Een Kwakzalver is altijd vol vaderlandsliefde, zoo b. v. de man van wien

Addisson in zijn ~Spectator~ verhaalt. Deze stond te Hammersmith van

zijn tooneel tot het volk te redeneeren en zeide: "ik ben in dit dorp

geboren en opgevoed, en draag het groote liefde toe: waarom ik ook, uit

dankbaarheid voor de weldaden, die ik er genoten heb, een kroon wil

schenken aan elken dorpsgenoot, die mij de eer wil bewijzen die aan te

nemen." Terstond staken niet weinigen onder zijn toehoorders de hand uit

om het beloofde geldstuk te ontvangen, en zagen met niet weinig

gretigheid hoe de Dokter zijn arm reeds in een wijden zak stak. Maar in

plaats van blinkende munt, haalde hij er kleine papieren pakjes uit en

ging toen aldus voort: "deze poeders, Heeren! verkoop ik anders voor

vijf schellingen zes penningen; doch uit achting voor deze plaats, die

ik lief heb, geef ik ze hier vijf schellingen minder." Ieder haastte

zich aan dit edelmoedig aanbod gebruik te maken, en de poeders waren in

een oogenblik verkocht, terwijl de omstanders, de een voor den ander

borg stonden, dat er geen vreemdelingen onder hen, maar allen te

Hammersmith geboren of althans woonachtig waren.

Een kwakzalver, die te Syrakusen gekomen was, beroemde zich een middel

te kennen, waardoor Dionysius, die toen daar regeerde, de voorwetenschap

zou bekomen van alle lagen, die men hem ooit zou willen leggen, en dat

hij het den Vorst tegen een goede belooning zou mededeelen. Dionysius,

op wiens leven men het reeds meer dan eens had toegelegd, was

natuurlijk zeer verlangend, in 't vervolg tegen elken aanslag beveiligd

te zijn; hij liet den man komen en vroeg hem wat zijn geheim was. "Mijn

geheim," antwoordde de ander, "is dood eenvoudig. Geef mij een talent

zilvers en beroem er u voortaan overal op, dat gij nu 't geheim weet."

Dionysius lachte en, het middel goed vindende, liet hij den man de

zeshonderd kroonen uitbetalen.

* * * * *

~Lafhartigheid.~--Het was bij de meeste oude volkeren gebruikelijk, hen,

die in den krijg op de vlucht getogen waren, met den dood te straffen.

Het eerst werd die gewoonte in onbruik gesteld door Charondas van

Catana, die wetten schreef, waar zoo wel Grieksche als Latijnsche steden

zich naar regelden. Van oordeel zijnde, dat de schrik een gewaarwording

is, waaraan ook anders dappere lieden onderhevig kunnen zijn en die

iemand ook tegen zijn wil overvallen kan, schafte hij voor hen, die

gevlucht waren de doodstraf af, doch gelastte, dat zij drie dagen in

vrouwekleêren op eene openbare markt of plein zouden worden ten toon

gesteld, in de verwachting dat de schaamte, die zij op die wijze

ondervonden, hen voor altijd van den schrik genezen zou.

Hoe de vrees, wanneer zij eenmaal de lieden bevangen heeft, hen buiten

bezinning brengt, en hoe aanstekelijk die is, daarvan werd mij door een

ooggetuige een treffend voorbeeld medegedeeld. Mijn zwager Joan Hodshon,

die in 1830 en later Kolonel-Kommandant was der schutterij te Amsterdam,

was in 1812 met de zoogenaamde _gardes d'honneur_ naar Frankrijk

getrokken, en tot Luitenant bij de kavallerie bevorderd zijnde, had hij

in 1813 den slag bij Leipzig bijgewoond, die, als men weet, door

Napoleon verloren werd. Ieder weet welk een roem van onverschrokkenheid

en volharding zich de "Oude garde" van den Keizer had verworven, en toch

had in dien veldslag de schrik zich van een harer bataillons zoo zeer

meester gemaakt, dat het den vijand den rug toekeerde en op de vlucht

ging. Hodshon werd door zijn Overste gelast met een deel zijner ruiters

hen in 't vuur terug te brengen; doch hoe hij zijn paard ook aanzette,

het was hem, zoo als hij mij later meer dan eens betuigde, niet mogelijk

geweest, de vluchtelingen in te halen, wien de schrik vleugels aan de

voeten scheen te hebben gegeven.

