zijnen voordeel kan keeren. Josefus, met zijn makkers in een spelonk
verborgen, bleef alleen nog hoop voeden, toen al de anderen wanhoopten
en elkander om 't leven brachten. Hij volgde dat voorbeeld niet, en zag
zich beloond doordat het lot hem voortaan gunstiger werd. Kassius en
Brutus daarentegen deden de laatste overblijfselen der Romeinsche
vrijheid te gronde gaan, door de overhaasting, waarmede zij, na een
verloren veldslag, zich ontijdig van 't leven beroofden. Montaigne
vertelt dat de hertog van Enghien, ter gelegenheid van den slag bij
Sérifolles, (in 1544), tot twee malen zich het staal op de borst zette,
als wanhopende aan de uitkomst van den strijd, die hachelijk stond aan
de zijde waar hij streed, en zich door te groote overhaasting bijna had
verstoken van het genot der overwinning.
Er bestaat een onuitgegeven vertoog van Bilderdijk, over den zelfmoord,
waarin hij beweert, dat het eigenlijk dwaas is over het al of niet
geoorloofde daarvan te twisten, want dat niemand er ooit toe gekomen is,
dan door een macht, waar hij vergeefs weêrstand aan zocht te bieden.
Antigonus, een zijner soldaten opgemerkt hebbende, die zich door
buitengewone kloekmoedigheid onderscheidde, gelastte zijn geneesheeren
hem te genezen van een langdurige en pijnlijke kwaal, waaraan hij
lijdende was. Later, toen de genezing volbracht was, bespeurende, dat de
man zich vrij wat minder wakker kweet dan te voren, liet hij hem komen,
en vroeg, wie hem dus van een dapperen kerel in een bloodaard veranderd
had. "Gij zelf, o Koning," was het antwoord; "want gij hebt mij van een
kwaal verlost, die mij het leven zonder waarde deed zijn."
* * * * *
~Verliefdheid.~--Iemand, die recht verliefd is, is doorgaans tot alle
handelingen in staat, die hem de gunst van 't beminde voorwerp kunnen
doen verwerven, en laat zich door zijn hartstocht even goed tot het
volbrengen van de wakkerste daden als van de grootste buitensporigheden
vervoeren. Brantôme vertelt, hoe de schoone Agnes Sorel, 't niet
kunnende verduren, dat Karel VII een lui en vroolijk leven leidde zonder
zich over zijn land te bekommeren, naar hem toeging en hem zeide, dat
een sterreziener haar in haar prilste jeugd voorspeld had, dat zij
bemind zou worden door den dappersten en kloeksten Vorst van 't
Kristendom; toen haar 's Konings liefde ten deel viel, had zij gemeend,
dat hij de bedoelde persoon was, doch nu zag zij in, hoe zij zich
bedrogen had, en dat die dappere Vorst niet Karel VII was, maar de
Koning van Engeland, die hem zoo vele steden afnam,--en dat zij daarom
den laatste zou gaan opzoeken. Deze verwijtende taal trof Karel VII
zoozeer, dat hij, zijn vermaken vaarwel zeggende, zich geheel aan den
oorlog wijdde en zoo wel zijn minnares als zijn koninkrijk behield.
Een andere vertelling, door denzelfden schrijver bewaard, toont nog
sterker het vermogen aan, dat in zijn tijd de vrouwen op haar minnaars
hadden. Een meisje had er een, die een groote babbelaar was, en lei hem
een volstrekt stilzwijgen op, dat hij gedurende twee jaren zoo trouw
bewaarde, dat ieder hem beschouwde als zijn spraakvermogen door ziekte
verloren te hebben. Eens in een vol gezelschap, beroemde zijn minnares
zich er op, dat zij hem met één woord genezen zou, 't welk zij deed,
door eenvoudig tot hem te zeggen: "Spreek."
