Siciliën woonde, had een schat in zijn tuin begraven en leefde heel
armoedig. Dionysius, dit vernomen hebbende, liet den man gelasten dien
schat hem te brengen. De ander deed dit, doch niet dan na er een klein
gedeelte van behouden te hebben, waarmede hij zich in een andere stad
nederzette. Nu zijn groote zucht tot sparen verloren hebbende, begon hij
van 't geen hij overgehouden had, meer op zijn gemak te leven: wat
Dionysius ter ooren kwam, die hem de rest van zijn schat terugzond,
zeggende: dat de man, nu hij geleerd had het geld te gebruiken, niet
langer onwaardig was het te bezitten.
* * * * *
~Geluk.~--Krezus, Koning van Lydiën, was de rijkste en vermogendste
Vorst van zijn tijd, waarom zijn naam ook nog heden ten dage gebezigd
wordt om een rijkaard aan te duiden. Zich tegen Cyrus van Persiën verzet
hebbende, werd hij door dezen overwonnen en ter dood veroordeeld. Naar
de strafplaats gaande deed hij niet dan uitroepen: "O Solon, Solon!"
Cyrus, dit hoorende, vroeg hem, wat die woorden beteekenden, waarop de
ander hem antwoordde, dat de Atheensche wijsgeer Solon hem, toen hij op
zijn schatten en voorspoed stofte, gewaarschuwd had, dat niemand, hoe 't
hem ook meêliep, zich gelukkig kon heeten vóór zijn dood. Dit trof Cyrus
en hij spaarde den Vorst het leven.
Ik geloof met dat al veeleer, dat Solon gezegd zal hebben, dat niemand
er op rekenen kan, gelukkig te blijven; want heeft hij gezegd wat de
oude schrijvers, of Krezus, hem in den mond leggen, dan heeft hij met
andere woorden verklaard, dat niemand ooit gelukkig is. Zijn bedoeling
schijnt echter alleen geweest te zijn om, even als later onze Breêro, te
zeggen: "t Kan verkeeren."
Van gelijken aard als dat van Solon, was het gezegde van Agezilaüs tegen
iemand, die den Koning van Persiën gelukkig prees, omdat hij, zoo jong
nog, het gebied bekomen had over een zoo machtig Rijk: "Koning Priam van
Troje was ook gelukkig toen hij jong was."--Men weet hoe ellendig het,
bij Trojes verwoesting, met den ouden Priam en de zijnen afliep.
Niets is wisselvalliger dan 't Fortuin: Dionysius, die over Syrakuzen
geregeerd had, werd schoolmeester te Korinthen; Pompejus, die de halve
wereld veroverd had, werd als vluchteling door een paar ellendige
staffiers van Ptolemeüs om hals gebracht; Ludovico Sforza, Hertog van
Milaan, die heel Italiën in bedwang had gehouden, overleed na een
tienjarige gevangenschap; Maria Stuart, Koningin van Schotland en
Koningin-Weduwe van Frankrijk, liet haar hoofd op 't schavot; Koning
Theodorus van Korsika werd te Amsterdam voor schulden gegijzeld; en de
laatste der Koningen uit het beroemde Huis van Wasa zat op zijn ouden
dag, als een burgermannetje, met de dikke kasteleines uit de Toelast te
Haarlem een jasje te spelen.
* * * * *
~Goed en kwaad gezelschap.~--"Zeg mij met wien gij verkeert, en ik heb
uw aart geleerd," is een oud en zeer juist gezegde; en over 't geheel
kan men iemand vrij wel beoordeelen als men weet, met welke lieden hij
bij voorkeur omgaat. Wie dagelijks in 't gezelschap van bedaarde en
verstandige lieden gezien wordt, zal van zelven den naam van bedaard en
verstandig bekomen: en wie tot gewoonte heeft, een kroeg te bezoeken
waar gauwdieven bijeenkomen, zal geen recht hebben, zich te beklagen,
als de Politie, daar een inval doende, hem met de rest meêpakt.--De
wijsgeer Bias, eens op zee zijnde, werd door een storm beloopen; zijn
medereizigers, over 't geheel een vrij gemeene troep, riepen met luide
gebeden den bijstand der Goden in; "Zwijgt toch," zeide hij: "laten de
Goden niet hooren, dat gij u hier bevindt, het zou uw ondergang zijn en
de mijne met een."
