Wanneer oudtijds de Tartaren gezanten stuurden aan den Tsaar van

Moscoviën, die toen zoo machtig niet was als tegenwoordig, ging deze hen

te voet te gemoet, en bood hun een beker met paardemelk aan, en vielen

er dan, onder 't drinken, druppels op de manen hunner paarden, dan was

hij gehouden, die met de tong af te lekken.

* * * * *

~Panische schrik.~--Men noemt ~panischen schrik~ de plotselinge

ontsteltenis, die iemand overvalt, en geheel van 't spoor brengt,

dikwijls zonder dat er billijke grond voor vrees bestaat. Er zijn

voorbeelden, dat zoodanige schrik geheele volkeren heeft vermeesterd,

als o. a. te Karthago het geval was bij de nadering van Scipio: de

menschen holden schreiende en weeklagende hun woningen uit, ja stormden

op elkander in, elkander wondende en doodende, als hadden zij den vijand

voor zich, en de geheele stad was een tooneel van verwarring.

Toen de laatste der Ptolemeën Achilles en Septimus afzond om Pompejus,

die met het overschot zijner vloot herbergzaamheid bij hem zoeken kwam,

te dooden, had de ongelukkige vluchteling zeer wel door zijn vrienden en

volgers verdedigd kunnen worden; doch zoo zeer waren zij van schrik

bevangen, op 't zien der Egyptische schepen die hen naderden, dat zij

dachten aan eigen lijfsbehoud en niet deden dan de manschap aan te

sporen, zich met kracht van riemen te verwijderen, terwijl zij niet

recht tot bezinning kwamen dan toen zij te Tyrus waren aangeland.

In enkele gevallen heeft men gezien, dat juist overgroote schrik tot

overmoedigheid leidde. In den eersten veldslag, dien de Romeinen onder

Sempronius tegen Hannibal verloren, togen tienduizend der hunnen op de

vlucht; doch door de vijanden aan alle zijden omcingeld, wisten zij er

niet anders op, dan zich op den dichtsten drom te werpen en er zich door

heen te slaan, niet zonder een groote slachting onder de Karthagers te

hebben aangericht; aldus een schandelijke vlucht tot denzelfden prijs

koopende, als waarvoor zij een roemrijke overwinning hadden kunnen

behalen.

Gespt de vrees somtijds vleugels aan de hielen, op andere tijden verlamt

zij elke beweging bij hem, dien zij bevangen heeft, en wordt de mensch

het vogeltje gelijk, dat, bedwelmd door de blikken van de loerende

slang, het besef mist, om zich door de vlucht te redden. Keizer

Theofilus, een slag tegen de Agarenen verloren hebbende, was van schrik

zoozeer versteld en verstijfd, dat hij niet in staat was een stap te

doen om 't gevaar te ontkomen, totdat Manuel, een zijner Krijgsoversten,

hem aangreep en schudde, als men iemand doet, dien men uit den slaap

wil opwekken, er bijvoegende: "Zoo gij mij niet volgt, dan dood ik u,

want het is beter dat gij het leven verliest, dan dat gij gevangen

genomen wordt en het Rijk verspeelt."

Toen de Hertog van Bourbon storm liep op Rome, werd een vaandeldrager,

die aan de voorstad St. Pieter de wacht hield, zoo zeer van schrik

bevangen, dat hij, door een opening in den muur aan den loop ging, recht

op den vijand aan, terwijl hij zich verbeeldde binnen de stad te

vluchten. Niet eer bemerkte hij zijne vergissing dan toen het volk van

Bourbon, in den waan verkeerende dat er meer volk volgde en de bezetting

een uitval deed, zich aaneensloot om het te ontvangen; waarop hij,

rechts-om-keert makende, naar de stad terugvlood en hetzelfde gat weêr

binnenkroop waar hij was uitgekomen.