De liefde wordt met recht blind afgebeeld: immers waar zij eenmaal in
iemands hart wortel heeft geschoten, doet zij hem of haar zoo wel de
lichamelijke als de zielsgebreken van 't beminde voorwerp over 't hoofd
zien. Men sprak tot een Koning van Persiën over de liefde van Leïla en
Meynoum. De Koning liet dezen laatste tot zich komen, en vroeg hem of
hij inderdaad zijn liefste zoo zeer beminde als men beweerde. "Men moet
haar zien," antwoordde Meynoum, "om te beseffen, hoe lief ik haar
heb."--De Koning ontbood haar en zag een mager en leelijk vrouwtje:
"Hoe!" riep hij uit, "is dat nu het voorwerp eener zoo teedere min? De
minste slavin uit mijn harem is schooner dan zij."--"Oordeel dan, hoe
lief ik haar heb," zei Meynoum: "dewijl zij even schoon is in mijne
oogen als leelijk in de uwe."
Een vrouw werd door haar minnaar in de armen van zijn medevrijer
verrast, en dorst niettemin het feit te loochenen. "Hoe nu!" zeide hij:
"gij durft de onbeschaamdheid zoo verre drijven?"--"Ha, trouwelooze!"
riep zij, zeker ook wel bewust, hoe de liefde blind maakt: "ik zie het
wel, gij bemint mij niet meer; want gij gelooft uw oogen meer dan mij."
Een meisje, dat drie maanden van haar minnaar gescheiden was geweest,
ontmoette hem onverwachts op de wandeling. Niet minder verheugd dan zij,
gaf hij zich aan de teederste verwelkoming over, toen er plotselings een
regenbui opkwam. Dit hinderde den jonkman, die zich tegen de druppels
zocht te beveiligen. "Hoe nu!" riep het meisje verontwaardigd uit, "gij
zijt drie maanden afwezig geweest, gij bemint mij, gij ziet mij, en gij
bemerkt dat het regent!"
Antiochus, zoon van Seleukus, Koning van Syriën, was doodelijk verliefd
van zijn stiefmoeder Stratonice en dorst aan niemand het geheim van zijn
hartstocht verklaren, dien hij niet in staat was te overwinnen. Hij
besloot eindelijk zich ziek te houden en zich bij gebrek aan voedsel te
laten sterven. De Geneesheer Erasistrates, tot hem gezonden, deed al
zijn best om de oorzaak uit te vorschen van een kwaal, die zoo
raadselachtig was, en bleef daarom geheele dagen in 's Prinsen
slaapsalet, al zijn bewegingen en blikken gade slaande. Ten leste merkte
hij, welken indruk de tegenwoordigheid van Stratonice op den zieke te
weeg bracht, hoe, als hij haar zag, zijn kleur verschoot, zijn stem
heesch en zijn pols ongelijk werd, hoe een mat floers zijn oogen
overdekte, zijn leden aan 't beven sloegen en het koude zweet hem
uitbrak. Dit was een lichtstraal voor den Arts, die, nu begrijpende, wat
het eenig geneesmiddel kon zijn, dat hier baat zou brengen, zich ten
taak stelde, den jongeling te redden, door hem aan dat middel te helpen.
Hij begaf zich naar den Koning, en zeide: "Ik heb ontdekt waar uw zoon
aan lijdt: hem kwelt een hevige liefde, maar die, helaas! onmogelijk
voldoening kan vinden."--"Hoe!" riep Seleukus, verbaasd: "en welke vrouw
is er dan, die niet gevleid zou zijn met de liefde van den Prins, of zoo
wreed om hem te versmaden?"--"Wat zal ik zeggen?" hernam de Geneesheer:
"een vrouw moet in allen gevalle vrij zijn: en dat is hier het geval
niet; want, om de waarheid te zeggen, de Prins is verliefd op mijne
vrouw."--"Op uwe vrouw!" herhaalde de Koning: "en zoudt gij, die zoo aan
mijn huis gehecht zijt, dan weigeren hem die af te staan."--"Hoor!" zei
Erasistrates: "stel u in mijn geval: indien 't op Stratonice was, dat
hij zijn zinnen gezet had, zoudt gij dan genegen zijn, afstand van haar
te doen om zijn minzieke gril te voldoen."--"Gave het de Hemel!" riep
Seleukus, "niet alleen Stratonice, mijn halve Koninkrijk zou ik geven,
om zulk een dierbaren zoon te redden."--"Dan is de zaak in orde,"
hervatte Erasistrates, "en het behoud van uw zoon hangt alleen van u af.