Albuquerque, die Onderkoning in Oostindiën was voor de Kroon van
Portugal, zich in zeegevaar bevindende, nam een jongen knaap op zijn
schouders, om geen andere reden, dan dat de Goddelijke Gunst dien knaap
om zijn onschuld, en ook hem om diens wille, sparen zou.
Zekere boer, die Kees Piet heette, had een spreeuw, aan welken hij
geleerd had te zeggen: "Moei mij niet! ik ben de spreeuw van Kees Piet!"
Nu was gemelde Kees Piet een minnaar van een slokje en kwam 's avonds
wel eens met een nat zeil t'huis. Wanneer zijn vrouw hem daarover
verwijtingen deed, was doorgaans zijn verschooning: "Kwaad gezelschap
doet dolen."
't Gebeurde, dat de spreeuw, eens uitgevlogen zijnde, tusschen een
koppel van zijn natuurgenooten en met deze over een spreeuwebaan
strijkende, onder 't net raakte! Juist zou de vogelaar het beest het lot
van zijn medegevangenen doen ondergaan, toen het de aangeleerde les te
pas bracht en zeide: "Moei mij niet! ik ben de spreeuw van Kees
Piet."--De vogelaar, die Kees Piet zeer goed kende, spaarde het beest 't
leven en liet aan den eigenaar daarvan weten, dat hij 't kon komen
halen. "Wel, Gerrit! wel, mannetje!" zei Kees Piet, toen hij aan de
oproeping voldeed, tot den spreeuw: "Wat is er met je gebeurd en hoe ben
je in zoo'n perykel gekomen?"--En de spreeuw, niet minder gevat dan de
vorige reis, gaf tot antwoord: "Kwaad gezelschap doet dolen."
Van dien spreeuw spring ik op Cezar over, die de overtuiging bezat, dat,
zoo slecht gezelschap dolen doet, goed gezelschap, en wel in de eerste
plaats het zijne, ook geene dan goede uitwerkselen hebben moest. In
Afrika zijnde en in een boot de holstaande zee moetende oversteken, zag
hij den stuurman beven. "Wat vreest gij?" vroeg hij, den man
geruststellend op den schouder kloppende; "gij voert Cezar en zijn
geluk."
Even moedig en nog schooner wellicht is het gezegde van Willem III, toen
hij, in 1691 uit Engeland naar herwaarts overgekomen, en, daar zijn
schip om 't lage water de Maas niet kon opvaren, genoodzaakt was zich
met de boot naar 't strand te laten roeien. 't Was een afschuwlijk weêr,
met mist, hagel en regen, en zij, die met hem waren, gaven niet
onduidelijk te kennen dat zij zich alles behalve op hun gemak bevonden.
"Hoe is het?" vroeg de Vorst: "Vreest gij, in mijn gezelschap te
sterven?"
* * * * *
~Grillige loop van 's werelds zaken.~--Van Paus Alexander VI en van zijn
zoon Cezar Borgia, Hertog van Valentinois, worden tallooze gruwelen
verteld, door hen gepleegd ter voldoening van hun heersch- of geldzucht.