Nog vertelde hij mij, hoe, bij diezelfde gelegenheid, vóór den slag de

dagorder gegeven was: "het is op doodstraffe verboden, een gekwetste bij

te staan." Dat verbod klinkt ons hard en onmenschelijk in de ooren; doch

Napoleon, die, mits de uitkomst van den slag in zijn voordeel was, er

zeer weinig om gaf of daar eenige arme drommels meer of minder aan

werden opgeofferd, wist zeer goed wat hij deed, en zijn maatregel, hoe

wreed ook, was niet onverstandig. Immers, wanneer een soldaat gekwetst

wordt, zijn er voor 't minst twee anderen noodig om hem naar achteren te

dragen en verliest het gelid alzoo drie man. Bovendien, er waren in 't

leger niet weinig jonge soldaten en rekruten, die doorgaans zeer genegen

zijn om een gewonde te "helpen"--of liever, om, onder schijn van hulp te

bieden, zich aan het gevaar te onttrekken, en op die wijze kon het

vallen van een man wel het terugtrekken van een half dozijn of meer ten

gevolge hebben.

Er is met dat al groot verschil tusschen de lafhartigheid, die

tijdelijk is en door onoverkomelijken schrik ontstaat, en die, welke aan

een gebrek van plichtsgevoel te wijten is: tusschen die, welke de

soldaat toont onder 't strijden en die, waaraan zich de bevelhebber

schuldig maakt, aan wien een post is toevertrouwd, of die in elk geval

een goed voorbeeld behoort te geven. Daarom zijn dan ook ten allen tijde

zij, die een post overgegeven of zich aan het gevecht onttrokken hebben,

voor een krijgsraad gebracht en, naar bevind van zaken, met meerdere of

mindere strengheid gestraft geworden. Men weet, hoe o. a. de Heer van

Hemert, die in 1586 Grave aan de Spanjaarden had overgegeven, op last

van Leicester, die toen Opperlandvoogd was, met den dood gestraft werd,

en hoe in 1673 hetzelfde vonnis ten uitvoer gelegd werd op den Overste

Mozes Pain et Vin, die de verschansing aan de Nieuwerbrug zonder bevel

ontruimd en daardoor aan de Franschen een veiligen terugtocht geopend

had. Ook herhaaldelijk werden onderscheidene zeekapiteins, die met hun

schepen den slag ontweken waren, meer of minder zwaar, enkelen met den

dood, gestraft, en onder de verzen van Vondel is er een, dat den titel

draagt van "Staatswekker" en waarbij hij den Staat aanspoort om toch

vooral strenge maatregelen te nemen tegen hen, die door hun

lafhartigheid 's lands vloot en 's lands eer in de waagschaal stellen.

Onder de regeering van Frans I had de Heer van Frangot, Fontarabiën,

waar hij het bevel over voerde, aan de Spanjaarden overgegeven. Voor dit

feit werd hij van den adelstand vervallen verklaard, en zoowel hij als

zijn nakomelingschap veroordeeld als voor altijd onedel en onbekwaam de

wapenen te voeren. Een dergelijke straf ondergingen later, onder

Hendrik III, al de edellieden, die zich binnen Guise bevonden, toen deze

plaats door den Graaf van Nassau (Willem I) genomen werd.

* * * * *

~'s Lands wijs, 's Lands eer.~--Wie 't overal wil hebben gelijk hij het

t'huis heeft, wie zijn voedsel, zijn ligging, zijn kleeding, zijn uren

van opstaan, eten, enz. niet kan regelen naar de gewoonte der plaats,

waar hij zich bevindt, doet beter, nooit van huis te gaan. Alcibiades,

dien ik anders niet als voorbeeld ter navolging stellen zal, wist zich

even goed te voegen naar de eenvoudige Spartaansche zeden en met smaak

het zwarte mengsel te eten, dat zij soep noemden, als hij, in Ioniën

zijnde, in weelde en voorspoed op zijn Persisch wist te leven. Trouwens

Alcibiades had een dier gelukkige naturen, die zich overal te huis

vinden en zich daardoor ook overal bemind maken.