Hij is verliefd op Stratonice, hij kwijnt, hij blaakt, hij sterft voor
haar:--en het geneesmiddel is in uw macht."--Seleukus aarzelde niet, en,
zijn Rijksgrooten samengeroepen hebbende, gaf hij hun zijn voornemen te
kennen om Antiochus tot Koning van het Aziatische Bovenrijk te maken en
hem Stratonice tot vrouw te geven.
Rousseau, te Venetiën zijnde, legde een bezoek bij den Goeverneur van
een jongen Engelschman af. 't Was winter en zij zaten bij 't vuur te
praten. Juist kwam de post aan en de Goeverneur kreeg zijn brieven van
huis, waarvan hij er een aan zijn kweekeling hardop voorlas. Rousseau,
die geen Engelsch kende, verstond er niets van, maar zag met niet weinig
verbazing, hoe de jongeling een paar fraaie kanten lubben, die hij
droeg, heimelijk een voor een verscheurde en op 't vuur smeet. Toen de
brieven gelezen waren, wees Rousseau den Goeverneur de ontbloote polsen
van zijn kweekeling, en vroeg hem, wat zulks beteekende. De Goeverneur,
ziende wat geschied was, begon te lachen, knikte zijn kweekeling
goedkeurend toe, en gaf, na diens toestemming verkregen te hebben, de
navolgende verklaring van 't voorgevallene. "De lubben," zeide hij, "die
Lord John verscheurd heeft, zijn een geschenk, hem onlangs door een
Signora hier uit de stad gedaan. Nu is Lord John verloofd aan een
Juffrouw bij ons te lande, die zijn liefde dubbel waardig is. Deze brief
is van de moeder van zijn aanstaande en bevat de mededeeling, die
aanleiding gegeven heeft tot hetgeen gij gezien hebt; zij luidt
vertaald als volgt: "Lucy is nog altijd even hard bezig aan de
manchetten voor Lord John. Gisteren namiddag was Betsy Holsam bij haar
te bezoek en wilde met alle geweld haar helpen aan haar werk. Van morgen
was Lucy veel vroeger dan gewoonlijk opgestaan, en toen ik wilde weten
waarom, ontdekte ik dat het alleen was om weêr alles los te tornen wat
Miss Betsy geborduurd had. Zij wilde niet, dat zich aan haar geschenk
een enkele steek zou bevinden, die van een andere hand was dan de
hare.""
Iemand zeide aan Zeno, dat het een wijsgeer niet betaamde, verliefd te
wezen. "Indien dit zoo ware," antwoordde Zeno, "dan zou ik de vrouwen
beklagen, zij zouden zich dan met de liefde der domöoren moeten te vrede
stellen."
* * * * *
~Verschil van opvatting.~--Dionysius had aan Plato een kleed gezonden
naar den Perzischen smaak, lang, met bloemen geborduurd en van fijne
geuren doortrokken. Plato weigerde het, zeggende, dat hij, een man
geboren zijnde, zich niet als in een vrouwejapon wilde steken.
Aristippus daar-en-tegen nam het geschenk aan, zeggende, dat een vast
gemoed in elk gewaad hetzelfde blijft.
Toen Dionysius dien zelfden Aristippus in 't aangezicht gespogen had en
zijn vrienden hem verweten, dat hij zich zulks niet aantrok, antwoordde
hij: "De visschers laten zich wel van 't hoofd tot de voeten door 't
zeeschuim bespatten om een ellendig bliekje te vangen."
Diogenes was bezig kool schoon te maken, en zeide tot Aristippus, die
voorbijging: "Indien gij u met kool wist tevreden te stellen, zoudt gij
geen dwingeland het hof behoeven te maken."--"En gij," antwoordde
Aristippus, "zoudt geen kool behoeven schoon te maken, indien gij met uw
medemenschen wist om te gaan."