Aarnout, de onechte zoon van Karelman, betwistte in 888 het rijk aan

Guy, Hertog van Spoleto, die reeds Rome vermeesterd had. Na

onderscheidene veldslagen komt Aarnout voor die stad en maakt de noodige

toebereidselen om haar te berennen. Terwijl zijn arbeiders bezig zijn,

doen zij een haas op, die verschrikt door 't leger vliedt, zijn weg naar

de stad nemende. De soldaten vervolgen het dier al lachende en joelende.

Maar de belegerden, die niet den haas, maar wel de toesnellende soldaten

zien, verbeelden zich, dat er reeds storm geloopen wordt, en dewijl hun

verdedigingsmiddelen niet gereed zijn, verlaten zij in allerijl de

wallen. Aarnout wordt dit gewaar, grijpt de gelegenheid aan, gelast de

bestorming, neemt Rome en laat er zich tot Keizer kronen.

In 1598 werd het kasteel van Moyrane door de Franschen onder

Lesdiguières belegerd. Een bres gemaakt hebbende, klimmen de belegeraars

naar binnen, doch vinden een geduchten tegenweer. In 't heetste van 't

gevecht weet een Trompetter naar binnen te dringen en den toren te

beklimmen, van waar hij nu met kracht den aanval blaast. Zulk een

ontsteltenis brengt dit onder de belegerden te weeg, dat zij zonder

nadenken in de gracht springen of zich laten ombrengen, zoodat er van

hun driehonderden niet meer dan twee gespaard blijven.

Een dergelijk feit als dat van dien Trompetter werd door een Vlissinger

gepleegd, en leidde tot de vermeestering van den Bosch. Bij de berenning

dier stad door Frederik Hendrik was gemelde soldaat de stad

binnengedrongen, en terstond naar de Groote kerk geloopen, waar hij, den

toren beklommen hebbende, er een Prinsenvlag uitstak, die hij, om zijn

lijf geslagen, had medegebracht. Het zien dier vlag sloeg de belegerden

met zulk een schrik, dat zij, de stad reeds in 's vijands macht wanende,

allen verderen tegenweer opgaven.

De Engelschen, in 1647 het voornemen opgevat hebbende om de haven van

l'Orient te bederven en op die wijze de Fransche Oostindische

Maatschappij ten gronde te richten, zonden te dien einde een vloot af,

aan boord waarvan zich de Generaal Sinclair bevond met 7000 man

landingstroepen. Aan de kust van Bretagne geland, eischt Sinclair

l'Orient op, dat zich overgeeft zonder tegenweer. Den volgenden morgen

slaan de tamboers der militie van l'Orient, die geen tegenbevel bekomen

hadden, als naar gewoonte hun generalen marsch. Sinclair vraagt aan

iemand van 't land, wat dat getrommel na de gesloten kapitulatie

beteekent. De ander antwoordt, dat men hem een valstrik gespreid heeft

met die kapitulatie en dat eene afdeeling van 12000 man, in de nabijheid

gelegerd, slechts wacht, dat hij zijn troepen aan wal zal gezet hebben,

om die te omcingelen en gevangen te maken. Staande dit gesprek verandert

de wind, waar de Admiraal door middel van een sein Sinclair van

verwittigt. Deze laatste nu, vol vrees van overvallen te worden, scheept

zich weder in en kiest de ruimte. Maar nu komen zij, die de kapitulatie

gesloten hebben, buiten, om zich aan den Engelschen Generaal te

onderwerpen, en staan geheel verbaasd, niemand meer te vinden. De

bloôhartigheid en de dwaasheid, zegt de Schrijver, aan wien wij deze

vertelling ontleenen, stonden aan weêrskanten gelijk.