Inzonderheid past die gave om zich naar de zeden van 't land te schikken

aan hen, die er voor hun eigen of huns meesters belangen zijn. Hoe

zullen zij zich vrienden maken, als zij gedurig toonen met alles

ontevreden en nimmer op hun gemak te zijn? Montaigne vroeg aan een

Edelman, dien hij als zeer matig en ingetogen kende en die in

Duitschland een belangrijke onderhandeling had gevoerd, hoe dikwijls

hij zich in 's Konings dienst een roes had gedronken. Deze antwoordde

"drie malen", en verhaalde meteen bij welke gelegenheden. "Ik ken er,"

voegt Montaigne, dit verhalende, er bij, "wie hun onbekwaamheid om

op die wijze meê te kunnen doen in groote ongelegenheid heeft

gebracht."--Gelukkig, dat men de Gezanten tegenwoordig niet meer op zulk

een proef stelt: het zou anders wel noodzakelijk zijn, bij de examina,

die afgenomen worden aan de aspirant-diplomaten, er een te voegen,

waarbij zij een proef moesten afleggen van de hoeveelheid drank, die zij

kunnen verzwelgen zonder van de bank te rollen.

Is men thans niet meer gehouden om, zoo men zich achting bij een volk

wil verwerven, ook aan zijn uitspattingen en verkeerde gewoonten deel te

nemen, toch zal men steeds wel doen, waar men zich bevindt, het

spreekwoord "'s Lands wijs, 's Lands eer" voor oogen te houden. Wie in

Holland tegen den middag zijn koffie met een broodje gebruikt, gebruike

in Engeland ale of porter met koud vleesch, en in Frankrijk zijn

carbonade met een glas wijn, en hij zal er zich wel bij bevinden. De

zendeling, die Sineezen of Hottentotten bekeeren wil, zal moeilijk

slagen, zoolang hij niet eerst zelf zoo veel mogelijk een Sinees of een

Hottentot wordt.

De Engelschman kan moeilijk, en minder dan iemand van eenige andere

natie, van zijn gewonen leefregel afstand doen, en moet er dan ook

dikwijls voor boeten. Ik herinner mij hoe, voor eenige jaren,

verscheidene Europeanen in Sina werden vermoord. Onder hen was ook de

korrespondent van het Engelsche dagblad _the Times_. Deze had, om Sina

en de Sineezen recht goed te bestudeeren, zich geheel als een Sinees

gekleed, sprak de taal van 't land vrij vloeiend, en had een geheel

Sineesche reisbagaadje meê. Hij werd echter als vreemdeling herkend en

opgehangen.--Mij verwonderde dit volstrekt niet, toen ik las, dat hij

onder zijn bagaadje een half dozijn flesschen ~soda-water~ had; want een

Engelschman schijnt het buiten ~soda-water~ niet te kunnen stellen, en

niemand dan een Engelschman zal er aan denken, ~soda-water~ op reis meê

te nemen. Het zal dus wel zijn ~soda-water~ geweest zijn, dat hem

verklapt heeft.

Maar behalve dat men, door 's Lands wijs te volgen, zich aangenaam maakt

bij de inboorlingen, is zulks ook steeds heilzaam voor de gezondheid. 't

Schijnt, dat de ervaring in ieder land dien leefregel heeft doen

aannemen, die er het meest toe geëigend is, en wie tegen dien leefregel

handelt, begaat altijd een waagstuk.

Men weet, welk een slechten naam de kust van Guinee heeft met betrekking

tot het klimaat, en hoe weinig Europeanen er gezond blijven. En nu

verdient het opmerking, dat gedurende den tijd, dat Napoleon in oorlog

was met Engeland en ons land bij Frankrijk ingelijfd, zoo dat men in de

gemelde kolonie niets uit Europa, veel min uit het moederland bekomen

kon, de Hollanders, die er waren, volkomen gezond bleven. Men schreef

dit daaraan toe, dat zij al dien tijd wel gedwongen waren geweest, zich

uitsluitend met de voortbrengselen van 't land te voeden en geheel op

zijn Guineesch te leven.