* * * * *
~Vleierij.~--De Thraciërs, eenige weldaden willende vergelden, hun door
Agezilaus bewezen, kwamen hem vertellen dat zij hem heilig verklaard
hadden. "Waarlijk!" zeide hij, "heeft uwe Natie het vermogen, van wien
zij wil, een God te maken? Eilieve! maakt dan een God van een uwer, en
als ik zie dat 't hem goed bekomen is, zal ik u dank weten voor uw
beleefdheid."
* * * * *
~Vriendschap.~--Eudamidas van Korinthe lag op sterven, en, wetende dat
hij aan zijn moeder en aan zijn dochter niets naliet, maar tevens de
harten zijner vrienden naar het zijne beoordeelende, maakte hij dit
testament: "Ik vermaak aan Arethus het voorrecht om voor de voeding en
het onderhoud mijner oude moeder te zorgen, en aan Charixenes dat om
mijn dochter uit te huwelijken en haar een zoo ruimen bruidschat
mogelijk mede te geven, en, mocht een van beiden komen te sterven, dan
stel ik den anderen tot zijn plaatsvervanger voor dit gedeelte mijner
erfmaking aan."--De beide vrienden toonden zich het in hen gestelde
vertrouwen ten volle waardig. Arethus nam de moeder van Eudamidas tot
zich en behandelde haar als of het de zijne was, en Charixenes huwde des
overledenen dochter op denzelfden dag als de zijne uit, aan elk een
gelijk deel van zijn vermogen medegevende.
Een Magistraatspersoon te Parijs, van wien het jammer is dat Sedaïs in
zijn _Discours sur les qualités qui constituent la beauté de l'âme_ ons
den naam verzwegen heeft, verliest een vriend, die bij zijn dood niets
nalaat dan schulden en twee onverzorgde kinderen. De nagebleven vriend
verkoopt zijn huis, schaft zijn rijtuig af, gaat in de voorstad wonen,
en komt van daar alle dagen, te voet, zijn ambtsplichten aan 't
gerechtshof vervullen. Straks is de laster aan 't werk, men beschuldigt
hem van gierigheid, van slecht gedrag, enz. Na twee jaren keert de man
terug in de groote wereld: hij had een som van 20,000 pond gespaard, die
hij nu ten voordeele der kinderen van wijlen zijn vriend plaatst.
De ware vriendschap boezemt niet dan edele gevoelens in. Kallisthenes
van Olanthus, die Alexander den Groote had verzeld op zijn zegetochten,
was van hoog verraad beschuldigd en op last van dien Vorst in een
ijzeren kooi gesloten, die 't leger volgde. Lyzimachus, een van
Alexander's veldoversten en de getrouwe vriend van Kallisthenes, liet
niet na, hem te komen bezoeken. Herhaaldelijk smeekte hem de gevangene
dit na te laten, en zich des Konings toorn niet op den hals te halen.
"Ik heb," voegde hij er bij, "genoeg aan mijn eigen leed, laat mij niet
nog het verdriet hebben, van het uwe er bij te dragen."--"Ik zal," zei
Lyzimachus, "alle dagen bij u komen. Indien de Koning zag, dat brave
lieden u aan uw lot overlieten, hij zou geen berouw gevoelen over de
behandeling, die hij u heeft aangedaan, en geloof slaan aan uwe schuld;
hij moet het genoegen niet hebben, te zien, dat de vrees van in zijne
ongenade te vallen, mij een vriend heeft doen verlaten."
Op gelijke wijze antwoordde d'Aubigné aan Hendrik IV van Frankrijk, die
hem verweet, dat hij den Heer de la Trémouille, wien 't Hof ontzegd was,
bezoeken bleef: "Sire! de la Trémouille is ongelukkig genoeg, nu hij uw
gunst verloren heeft; en ik heb gemeend, hem niet te mogen verlaten op
het tijdstip dat hij mijn vriendschap 't meest behoeft."
Voiture, een der vernuften, die onder Lodewijk XIII in Frankrijk
bloeiden, had 200 pistolen met het spel verloren en kon ze niet betalen.