* * * * *

~Raad inwinnen.~--Dat men raad gaat vragen bij anderen, die men wijzer

of beter op de hoogte acht, is op zich zelf zeer verstandig, doch van de

honderd, die zulks doen, zijn er negen-en-negentig, die reeds vooraf hun

besluit genomen hebben, en eigenlijk alleen daarom bij een raadsman

gaan, omdat zij hopen en verwachten dat die zal instemmen met hun

zienswijze en zij zich, als de zaak tegenslaat, op hem zullen kunnen

beroepen. Een raad, die niet overeenstemt met het verlangen van den

vrager, wordt dan ook maar zeldzaam nagekomen, en is er in dien raad

iets twijfelachtigs gelegen, dan wordt de twijfel altijd op zoodanige

wijze uitgelegd als met dat verlangen overeenkomt. Een voorbeeld uit

duizenden levert de volgende vertelling. Een boerin, die haar man

verloren had, wilde met haar bouwknecht Jan hertrouwen en ging bij den

Pastoor om raad. "Ik ben nog jong genoeg om te trouwen," zeide zij.

"Trouw dan," antwoordde Heeroom. "Maar men zal misschien zeggen, dat

mijn aanstaande veel te jong voor mij is."--"Trouw dan niet."--"Ik heb

echter een hulp noodig en hij verstaat het boerewerk."--"Trouw

dan."--"Maar ik ben bang, dat hij mij verwaarlozen zal."--"Trouw dan

niet."--"Van een anderen kant, een arme weduwvrouw wordt door iedereen

misleid en bedrogen, als zij geen steun heeft."--"Trouw dan."--"Ik ben

bang, dat hij gekheid maakt met de meiden."--"Trouw dan niet."--Op die

manier ging het gesprek voort en de vrouw klaagde, dat zij even wijs

bleef als zij gekomen was, waarop de Pastoor, die geen trek had om in

een zoo teedere zaak een bepaald advies te geven, haar raadde, naar de

klokken te luisteren die juist zouden beginnen te luiden, en zich te

regelen naar den raad, dien deze haar geven zouden. De vrouw deed het en

meende duidelijk uit het klokgebrom te verstaan: "trouw uw bouwknecht

Jan."--Zoo deed zij; doch weldra had zij er bitter berouw van en ging

zich bij den Pastoor beklagen, dat die haar naar een zoo bedriegelijk

orakel, als die klokken waren, verwezen had. "Dan heb je niet goed

verstaan, wat zij zeiden," antwoordde de Geestelijke: "ga er nog eens

naar luisteren. Wel, wat zeggen zij?"--"Och, Heeroom!" riep zij, "zij

hebben groot gelijk. Had ik de vorige keer maar beter geluisterd. Zij

zeggen heel duidelijk: "trouw uw bouwknecht niet.""

Het raadgeven is altijd een hachelijke zaak, omdat de beste raad

dikwijls in onvoorziene omstandigheden een slechte uitkomst kan

opleveren; terwijl het omgekeerde evenzeer het geval kan wezen. De

Athener Focion had eens aan zijne stadgenooten een raad gegeven, die

niet gevolgd werd. Toch had de zaak, tegen zijn verwachting, een goeden

afloop. "Wel, Focion," vroeg hem iemand, "hoe denkt gij er nu

over?"--"Ik verheug mij, dat het zoo gegaan is," antwoordde Focion,

"doch ik heb geen berouw over hetgeen ik gezegd heb."

Vooral is het moeilijk, raad te geven aan hen, die boven ons geplaatst

zijn. In zoodanig geval, zeide de beroemde Engelsche Kanselier Bacon,

zal men altijd best doen de les, die men geeft, in te kleeden met de

woorden van dezen of genen schrijver der Oudheid, of een algemeen

gangbare spreuk te bezigen, waarvan men aan hem, die den raad behoeft,

de toepassing overlaat.

Toch vindt men er genoeg, die altijd bereid zijn ook ongevraagd raad te

geven. 't Is dan minder de vriendschap, dan de ijdelheid, die spreekt.

Een wijsgeer gaf eens aan een dier ijverige raadgevers tot antwoord:

"hoe wilt gij, dat ik mij beter van mijn gebreken, als gij u niet

beteren kunt van 't gebrek van anderen te willen verbeteren."

De dichter Scheichi was arm, en voorzag in zijne behoeften door den

verkoop van een oogwatertje. Maar hij zelf leed aan zijn oogen en dacht

er niet aan om het middel te gebruiken, dat hij aan anderen verkocht.