* * * * *

~Logen.--~

Al is de logen nog zoo snel,

De waarheid achterhaalt ze wel,--

zegt Cats: en zeer zelden ziet men, dat een logenaar, ook de gevatste,

niet vroeg of laat wordt ontmaskerd en beschaamd gemaakt. "De logenaar,"

zegt een Latijnsch spreekwoord, "behoort een goed geheugen te

hebben,"--en toch verspreekt hij zich nu en dan en vergeet wat hij

vroeger gezegd heeft. Ik wil daarvan een paar voorbeelden bijbrengen.

Koning Frans I had, na uit Italiën verdreven te zijn, te Milaan een

geheimen Agent, die er zich in schijn voor zijn eigen zaken ophield,

doch inderdaad om de gangen van den Hertog na te gaan. Gezegde Agent,

die Merveille heette en stalmeester was van den Koning, had geheime

geloofsbrieven en instruktiën mede, waaruit zijn hoedanigheid bleek van

gemachtigde, doch ook brieven van aanbeveling aan den Hertog, die zijn

bijzondere zaken betroffen. Intusschen kwam de zaak den Keizer ter

ooren, die, er niet weinig over verstoord zijnde, bij den Hertog er op

aandrong, dat de gemelde Agent van kant zou gemaakt worden. De Hertog,

zich niet tegen 's Keizers wil durvende verzetten, liet inderdaad

Merveille op schoonschijnende gronden in hechtenis nemen, hem zijn

proces opmaken en twee dagen later bij nacht onthoofden. Doch nu moest

ook Koning Frans tevreden gesteld worden en tot dat einde zond de Hertog

tot hem Francisco Taverna, die beroemd was als behendig en voorzichtig

spreker. Taverna, bij den Koning gekomen, gaf hem een fraai opgesmukt

verslag van de zaak, daarbij voorwendende, dat de Hertog zijn meester

nimmer anders had kunnen denken, dan dat de veroordeelde een Milanees en

een onderdaan was, en volstrekt niet had geweten, dat de man tot 's

Konings Huis behoorde en geloofsbrieven als Gezant bezat. Vruchteloos

poogde een tijd lang de Koning, die aan gezegde praatjes geen geloof

sloeg, Taverna door allerlei vragen en opmerkingen van zijn stuk te

brengen, de listige Gezant had altijd een schijnbaar voldoend antwoord

klaar. Eindelijk toch vroeg Frans I, waarom de straf bij nacht en als in

't geheim voltrokken was;--waarop Taverna, plotslings uit beleefdheid

jegens den Koning zijn rol vergetende, als reden daarvoor opgaf, dat

zulks geschied was omdat de Hertog, uit eerbied voor Zijn Majesteit,

niet had willen gedoogen dat de straf bij dag en in 't openbaar

voltrokken werd.--Men kan bedenken welk bescheid hij van den Koning

kreeg, en deze verhief er zich later meermalen op, dat hij zulk een

slimmen vos als dien Milanees zich zoo duidelijk had doen verspreken.

Nog erger bekwam een Gezant van Paus Julius II een logen, dien hij zich

veroorloofde. De man was namelijk afgevaardigd naar Hendrik VIII van

Engeland om dezen aan te sporen tot een oorlog met Frankrijk. Toen nu de

Koning in zijn antwoord op het gedane voorstel de groote bezwaren

opsomde, die er bestonden om zich ten strijde toe te rusten tegen een

zoo machtigen Vorst als Frans I, zeide de Gezant zeer ten ontijde, dat

hem die bezwaren ook vrij wichtig waren voorgekomen, en "dat hij ze

reeds aan den Paus onder 't oog had gebracht." Die taal, zoo geheel

afwijkende van het voorstel dat de Gezant belast was te doen, wekte 's

Konings wantrouwen op en het vermoeden, dat de ander in 't geheim naar

de zijde van Frankrijk helde; hij waarschuwde den Paus, die, hoogst

verstoord, de goederen van den Gezant verbeurd verklaarde en hem

naauwlijks genade van 't leven schonk.

