
flauwte slechts geveinsd was, en bewonderde men de wijze, waarop de
kunst de natuur wist terug te geven. Maar men begon eindelijk te vinden,
dat het lang genoeg duurde en zoo waarschuwden hem Chatillon, Nerestan
en Zaïre, dat het tijd was, voort te gaan. Hij opent even de oogen,
sluit ze weêr en valt terug in zijn leuningstoel zonder een woord te
spreken: hij strekt nog eens de armen uit--en die beweging was zijn
laatste levensstuip.