Doch op merkwaardige wijze werd bij hen 't spreekwoord bewaarheid, dat
het kwaad zijn meester loont. De Hertog, besloten hebbende den Kardinaal
van Corneto, bij wien zijn vader en hij het avondmaal gingen gebruiken,
om 't leven te brengen, zond een flesch wijn vooruit, met last aan den
hofmeester, dien goed te bewaren. De Paus, vóór zijn zoon bij den
Kardinaal gekomen zijnde, vroeg te drinken, en de hofmeester, in den
waan verkeerende, dat die wijn hem alleen was aanbevolen wegens zijn
voortreffelijkheid, schonk er den Paus van in, de Hertog, kort daarna
komende, en er op vertrouwende, dat men aan zijn flesch niet geraakt
had, dronk er insgelijks van, met die uitkomst, dat de vader terstond
daarop stierf, en de zoon levenslang aan de gevolgen bleef lijden.
Izabella, koningin van Engeland, in 1326 met een leger uit Zeeland naar
haar rijk getrokken zijnde om haar man ten voordeele van haar zoon te
beoorlogen, ware verloren geweest indien zij ware geland ter plaatse
waar zij bedoeld had zulks te doen, en waar een talrijk leger haar
afwachtte: doch door tegenwind werd zij naar een andere zijde der kust
gedreven, waar zij in veiligheid landde. Hetzelfde gebeurde 362 jaar
later met onzen Stadhouder Willem III, die, eerst voornemens zijnde,
naar 't Noorden van Engeland met zijn bevrijdingsvloot heen te stevenen,
door storm werd teruggeslagen, en weinige dagen later weder uitgezeild,
terwijl de wind uit denzelfden hoek bleef waaien, genoodzaakt was, zijn
tocht naar 't Zuiden te richten, waar het trof, dat geen troepen waren
om zich tegen zijn landing te verzetten.
Icetes had twee soldaten omgekocht om Timoleon, die zich te Aurane in
Siciliën bevond, van 't leven te berooven. Zij namen het oogenblik waar,
dat Timoleon den Goden zou offeren, en, zich onder de menigte
vermengende, waren zij juist bezig met elkander te overleggen, hoe zij
van de gelegenheid gebruik zouden maken, toen er een derde man
toeschoot, een hunner met zijn degen doorstak en dood ter neder velde,
en de vlucht nam. De makker des verslagenen, niet anders denkende of de
aanslag was ontdekt, loopt naar 't altaar en biedt aan, alles te
bekennen, zoo men hem in 't leven liet. Terwijl hij bezig is aan
Timoleon mede te deelen, wie en hoe men 't op diens leven had toegelegd,
wordt de vluchtende moordenaar door 't volk achterhaald en naar Timoleon
gevoerd. Ondervraagd zijnde, wat hem tot den manslag bewogen heeft, zegt
hij, met volle recht zijn vader gewroken te hebben, en brengt getuigen
bij, die bevestigen dat zijn vader eenige jaren te voren, door den man,
dien hij thans verslagen had, verraderlijk was omgebracht.--Men schonk
hem niet alleen vergiffenis, maar nog een goede belooning bovendien, dat
hij dus, om zijn vader te wreken, den algemeenen vader der Sicilianen
het leven gered had.
Jazon Fereus leed aan een hevige verzwering in de borst, waar de
heelmeesters geen raad tegen wisten. Zich ontdoen willende van een
leven, dat hem tot last geworden was, mengde hij zich in een veldslag en
wierp zich in 't heetste van 't gevecht om den dood te zoeken. Inderdaad
kreeg hij een diepe wond in de borst; doch de uitslag was anders dan hij
zich had voorgesteld; want de stoot had de verzwering gebroken en hij
kwam genezen uit den slag terug.
Een ander bewijs, hoe het toeval soms op vreemde wijze kan dienen,
levert het gebeurde met den schilder Protogenes. Deze had een vermoeiden
en hijgenden hond voor te stellen, en 't werk was goed geslaagd; alleen
kon het hem maar niet gelukken, het schuim om den bek naar zijn zin af
te beelden; uit spijt smeet hij zijn natten spons tegen het doek: en
zie! die kwam net tegen den bek van den hond te land, en bracht daar bij
toeval te weeg wat de kunst niet had kunnen volvoeren.