* * * * *

~Menschenoffers.~--Het is van ouds een volksgeloof bij de meeste Natiën

geweest, dat men de Godheid met menschenoffers verzoende. Niet alleen

verhaalt ons de Grieksche geschiedenis van Thoas, den dwingeland van

Tauris, die de vreemdelingen slachtte op het outer van Diana, maar ook

Achilles offert bij Homerus een stoet jonge Trojanen aan de schim van

zijn vriend Patrokles, en gelijkelijk wijdt Eneas, bij Virgilius, een

aantal gevangenen aan die van Pallas. In latere dagen zien wij, hoe

Sultan Morad, na een glansrijke overwinning, 600 Grieksche jongelingen

ten zoenoffer deed strekken aan de schim zijns vaders. De gezanten van

den koning van Mexiko, bij Fernand Cortes van de macht huns meesters

ophalende, verhaalden niet alleen, hoe hij dertig vazallen had, waarvan

elk honderdduizend man te velde kon brengen, en dat hij zijn verblijf

hield in de schoonste en sterkste stad die zich in de wereld bevond,

maar voegden er bij, dat hij bij machte was, jaarlijks vijftigduizend

menschen op de altaren der Goden te slachten. Wel is waar zorgde hij

altijd met eenige naburige volkeren in oorlog te zijn, zoo om de jeugd

in den krijg te oefenen als om altijd voorraad te hebben van gevangenen,

tot offers bestemd. Elders werden tot welkomst aan Cortes in zeker dorp

vijftig menschen geslacht. Een volksstam aldaar, die in den strijd tegen

hem was te kort geschoten, zond hem gezanten met drie soorten van

geschenken, die zij hem aanboden op de navolgende wijze: "Heer, hier

zijn vijf slaven; indien gij een God zijt, die naar bloed dorst, zoo eet

ze, en wij zullen er u meer zenden; zijt gij een zachtmoedige God, hier

zijn wierook en pluimen; zijt gij een mensch, zoo aanvaard deze vogels

en vruchten."

Wanneer wij ons echter verwonderen en met afkeer spreken over de

barbaarsche gewoonten dier heidensche volkeren, dan moeten wij niet

vergeten, dat zij, die zich Kristenen noemen, hun, waar 't op

menschenoffers aankomt, niets te verwijten hebben, en dat, zoo 't

heette, tot Gods eer, duizenden en duizenden op schavotten en

brandstapels of op andere wijze zijn om 't leven gebracht. En dat niet

alleen in de ruwe Middeleeuwen, maar ook in tijden, die op hooge

beschaving roemden. Eischte de Inquisitie hare offers ter wille van den

Godsdienst en namen haar tegenstanders niet zelden een bloedige

weêrwraak, het was in naam der vrijheid, dat in 't laatst der vorige

eeuw onmenschelijke beulen dagelijks het bloed deden rooken van tallooze

onschuldigen, en dat, als te Nantes, geheele scharen van grijsaards,

vrouwen en meisjes in de rivier werden verdronken.

* * * * *

~Moed.~--Vele handelingen worden hoog geroemd omdat zij het gevolg

schijnen van de edelste drijfveêren, terwijl zij inderdaad uit geheel

andere oorzaken spruiten. Een soldaat van Lukullus had zich door den

vijand van zijn plunje zien berooven: begeerig, die terug te bekomen,

deed hij een wakkeren, doch hoogst gewaagden tocht, waarbij hij niet

alleen het zijne terug bekwam, maar ook een rijken buit op den vijand

behaalde. Lukullus, dit vernemende, kreeg daarop groote gedachten van

zijn moed en droeg hem een niet minder gewaagde onderneming op, in de

verwachting, dat hij niet zou aarzelen, de nieuwe gelegenheid om zijn

moed te toonen, met gretigheid te aanvaarden. "Ik dank u," zei de

andere, "gebruik daar liever dezen of genen armen sukkel toe, die zijn

boeltje kwijt is."

In een gevecht van de Turken tegen de Hongaren, hadden zich Chazan en de

Janitzaren, die hij aanvoerde, min dapper van hun plicht gekweten.