Eens dat er iemand een fleschje bij hem kocht tegen den prijs van een

asper, gaf die, in stede van één asper, hem er twee. Scheichi wilde hem

er een teruggeven; doch dien weigerde de kooper: "de eene," zeide hij,

"is voor het fleschje, dat ik voor mijn gebruik behoef: de andere, opdat

gij er een voor uzelven koopt en er uw eigen oogen meê wrijft, die 't

zeer noodig hebben."--Als met Scheichi gaat het met meer van die lieden,

die altijd bij de hand zijn om anderen met hun raad te dienen en zelven

zich zeer verkeerd gedragen.

* * * * *

~Redenaars.~--Het was bij de Romeinen niet ongewoon, dat de Advokaten

elkander grofheden zeiden. Zoo vroeg Filippus eens aan een anderen

rechtsgeleerde, die tegen hem pleitte, en Catulus ("hondje") genoemd

was, waarom hij zoo "blafte?" "Omdat ik een dief over mij zie," was het

antwoord.

Een middelmatig redenaar vroeg aan dien zelfden Catulus: "ben ik niet

gelukkig geweest in het opwekken van het gevoel van medelijden bij mijn

toehoorders?"--"Voorzeker", antwoordde de ander, "geen onder hen, die uw

rede niet deerniswaardig vond."

Verres, die beschuldigd was, zich verrijkt te hebben, door de Gewesten,

waarin hij het bewind gevoerd had, onmatige lasten op te leggen, had aan

den redenaar Hortensius, die hem verdedigen zou, een keurig bewerkten

ivoren Sfinx gezonden. Toen nu Cicero in zijn pleidooi tegen Verres

eenige duistere toespelingen gemaakt had op de handelwijze van

Hortensius, zeide deze, dat hij niet in staat was, raadsels op te

lossen. "Dat is vreemd," voegde hem Cicero onmiddellijk toe, "als men

den Sfinx in huis heeft."

Theofrastus verhaalt van een bejaarden redenaar, die zich blankette.

Archidamus, voor den Raad van Sparta tegen hem pleitende, zeide dat men

iemand niet gelooven moest, die den leugen op zijn voorhoofd droeg.

Eens zeide mij de Heer Thorbecke, sprekende van een onzer medeleden in

de Kamer, die het talent had lang en aangenaam te spreken, zonder echter

veel bijzonders voor te dragen: "de redevoeringen van dien man zijn

wolbalen: veel omvang, weinig gewicht."

Een Rechter, die, 't zij ten gevolge van beschroomdheid, 't zij om

andere redenen, nooit in staat was geweest, voor de vuist te spreken,

viel eens een Advokaat, die aan 't pleiten was, in de rede. "Gij doet

mij gevaar loopen, mijn Heer, den draad van mijn pleidooi te verliezen,"

zei de Advokaat, "en toch weet niemand beter dan gij, hoeveel moeite het

kost, in 't openbaar te spreken."

Beter begreep de Amsterdamsche Schepen zijn plicht tegenover den later

zoo beroemden Advokaat Angelus Cuperus. Deze zou voor 't eerst pleiten,

en wel in een assurantie-zaak; doch het ongewone maakte hem onthutst en

verlegen. "Het schip de Twee Gebroeders," begon hij: "....het schip de

Twee Gebroeders....het schip...."--"Mijn Heer!" zei de President-Schepen:

"dat schip zal van daag niet van stapel loopen; wij stellen de

behandeling der zaak veertien dagen uit."--Dit geschiedde, en veertien

dagen later hield Cuperus een meesterlijk pleidooi.

Een Advokaat pleitte eens zeer lang over een zaak, die naar 't oordeel

van de Rechtbank te eenvoudig was om er zooveel bij om te halen. Reeds

een paar keeren had de Voorzitter hem verzocht zich te bekorten, doch

telken reize had de Advokaat beweerd, dat al wat hij zeide onmisbaar tot

de zaak behoorde. De Voorzitter verloor eindelijk zijn geduld en zeide:

"De Rechtbank gelast u, konklusie te nemen."--"Wel!" zei de Advokaat,

"ik konkludeer dat de Rechtbank hoore wat ik nog te zeggen heb."