Somtijds is 't als schijnt het lot met ons te spelen. De Heer d'
Estrées, en de Heer van Liques, die tijdens de Fransche burgeroorlogen
der 16de eeuw tot verschillende partijen behoorden, maakten beiden hun
hof aan dezelfde jonkvrouw. De Heer van Liques was de gelukkige, op wien
de keuze der schoone viel; doch op den dag zelf van zijn bruiloft kreeg
hij den dwazen inval, uit te rijden om bij St. Omer een schermutseling
te houden, waar hij echter te kort schoot en gevangen genomen werd door
zijn medeminnaar. En nu was de bruid wel genoodzaakt, zich in persoon
tot den vrijer, dien zij versmaad had, te wenden, om hem de vrijlating
van haar man te verzoeken, welke hij haar met echt Fransche galanterie
toestond.
Opmerkelijk is ook de gril van 't noodlot, dat een Konstantijn, zoon van
Helena, de stichter, en een andere Konstantijn, mede zoon eener Helena,
de laatste keizer was van het Grieksche rijk.
* * * * *
~Huwelijkstrouw.~--Men vroeg aan een schoone en rijke Romeinsche weduwe,
waarom zij niet hertrouwde;--"Omdat," antwoordde zij, "mijn echtgenoot
mij nog altijd voor oogen staat."
Paulina, vrouw van Seneka, wilde haar man, wiens dood Nero gelast had,
niet overleven, en liet zich, even als men aan hem deed, de aderen
openen. Nero wilde dit niet gedoogen en zond wondheelers af, die 't
bloed stelpten en de aderen opbonden; doch zij droeg levenslang een
bleekheid op 't gelaat, die, zegt Tacitus, aan elk getuigenis gaf van
haar kuische liefde voor haar gemaal.
Sinorix en Sinatus waren, volgens Plutarchus, twee machtige Heeren in
Galatiën. Sinorix werd verliefd op Camma, de vrouw van Sinatus. Om haar
te kunnen huwen, nam hij zijn toevlucht tot het plegen eener misdaad, en
liet hij Sinatus vermoorden. Eenigen tijd hebbende laten verloopen,
vroeg hij Camma ten huwelijk en wist haar bloedmagen op zijn hand te
krijgen, die nu krachtig bij de weduwe aandrongen, dat zij de goede
partij, die zich voordeed, niet zou afslaan. Camma, van hare zijde,
maakte wel eenige zwarigheden; doch gaf eindelijk toe en de dag voor het
huwelijk werd bepaald. Toen die gekomen was, begaf zij zich met Sinorix
naar den tempel van Diana, wier priesteres zij was, en daar een weinig
van een drank, dien zij bereid had, op 't altaar geplengd hebbende,
dronk zij er een gedeelte van en gaf de rest aan Sinorix. Naauwlijks had
hij gedronken, of, zich tot de Godin wendende, zeide zij: "Ik neem u tot
getuige, dat, zoo ik mijn gemaal overleefd heb, het alleen geweest is om
zijn dood te wreken. Wat u betreft, Sinorix! boosaardigste aller
menschen, geef last dat men, in plaats van een huwlijksfeest, u een graf
bereide." Hij stierf nog denzelfden dag aan 't vergif, dat in den drank
gemengd was, en zij den dag daarna.
Koenraad III, die in 1138 tot Roomsch-Keizer gekozen was, belegerde de
kleine stad Wijnsberg, waarin de Hertog van Wurtenberg, die tegen zijn
verkiezing geijverd had, was opgesloten. Lang had deze zich wakker
verdedigd, doch zag eindelijk zich genoodzaakt zich aan de genade of
ongenade des Keizers over te geven. Koenraad, die fel op hem gebeten
was, wilde alles te vuur en te zwaard verdelgen; doch schonk genade aan
de vrouwen, aan welke hij vergunde, de stad te verlaten, en met zich
mede te dragen al datgene waar zij den meesten prijs op stelden. Maar
niet weinig vreemd stond hij te kijken, toen hij de Wijnbergsche
vrouwen, met de Hertogin aan 't hoofd, de poort zag uitkomen, ieder met
haar man op den rug. Hij had zijn woord gegeven, en, getroffen door de
kloekheid en huwlijkstrouw, waarmede de vrouwen hem verschalkt hadden,
schonk hij aan de stad volledige genade.