Hierover op scherpe wijze door Sultan Mehemet doorgestreken, ging

Chazan, tot eenig antwoord, zich met het zwaard in de vuist midden in

de vijandelijke drommen werpen, waar hij, als te verwachten was, het

offer werd van zijn waagstuk. Het was hier de spijt over den geleden

hoon, die hem den onberaden moed had gegeven tot zulk een wanhopige

daad.

* * * * *

~Naauwgezetheid.~--In de Middeleeuwen waren de Bisschoppen en andere

Geestelijke Heeren, die de waardigheid van Pairs van het rijk

bekleedden, gehouden, hun Soeverein in den oorlog te volgen. De Bisschop

van Beauvais, die met Philippus Augustus op die wijze den slag van

Bovines bijwoonde, nam dapper deel aan den strijd, doch, te naauwgezet

om bloed te vergieten, waarvan, naar een oud voorschrift, de Kerk een

afkeer heeft, bezigde hij een strijdkolf, en wanneer hij een vijand had

nedergeslagen, liet hij aan een edelman van zijn gevolg de taak om hem

verder om hals te brengen of gevangen te maken.

Niet minder naauwgezet had zich de man getoond, wien door Hendrik III

van Frankrijk verweten werd, dat hij de handen aan een priester geslagen

had.--"De handen aan een priester, Sire!" herhaalde de man: "'t zou

nooit in mij zijn opgekomen, zulk een strafbaar feit te plegen. Ik heb

hem alleen een trap gegeven dat hij rolde, en heb hem toen met de voeten

een weinig op buik en maag getrommeld."

* * * * *

~Ouderliefde.~--In de jaarboeken van Japan wordt het navolgende

voorbeeld van zeldzame ouderliefde medegedeeld. Een Weduwe had drie

zonen, die voor haar de kost zochten te verdienen, doch wier arbeid niet

toereikend was om haar altijd het behoorlijk onderhoud te verschaffen.

Het droevige schouwspel eener Moeder, die het noodige ontbeerde, bracht

de jongelingen tot een allerzonderlingst besluit. Men had bij

aanplakbiljetten bekend gemaakt, dat wie den dief van zekere gestolen

goederen aan 't gerecht overleverde, een bepaalde som gelds ontvangen

zou. De drie broeders komen overeen, dat een hunner voor den dief zal

doorgaan en door de beide anderen naar den Rechter gebracht worden. Zij

loten om te weten wie tot offer der ouderliefde strekken zal, en het lot

valt op den jongste, die zich als een misdadiger laat binden en naar den

Rechter voeren. Deze ondervraagt hem: de knaap bekent de misdaad en

wordt naar de gevangenis gebracht, terwijl zijn broeders het beloofde

loon ontvangen. Doch, met het lot van den gevangene begaan, volgen zij

hem in den kerker en nemen daar afscheid van hem onder bittere tranen.

Zij waanden dat dit tooneel geen getuigen had; doch ook de Rechter had

zich naar de gevangenis begeven en onopgemerkt een tooneel gadegeslagen,

waar hij niets van begreep, doch 't welk zijn nieuwsgierigheid zoo zeer

wekte, dat hij aan een dienaar last gaf, de beide aangevers te volgen en

hun bedrijf gade te slaan. De bediende kwijt zich van dien last en komt

eerlang bericht brengen, hoe hij de jonge lieden had zien ingaan in een

nederige woning, waar zij het door hen ontvangen geld ter hand gesteld

hadden aan hun moeder, die op 't hooren, tot welken prijs zij het

verworven hadden, terstond bitter was beginnen te schreien en hun gelast

had, het terug te brengen, verklarende liever van honger te sterven dan

haar leven te rekken ten koste van haar kind. De Rechter, verbaasd over

zulk een zeldzaam blijk van ouderliefde, laat den gevangene voor zich

komen, onderhoudt hem over zijn gewaanden diefstal, dreigt hem zelfs met

de felste straffen, indien hij de waarheid niet bekent; doch de

jongeling blijft volharden bij zijn eerste verklaring. Diep getroffen

verlaat hem de Rechter, doch doet verslag van het voorgevallene aan den

Keizer, die, mede verrukt over een zoo heldhaftig betoon van teederheid,

de drie broeders voor zich laat komen, hen van zijn genegenheid, en aan

hun moeder een ruim inkomen verzekert.