Dumont, die in de vorige eeuw te Parijs een der beroemdste advokaten

was, pleitte eens voor 't Parlement aldaar en voegde bij uitmuntende en

afdoende gronden er sommige, die zwak waren of veel van drogredenen

hadden. De Eerste Voorzitter, Dr. Harley, kon niet nalaten hem na de

zitting daarvan een verwijt te maken. "Wat wilt gij, mijn Heer de

Voorzitter," zei Dumont: "iedereen is niet vatbaar voor gezonde redenen!

Ik moest argumenten bezigen al naar de Rechters zijn: het eene dient om

den Heer A., het andere om den Heer B. te vangen: men moet elk naar de

mate van zijn verstand bedienen." Toen nu vonnis gewezen was en de

Advokaat zijn zaak gewonnen had, zeide de Voorzitter tegen hem: "Mr.

Dumont, uw pakjes zijn behoorlijk aan hun adres te recht gekomen."

Een beroemd Advokaat had zich belast met een zaak voor koorddansers en

dergelijk kermisvolk. De Voorzitter betuigde hem zijn verwondering, dat

hij voor dergelijke lieden pleiten zou. "Ik meende," antwoordde de

Advokaat, "dat zoodra het Hof 't niet beneden zich acht, die lieden in

hun belang te hooren, ik het niet beneden mij achten moest, voor hen te

pleiten."

Aan een ander Advokaat werd gevraagd, hoe 't kwam, dat hij zich met

schurfte zaken belastte. "Och!" zeide hij, "ik heb er zoo vele goede

verloren, dat ik niet meer weet welke ik nemen zal."

* * * * *

~Regeeren na den dood.~--Het is niet alleen voor erfgenamen en

boedelberedders een zeer lastige, maar ook in 't algemeen een zeer

verkeerde zucht, te willen regeeren na zijn dood. Dat iemand, met het

vooruitzicht van den dood, beschikkingen maakt betreffende zijn

nalatenschap, is loffelijk, alleen uit twee oogpunten: vooreerst voor

zoo verre hij daarbij zorgt, dat zijn zaken in behoorlijke orde zijn,

zoodat zij, die na hem komen, geen of weinig moeite hebben met het

beredderen van den boedel; en ten andere, voor zoo verre hij daarbij

bewezen diensten beloont, of welkome herinneringen vermaakt aan hen, die

hem dierbaar zijn. En dan nog is het dikwijls de vraag, of de sommen,

die eerst na zijn sterven aan anderen verstrekt worden, hun niet even

welkom, ja nog welkomer waren geweest, indien hij ze hun bij zijn leven

had geschonken. Maar waar ik vooral geen vrede meê kan hebben, is met

die legaten aan armen en aan liefdadige instellingen. De dagbladen in

hunne kolommen, en de Regenten van Arm- en Godshuizen in hun verslagen

en toasten, mogen den naam van zulk een erflater met hooge ingenomenheid

vermelden en 's mans liefdadigheid roemen, ik zal alleen dan met die

loftuitingen instemmen, wanneer de overledene geen kinderen of naaste

erfgenamen heeft gehad, en zijn inkomsten noodig had om naar zijn stand

te leven. Maar in elk ander geval is 't al heel gemakkelijk voor hem,

zich edelmoedig te betoonen, en zijn 't per slot zijn erfgenamen, en

niet hij, van wie de giften herkomstig zijn. Slechts hij, die bij zijn

leven geeft, en zoo, dat hij er zich eenige genoegens voor ontzegt, die

hij anders zou gesmaakt hebben, mag inderdaad aanspraak maken op den

eernaam van weldadig.