In 't begin der 17de eeuw waagde Karel Emmanuel, Hertog van Savooien,
een aanslag op Geneve, 't welk hij bij nacht poogde te verrassen. De
uitkomst beantwoordde niet aan zijn verwachting; er werd alarm gegeven
toen nog maar een klein deel zijner soldaten den buitenwal beklommen
had; de burgerij vloog te wapen, en de vijand werd met groot verlies
teruggeslagen, terwijl de gevangenen, die men op hen maakte, tot een
schandelijken dood werden gedoemd. Onder deze laatsten bevond zich een
officier van rang. De vrouw van dezen, van het gebeurde onderricht,
snelt naar Geneve en vraagt vergunning, haar man voor 't laatst te
omhelzen. Men weigert haar die en de officier wordt gehangen zonder dat
zij getuige zijn mag van zijn dood. Nu volgt zij het lijk naar de
plaats, waar het wordt ten toon gesteld. Zij zet zich neder tegenover
die treurige overblijfselen en blijft daar zitten zonder eenig voedsel
te willen nemen of haar oogen van dat akelige schouwspel af te wenden,
en het was in dezen toestand, dat de dood een einde kwam maken aan haar
rouw.
Talrijk zijn de voorbeelden van vrouwen, die schier op gelijke wijze
haar man uit de gevangenis verlosten. Bij ons was het die van den
leeraar Dominicus Sapma. Deze was in het begin der 17de eeuw, wegens
zijn Arminiaansche gevoelens, in het tuchthuis te Amsterdam gezet. Daar
kwam zijn vrouw hem bezoeken, met een dikken doek over 't gezicht en
zware kiespijn voorwendende. Bij haar man toegelaten, beduidde zij hem,
met haar van kleederen te verwisselen, en zoo kwam hij, even zeer den
doek voor 't gezicht houdende, de gevangenis uit en bij vrienden, die
hem een goed heenkomen bezorgden.
Het tweede voorbeeld is van Lady Nithsdale, wier man in 1716 ter dood
veroordeeld was wegens deelneming aan eedgespan, dat Jacobus II weder op
den Engelschen troon zou helpen. Hij zou, met anderen van zijn partij,
den 16den Maart worden onthoofd, doch werd gered door zijn vrouw, die,
bij hem toegelaten om hem een laatst vaarwel te zeggen, hem hare
kleederen aantrok, waarmede hij, gaande tusschen twee dienstmaagden in,
met den zakdoek voor 't gelaat als iemand die van droefheid overmand is,
den Tower uitkwam en, in het rijtuig gestapt, dat haar daar gebracht
had, terstond naar den Teems reed, waar een boot hem wachtte, die boot
bracht hem aan boord van een schip, dat zeilrêe lag en hem behouden naar
Frankrijk voerde. Den volgenden morgen trad een geestelijke den kerker
binnen om den gevangene ter dood te bereiden en keek niet weinig
verbaasd op, een vrouw in plaats van een man te vinden. De Luitenant van
den Tower, bericht van het gebeurde ten Hove gezonden en tevens gevraagd
hebbende, wat hij met die vrouw zou doen, kreeg in last, haar in
vrijheid te stellen: doch zij weigerde den Tower te verlaten eer zij
kleeren had die haar voegden. Zij werd spoedig daarna, in Frankrijk, met
haar man vereend.