"Ik heb," schreef hij aan zijn vriend, den abt Costar, "onmiddellijk
behoefte aan 200 pistolen; hebt gij ze, zoo zend ze mij, hebt gij ze
niet, leen ze dan; 't ga hoe 't ga, gij moet ze mij bezorgen, en gij
moogt niet gedoogen, dat een ander u deze schoone gelegenheid om mij te
verplichten ontroove; het zou mij leed doen voor u, en, voor zoo verre
ik u ken, zoudt gij er u moeielijk in kunnen troosten; verkoop dus
liever wat gij hebt eer u zulk een ongeluk treffe. Gij ziet, welk een
heerschzuchtig vriend ik ben: ik schep er vermaak in dus met u te
handelen, en ik zou er nog een grooter gevoelen, indien gij 't met mij
deedt; maar gij zijt een bloodaard.--Ik zal aan den man, die mij 't geld
brengt, mijne schuldbekentenis meêgeven. Vaarwel."--Costar antwoordde:
"Het doet mij een onbeschrijfelijk genoegen, u den kleinen dienst te
bewijzen, dien gij van mij vordert; ik had nooit gedacht dat men zulk
een genoegen kon hebben voor 200 pistolen. Nu ik dat ondervind, beloof
ik u altijd eene kleine kas ter uwer beschikking te zullen hebben, wend
u dus tot mij zoo dikwerf gij 't noodig acht; gij zult geen grooter
vermaak hebben in 't bevelen dan ik in 't gehoorzamen. Niet te min, hoe
onderworpen ook aan uwen wil, zal ik in opstand komen zoo dikwijls gij
mij zoudt willen dwingen een schuldbekentenis van u aan te nemen."
"Een vriend, die mij mijn feilen toont,
Gestreng bestraft en nooit verschoont,
Heeft op mijn hart een groot vermogen--"
zei Van Alphen, en datzelfde gevoelde ook reeds in zijn tijd Filippus
van Macedoniën. Bij gelegenheid van een verkoop van gevangenen, in een
min voegelijke houding gezeten zijnde, werd hij daarvan door een hunner
gewaarschuwd: "Stelt dien man in vrijheid," zeide hij, "ik wist niet dat
hij een vriend van mij was."
De volgende edele vriendschapstrekken worden verhaald van den Engelschen
geneesheer Mead, die in 1754 overleed. Zijn vriend Friend, die lijfarts
was der Koningin, had in 1722, als Lid van 't Parlement, zich heftig
tegen het Ministerie verklaard. De Minister, hierover gebelgd, had hem
van hoog verraad beticht en in den toren van Londen doen sluiten. Een
half jaar later werd de Minister ziek en liet Mead halen, die, na zich
omtrent den aard der ziekte te hebben vergewist, tot den zieke zeide,
dat hij voor diens genezing instond, maar dat hij hem zelfs geen glas
water zou voorschrijven, zoolang Friend in den kerker zat. De Minister
aarzelde eerst hieraan te voldoen, doch na eenige dagen erger wordende,
zorgde hij voor de in-vrijheid-stelling des gevangenen. Niet vroeger
echter wilde Mead zijn taak bij den Minister aanvaarden, dan toen Friend
aan de zijnen was teruggegeven en de aanklacht ingetrokken, waarna hij
aan zijn vriend omstreeks 5000 guinjes bracht, die hij verdiend had met
het verplegen der patienten van den anderen, gedurende diens
gevangenschap.
* * * * *
~Weelde.~--Zeleukus, de Wetgever der Lokriërs, dacht een geestig middel
uit om zijn stadgenooten te genezen van de buitensporige weelde, waartoe
zij vervallen waren. Hij vaardigde namelijk een bevelschrift uit, dat
geen vrouw van vrije geboorte, als zij uitging, meer dan eene
dienstmaagd mocht achter zich voeren, ten zij in geval zij dronken was:
noch ook gouden vercierselen op haar lijf of een geborduurden tabbaard
dragen, wat alleen aan vrouwen van slechten naam vergund werd: voorts
dat geen man, behalve boeven en ruffianen, gouden ringen aan den vinger,
noch gewaden van fijne Milezische stof mocht dragen.--Dewijl nu noch
vrouw, noch man gerekend wenschte te worden tot de uitzonderingen te
behooren, miste de verbodsbepaling haar uitwerking niet.