Dat weldadigheid uitoefenen ten koste van anderen, spruit bij velen

voort uit de meening, waarin zij verkeeren, dat zij daarmeê den hemel

zullen verdienen, alsof Onze Lieve Heer evenzoo handelde als aardsche

Vorsten somtijds doen, wanneer zij den Minister een kruis of lint

schenken voor den arbeid, die een ondergeschikte heeft verricht;--maar

ook bij sommigen uit ijdelheid, om na hun dood in 't rond geprezen te

worden. Uit kleingeestigheid daarentegen spruiten beschikkingen van een

anderen aard, namelijk zoodanige, waarbij allerlei beuzelachtige

bijzonderheden worden opgesomd, die bij de begrafenis in acht zijn te

nemen, of die 't bestier over huis, stal of andere zaken betreffen; en

uit gebrek aan doorzicht de zoodanige, b. v., waarbij gelden worden vast

gemaakt en bestemd tot doeleinden, die langzamerhand niet meer vervuld

kunnen worden. Zoo b. v. liet de geleerde Hoeufft te Breda, die een

groot minnaar en beoefenaar der Latijnsche dichtkunde was, een

belangrijke som na, die strekken moest om daaruit jaarlijks een gouden

eerepenning te verstrekken aan den vervaardiger van een Latijnsch

gedicht, dat door drie gelukkige beoefenaars der Latijnsche poëzie dien

prijs waardig gekeurd zou zijn. De erflater was niet indachtig geweest

op hetgeen al spoedig na zijn dood zou plaats hebben, n. l. dat het

vervaardigen van Latijnsche verzen in onbruik geraken zou, en vooral,

dat er wellicht geen drie personen in Nederland meer zouden te vinden

zijn, de vereischten bezittende, die hij in de beoordeelaars vorderde.

Intusschen, hoe men ook die liefhebberij, om nog na den dood over zijn

eigendom te blijven regeeren, moge afkeuren, geheel uitroeien zal men

haar niet, omdat zij den mensch als 't ware is ingeschapen. Niemand

schier, of hij verzet zich tegen de gedachte, dat hij van al het

aardsche scheiden moet; men wil zoo gaarne ook na zijn dood ten minsten

eenigen invloed behouden op wat men achterliet, en begeert dat daarmede

althans in onzen geest worde gehandeld. Hoe sterk dat gevoel bij velen

spreekt, wordt door talrijke voorbeelden uit de geschiedenis gestaafd.

Ik zou er bij menigte kunnen opnoemen; doch kies er bij voorkeur eenige

van doorluchtige personen, die ook na hun dood wilden voortleven, al was

't dan op vrij zonderlinge wijze.

Eduard I, Koning van Engeland, had langdurige oorlogen gevoerd tegen

Koning Robbert van Schotland. Hij had daarbij doorgaans opgemerkt, dat

zijn tegenwoordigheid niet weinig toebracht om zijn leger aan te

moedigen, en althans schreef hij daaraan de door hem behaalde

overwinningen toe. Met die overtuiging bezield, liet hij, stervende,

zijn zoon beloven, dat deze na zijn dood zijn lijk van 't vleesch zou

ontdoen en dit laten begraven, maar zijn gebeente met zich voeren zou,

zoo dikwijls men weêr tegen de Schotten te velde trok:--zijnde, volgens

zijn waan, de overwinning aan zijn beenderen gehecht.

Niet minder vreemd luidde de laatste wilsbeschikking van Johannes Ziska,

den aanvoerder der Hussiten. Deze gelastte, dat men hem na zijn dood zou

villen, en zijn vel op een trom spannen; hopende alzoo dat de vijand,

als daarop getrommeld werd, evenzeer de vlucht zou nemen als men het

herhaaldelijk voor hem, die in dat vel stak, had gedaan.

In hoeverre het geraamte van Koning Eduard en het vel van den Hussiet

inderdaad de uitwerking hebben gehad, die zij er zich van beloofden,

laat ik daar; doch schooner voor de eer eens afgestorvenen is het,

wanneer zijn overblijfselen ook zonder beschikking zijnerzijds eerbied

aan vriend en vijand inboezemen. Dit was het geval toen de dappere

Bertrand du Guesclin omkwam bij het beleg van 't kasteel Rancon in

Auvergne, en de belegerden, tot de overgave genoodzaakt, de sleutels van

't gebouw in niemands handen wilden stellen, maar nederlegden op de

lijkkist des overledenen.