Dezelfde list bezigde, in 1815, Mevrouw de La Valette, om haar man te
verlossen, die, even als de Maarschalk Ney, de zijde van Napoleon, bij
diens terugkomst uit Elba, gekozen had. Een paar bijzonderheden, die
zijn ontkoming vergezelden en niet algemeen bekend zijn, heb ik uit den
mond van den oud-Referendaris van de kamer der Pairs, den eerwaardigen
Pasquier. Toen La Valette in 't gewaad zijner vrouw buiten de deur kwam,
was de koetsier van den fiacre, die haar gebracht had, niet te vinden.
De man zat in de kroeg en was stom dronken. Opschudding te maken zou tot
ontdekking geleid hebben, en de vluchteling zag zich dus wel genoodzaakt
te loopen tot de eerste plaats, waar hij gelegenheid vond om een rijtuig
te bekomen. Doch nu was 't zaak een veilige schuilplaats voor hem te
vinden, en daartoe waagde de vriend van La Valette, die hem verzelde,
een stouten stap. Hij reed met hem naar de vrouw van den Minister van
Buitenlandsche Zaken, maakte, na haar, die zeer bevriend was met Mevrouw
de La Valette, wat gepolst te hebben, haar bekend, wie met hem in 't
rijtuig gekomen was en bewoog haar tot diens redding mede te werken. En
zoo bleef La Valette onderscheidene dagen, en terwijl men overal door
geheel Frankrijk zijn spoor zocht en de Minister van Buitenlandsche
Zaken ook naar 't buitenland schreef om hem te doen zoeken, op een
bovenzolder van het Hôtel dienszelfden Ministers verborgen. Eerst toen
men 't zoeken opgaf en hem reeds buiten 's lands waande, verliet hij
zijn schuilplaats en werd hij uit Parijs en over de grenzen geholpen.
* * * * *
~Kinderliefde.~--De vrouw van een edelen Venetiaan, haar eenigen zoon
verloren hebbende, was ter prooi aan de bitterste droefheid. Een
Geestelijke trachtte haar vertroosting aan te bieden. "Herinner u",
zeide hij, "hoe Abraham willig gehoorzaamde, toen God hem bevolen had
zijn eenigen zoon, zijn lieveling, te offeren,"--"Ach!" riep zij uit,
"eerwaarde Vader!--nooit zou God zulk een offer van een moeder gevergd
hebben!"
* * * * *
~Kluchtige zetten in 't uiterste.~--Een man, die naar de galg geleid
werd, verzocht, dat men hem niet door zekere straat zou voeren, die hij
noemde: "want," zei hij, "daar woont een koopman, die geld van mij te
vorderen heeft en mij soms bij de kladden mocht krijgen."
Een ander verzocht onder weg aan den beul, hem niet met de vingers aan
den hals te raken: "ik kan geen kittelen verdragen," zei hij, "en mocht
eens beginnen te lachen, wat bij zoo'n deftige plechtigheid kwalijk zou
voegen."
Een ander werd naar een galg gevoerd, die op een berg stond. Zijn
biechtvader hield hem onderweg op allerlei wijze het geluk voor, dat hem
in de andere wereld zou te beurt vallen. Dit verveelde den gevonnisde,
die liever in 't leven had gebleven. Juist kwamen zij op een plaats,
waar het pad langs een steilen afgrond liep, toen de Pater, om hem te
bemoedigen, hem vertelde, dat hij dien avond het maal zou gebruiken in
't hemelsche paradijs. "Ga dan vooruit, en zet den wijn in 't koelvat,"
zei de boef, en gaf den Geestelijke een stomp, dat deze in den afgrond
tuimelde.
Een ander, even voor de strafoefening te drinken gevraagd hebbende,
weigerde een glas bier, dat hem werd aangeboden, zeggende gehoord te
hebben, dat men van bier 't graveel bekomt.