* * * * *

~Paard.~--Bij de oude Grieken, zoo min als bij de Joden, werd het paard

als strijdros of zelfs als rijdier gebezigd: en zoowel bij Homerus als

in de Heilige Schrift wordt alleen daarvan gewag gemaakt als trekdier

voor de strijdkarren. Dat de Grieken echter andere naburige volken

hadden zien te paard rijden, en dit een zeer ongewoon verschijnsel

hadden gevonden, blijkt daaruit, dat zij in hun mythen de ruiterij als

Centauren of Paardmenschen voorstelden. Bij de Parthen daarentegen,

gelijk later bij de meeste Aziatische volkeren, was van ouds het

paardrijden een gewone en dagelijksche zaak. Van de Parthen wordt

gemeld, dat zij te paard niet alleen ten strijde togen, maar ook hun

bijzondere zaken deden, kochten en verkochten, onderhandelden en

bezoeken aflegden; en dat bij hen het verschil tusschen Vrijen en

Onvrijen daarin bestond, dat de eerstgemelden te paard, de anderen te

voet gingen. Ook de Numidiërs, die een deel van het tegenwoordige

Barbarijen bewoonden, waren treffelijke ruiters, en zoo zeker van hun

paarden, dat zij die, zonder teugel, met de knieën of met de stem

regeerden.

Geen wonder, dat langzamerhand ook de Grieken, en later ook de Romeinen,

het nut inzagen, dat men van een welgeoefende ruiterij kon trekken, en

dat zelfs te Rome de Ruiter- of Ridderschap als een bijzondere orde in

den Staat werd aangemerkt, boven die der Plebejers verheven. Bij den

roem, dien Alexander de Groote en Cezar verwierven, wordt ook die niet

vergeten, welken hun paarden verkregen: beiden even wonderbaar in hun

soort als hun meesters. Van Bucefal, Alexanders paard, zegt men, dat het

een kop had naar dien van een stier zweemende, dat het door niemand dan

door zijn meester getemd had kunnen worden en geen berijder duldde

buiten hem; waarom het dan ook na zijn dood vereerd en een stad naar hem

genoemd werd. Het paard van Cezar had gespleten hoeven in den vorm van

menschenvingeren; het kon evenzeer alleen door zijn meester getemd en

bereden worden, en na zijn dood werd zijn beeltenis door Cezar aan Venus

toegeheiligd.

Hoewel Cezar, als hij vreemde volkstammen bedwongen had, doorgaans

gelastte, dat zij hem hun wapenen en paarden zouden uitleveren, ten

einde hun op die wijze hun voornaamste middelen tot krijgvoeren te

ontnemen, toch stelde hij, wat zijn Romeinen betrof, steeds het meeste

vertrouwen in hun voetvolk, dat door geen ander overtroffen werd; zoo

zelfs dat hij, als de nood drong, de ruiters gelastte af te stijgen en

te voet te strijden, in de overtuiging, dat zij zich dan beter en

moediger zouden kwijten. Even zoo dachten ook over 't algemeen de

Franschen, in de oorlogen, die zij in de 14de en 15de eeuw tegen de

Engelschen voerden: zij streden liever te voet dan te paard, als meer

vertrouwen stellende in hun eigen moed, vlugheid en behendigheid dan in

de belemmerende hulp, die een strijdros kon aanbieden: en ook bij de

hedendaagsche wijze van oorlogvoeren schijnt het uitgemaakt, dat de

kracht van een leger voornamelijk in het voetvolk bestaat.

Toen de Spanjaarden voor 't eerst in Amerika kwamen, zagen de Indianen

niet alleen hen, maar ook hun paarden, voor bovenmenschelijke wezens

aan; en wanneer zij, na in een veldslag overwonnen te zijn, om vrede

kwamen smeeken, brachten zij niet alleen aan de ruiters goud en spijzen,

maar boden die ook den paarden met gelijke toespraken aan, hun gehinnik

als een hun onbekende taal aanmerkende.

Vermakelijke anekdoten, en historische herinneringen · 第 3 / 8 段