* * * * *
~Woordhouden.~--Sommigen beweeren, dat de dood ons ontslaat van alle
verplichtingen; die leer is intusschen somtijds op zonderlinge wijze
toegepast. Hendrik VII, Koning van Engeland, was met Koning Filips den
Schoone overeengekomen, dat deze den Hertog van Suffolk, die tegen hem
krijg gevoerd had en naar de Nederlanden geweken was, in zijne handen
zou stellen, nemende hij, Hendrik VII, aan, dat hij gezegden Hertog het
leven en de vrijheid laten zou;--doch bij zijn uitersten wil gelastte
hij zijn zoon hem terstond na zijn dood te doen ombrengen.
Evenzeer een letterknecht, doch in edeler zin, toonde zich de Graaf van
Egmond, toen hij, te gelijk gevangen en gevonnisd zijnde met den Graaf
van Hoorne, die door hem, onder verzekering dat hem niets kwaads zou
overkomen, naar Brussel was gelokt, met grooten aandrang verzocht, het
eerst onthoofd te worden, opdat zijn dood hem de belofte kwijtschold,
door hem aan Hoorne gedaan.--'t Komt mij intusschen voor, dat de dood
den Koning van Engeland niet van zijn gegeven woord ontsloeg en dat
Egmond daarvan ook buiten den dood ontslagen was. Niemand kan instaan
dan voor hetgeen afhangt van zijn wil en van zijn macht; en welke
verplichting Egmond ook jegens Hoorne had aangegaan, hij was daarvan
ontslagen zoodra een sterker macht dan de zijne hem in de onmogelijkheid
bracht die na te komen. Hendrik VII daar-en-tegen is er niet meer om te
verschonen, dat hij 't verbreken van zijn woord uitstelde tot zijn dood;
of liever, hij verbrak het, nog levend zijnde, toen hij, bij zijn
testament, den moord van Suffolk gelastte.
* * * * *
~Zelfbedrog.~--Even als sommige ouders het meeste zwak hebben voor
diegenen onder hunne kinderen, die ziekelijk, mismaakt of stompzinnig
zijn, en men schrijvers ziet, die bij voorkeur roem dragen op hun minst
gelukkig geslaagde werken, schijnen in 't algemeen de lieden
eigenschappen, waar zij in uitmunten, gering te schatten om zich te
verheffen op andere, waarin zij slechts breekebeenen zijn--vermoedelijk
meenende op die wijze een nieuwe aanspraak op roem te verwerven bij die,
welke zij reeds verworven hebben. Zoo gewaagt Plutarchus van Periander,
die een treffelijk geneesheer was, doch zulks weinig scheen te tellen,
en daar-en-tegen stofte op zijn verzen, die erbarmelijk slecht waren;
't zelfde deed Dionysius de Oude, die als Veldheer groote verdiensten
had, doch zich meer liet voorstaan op zijn dichterlijke gaven, die niets
beteekenden. Cezar geeft zich in zijne Gedenkschriften ontzaglijk veel
moeite om zijn bekwaamheid als krijgsbouwkundige op den voorgrond te
stellen, breedvoerig uitweidende over de verschansingen, die hij
opgeworpen, over de bruggen, die hij gebouwd heeft, terwijl hij
daar-en-tegen zeer kort is waar hij van zijn wapenfeiten gewaagt. Zeker
oordeelde hij, dat zijn naam als uitnemend Veldheer genoegzaam was
gevestigd, en het er nu op aankwam, den lezer ook zijn verdiensten als
ingenieur te doen opmerken. De Prins van Kaunitz, die onder Keizerin
Maria Therezia en haar beide opvolgers als eerste Staatsdienaar zich een
grooten roem verwierf en de "koetsier van Europa" werd bijgenaamd,
pochte in het laatst van zijn leven op zijn voortreffelijke rijkunst;
ofschoon hij niet dan met moeite op zijn paard geholpen kon worden en
niet verder reed dan zijn eigen manege rond; en ik herinner mij een
Rechtsgeleerde, die, een openbare boekerij bezoekende, vol werken over
zijn vak, daar geen acht op sloeg, maar op den toon van een deskundige
den verkeerden samenstel ging berispen van een wenteltrap, die er heen
geleidde en die toch het werk was van een beroemd Architect.