Het was voorheen op vele plaatsen de gewoonte, dat, wanneer een meisje
zich aanbood om een ter dood veroordeelde tot man te nemen, zij hem vrij
kreeg van 't schavot. Dit gebeurde eens in Denemarken; doch de patiënt,
bespeurende, dat de schoone, die hem 't leven redden kwam, een weinig
kwalijk ging, zei tot den beul: "sla mij den strop maar om: 't is een
mankpoot."
* * * * *
~Krijgswetten en gebruiken.~--Dikwijls, bij 't lezen der geschiedenis
van belegeringen, ergert men zich over de wreedheid van den overwinnaar,
die, na een plaats te hebben ingenomen, de verdedigers ter dood laat
brengen. Die ergernis is verschoonbaar, doch niet altijd even billijk.
Van ouds toch begreep men, dat ook de stoutmoedigheid, even als alle
deugden, hare grenzen heeft, en in geen koppige en dwaze vermetelheid
ontaarden moet, en van daar schreef alom het krijgsgebruik voor, dat
zij, die hardnekkig bleven in 't verdedigen van een post, die volgens
alle regelen van krijgskunst onhoudbaar was, met den dood gestraft
moesten worden. Montaigne, een van natuur hoogst zachtzinnig mensch,
prijst dien regel, dewijl anders, naar hij zegt, het uitzicht op
straffeloosheid aanleiding zou geven, dat een kippenhok een leger
ophield: en in meer dan één roman van iemand, die 200 jaren later
schreef, van Walter Scott namelijk, vinden wij dezelfde leer
gepredikt.--'t Spreekt intusschen van zelf, dat het verschil tusschen de
aanvallende en de verweerende krachten zoo aanzienlijk zijn moest, dat
er aan den uitslag niet te twijfelen viel, en dat dezelfde bevelhebber,
die veroordeeld zou geworden zijn indien hij zijn post had willen
verdedigen tegen een batterij van dertig stukken, volkomen
gerechtvaardigd was als hij dien niet overgaf aan een vijand, die er
twee veldstukjes tegen aanvoerde.
Toch levert de geschiedenis een aantal voorbeelden van een aanzienlijk
en welgewapend getal aanvallers, die zich door een naauwlijks
noemenswaardigen hoop verdedigers hebben laten terugslaan. Zeer zeker
zou Elias Beeckman, toen hij met luttel manschappen, met vrouwen en
kinderen de vesting Aardenburg tegen een Fransch leger verdedigde niet
alleen, maar den vijand met groot verlies deed wijken, den dood verdiend
hebben, indien zijn stoutmoedigheid een min voordeeligen uitslag had
gehad; maar hij bleef overwinnaar en in zulke gevallen wordt men door de
goede uitkomst gerechtvaardigd.
* * * * *
~Kwakzalvers.~--Een zoogenaamde Alchymist beweerde het geheim te hebben
uitgevonden om goud te maken en vroeg een belooning aan Paus Leo X, die
een voorstander was der kunsten. De Paus toonde zich geneigd om aan zijn
verlangen gehoor te geven en de kwakzalver achtte zijn fortuin reeds
gemaakt. Maar leelijk keek hij op zijn neus, toen hij de verhoopte gift
ontvangen kwam en van Leo niets anders kreeg, dan een groote leêge
beurs, met de boodschap, dat, nu hij toch goud kon maken, hij niets
anders behoefde dan een beurs om het te bergen.
Een rijke Engelschman lag te bedde met een hevigen aanval van de jicht,
toen zijn kamerdienaar hem iemand kwam aandienen, die een onfeilbaar
middel tegen die kwaal beweerde te hebben. "Is die wonderdokter te voet
of met rijtuig gekomen?" vroeg de lijder. Het antwoord was: "te
voet."--"Zeg in dat geval," hernam de zieke, "dat hij naar de pomp mag
bruien; want zoo hij inderdaad het middel bezat, waar hij zich op
beroemt, zou hij in een koets met zes paarden rijden en zou ik zelf hem
gaan bezoeken en hem de helft van mijn vermogen aanbieden om van mijn
kwaal bevrijd te worden."