Een dergelijken eerbied voor een afgestorvene betoonde de Venetiaan

Teodoro Trivultio. Bartolomeo d' Alviano, die de Venetiaansche troepen

had aangevoerd tegen Brescia, was in een veldslag gesneuveld en zijn

lijk werd naar Venetiën teruggevoerd. De weg leidde over 't Veronische,

toen een vijandig land, en de Legerhoofden waren meestendeels van

oordeel, dat men aan die van Verona een vrijgeleide vragen zou; doch een

hunner, Trivultio, verzette zich daartegen en dreef door, dat men het

gezegde grondgebied des noods met geweld moest doortrekken. "Het was,"

zeide hij "niet betamelijk, dat de man, die levend nooit een vijand

gevreesd had, na zijn dood blijk van schroomvalligheid zou

toonen."--Gewis herinnerde zich Trivultio bij die gelegenheid, hoe bij

de oude Grieken de regel gold, dat hij, die aan zijn weêrpartij verlof

verzocht om zijn lijken te begraven, afstand deed van de overwinning en

geen zegeteeken mocht oprichten; terwijl de partij, aan welke 't verzoek

gedaan werd, er roem uit trok. Krachtens dat krijgsgebruik verloor

Hicias het voordeel, dat hij buiten allen twijfel op die van Korinthen

had behaald; terwijl daar-en-tegen Agezilaus, door aan de Beotiërs hun

verzoek toe te staan, zich een voordeel op hen verzekerde, dat anders

aan grooten twijfel onderhevig ware geweest.

Om tot uiterste wilsbeschikkingen terug te komen, loffelijk is die van

den Ridder Bayard, die, toen hij in den strijd doodelijk gewond werd

door een busschot, en men hem buiten 't gevecht wilde voeren, eerst

zulks weigerde, zeggende, dat hij in zijn levensuiterste geen begin

wilde maken met den vijand den rug te keeren, wat hij nimmer gedaan had;

doch toen hij zijn krachten voelde bezwijken, en niet langer bij machte

was in den zadel te blijven, zijn Stalmeester verzocht hem aan den voet

van een boom te leggen, doch zoo, dat hij met het gezicht naar den

vijand gekeerd bleef; en in die houding stierf hij.

Men weet, hoe Vrouwe Maria van Borgondiën, van 't paard gevallen zijnde,

en haar dij gekwetst hebbende, overleed ten gevolge eener te ver

gedreven kieschheid, daar zij niet had willen toelaten, dat een

wondheeler haar ontbloote beenen zag;--haar echtgenoot, Aartshertog,

later Keizer, Maximiliaan, was nog preutscher dan zij, 't geen in die

eeuw en bij een man als zeer zonderling werd beschouwd. Zoo verre dreef

hij de kieschheid, dat hij bij uitersten wille beschreef, dat men hem

als hij dood was, niet zonder broek zou begraven. Hij vergat, in een

kodicil er bij te voegen, dat de dienaar, die hem de broek zou

aantrekken, eerst geblinddoekt worden moest.

Is deze beschikking zonderling, belachelijk is die van zekeren Franschen

Edelman, die, in hoogen ouderdom stervende en hevig lijdende aan den

steen, zijn laatste levensuren besteedde om niet slechts al de

bijzonderheden voor zijn begrafenis te regelen, maar ook al den Adel uit

de buurt, en vooral een Vorst van koninklijken bloede, die hem bezoeken

kwam, uit te noodigen, zijn uitvaart met hun gevolg bij te wonen, alle

mogelijke gronden bijbrengende, om te betoogen dat hem die eer toekwam,

en toen hij hun woord gekregen had, gerust den geest gaf.

Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen · 第 4 / 8 段