* * * * *
~Zelfverloochening.~--Er is misschien geen daad, die moeilijker valt,
dan den lof, dien men zelf behalen kon, op te offeren ten einde de eer
of goeden naam van anderen te bevorderen.--Zoo handelde Lelius, die zich
als luitenant van Scipio in diens veldtochten steeds met zooveel beleid
en wakkerheid gekweten had, dat, naar veler gevoelen, hem de voornaamste
eer toekwam van de behaalde overwinningen, doch die steeds allen lof
deswegen afwees, beweerende nooit anders geweest te zijn dan de
uitvoerder van Scipio's bevelen.
Toen Karel V in 1537 besloten had, Provence binnen te trekken, raadde
Antonio de Leyva, hoezeer van oordeel zijnde, dat die tocht zijn meester
tot groote eer verstrekken zou, hem dien ten sterkste af, en dat met
geene andere bedoeling, dan dat de Keizer, de onderneming tot een
gelukkig einde gebracht hebbende, er te grooter lof door zou inoogsten,
als men wist, dat hij die tegen het gevoelen zijner raadslieden begonnen
had.
Toen de Thracische Gezanten Achilonide, moeder van Brazidas, over den
dood van haar zoon kwamen troosten, en onder andere loftuitingen
beweerden, dat hij zijns gelijke niet had, wees zij die lofspraak af,
zeggende: "Zoekt mij zoo iets niet te doen gelooven, ik weet dat Sparta
vele burgers bezit, grooter en dapperder dan hij was."
Toen men Theopompus, Koning van Sparta, prees, dat alles zoo goed ging
onder zijn regeering en dat zulks alleen daar van daan kwam, dat hij
zich zoo goed wist te doen gehoorzamen, antwoordde hij: "Daar ligt het
niet aan, maar daaraan, dat het volk zoo goed weet te gehoorzamen."
INHOUD.
Bladz.
Afgezanten 7
Allegorie 14
Babbelen en zwijgen 15
Bijzaken 18
Diepte van gevoel 19
Dieren 21
Drift 23
Dronkenschap 25
Eenvoudigheid van zeden 26
Etikette 26
Gebrek aan onderzoek 28
Geleerdheid 29
Genade en wreedheid 29
Gevatheid 33
Gewoonte 34
Gierigheid 35
Geluk 36
Goed en kwaad gezelschap 37
Grillige loop van 's werelds zaken 39
Huwlijkstrouw 42
Kinderliefde 46
Kluchtige zetten in 't uiterste 47
Krijgswetten en gebruiken 48
Kwakzalvers 49
Lafhartigheid 51
's Lands wijs, 's Lands eer 54
Logen 56
Menschenoffers 58
Moed 60
Naauwgezetheid 61
Ouderliefde 61
Paard 63
Panische schrik 65
Raad inwinnen 69
Redenaars 72
Regeeren na den dood 74
Schrijvers 80
Slaap 82
Snapachtigheid 85
Staatzuchtigen 87
Tooneelspelers 88
Tucht 96
Vaderlandsliefde 96
Verachting van den dood 101
Verliefdheid 110
Verschil van opvatting 115
Vleierij 116
Vriendschap 116
Weelde 120
Woordhouden 120
Zelfbedrog 121
Zelfverloochening 122
Bij de Uitgevers dezes zijn vroeger verschenen:
=Mr. J. van Lennep= en =J. ter Gouw.= De Uithangteekens in
verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd. Twee
deelen in royaal octavo. Met ruim 300 afbeeldingen, en
fraaie titels in kleurendruk. _Ingenaaid_ [f] 10.80.
_Rijk gebonden_ " 12.20.
------------------------------------- Het Boek der
Opschriften. Een bijdrage tot de Geschiedenis van het
Nederlandsche Volksleven. Met ruim 50 afbeeldingen.
_Ingenaaid_ " 5.20.
_Rijk gebonden_ " 5.90.
=Mr. J. van Lennep=. Geschiedenis van Noord-Nederland.
Goedkoope uitgaaf in vier klein octavo deelen. _Ingenaaid_ " 7.50.
_Gebonden met platen_ " 10.--.