Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online
Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net (This
book was produced from scanned images of public domain
material from the Google Print project.)
+-------------------------------------------------------------------+
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| Gebruikte transcriptie: |
| schuingedrukte tekst in het origineel is getranscribeerd tussen |
| liggende streepjes: _tekst_; |
| vetgedrukte tekst in het origineel is getranscribeerd tussen |
| is-gelijk-aan tekens: =tekst=; |
| gespatiëerde tekst in het origineel is getranscribeerd tussen |
| tildes: ~tekst~; |
| superscripts zijn verwijderd waar dit zonder verlies aan bete- |
| kenis kon (bijvoorbeeld in data); in andere gevallen wordt |
| superscript tekst weergegeven als ^{tekst}; |
| [f] staat voor het gulden-teken; |
| tekst die in het origineel klein-kapitaal gedrukt is wordt hier |
| weergegeven in KAPITALEN. |
| |
| Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarop ze |
| betrekking hebben. |
| |
| Correcties zijn vermeld in de Opmerkingen aan het einde van deze |
| tekst. |
+-------------------------------------------------------------------+
ANEKDOTEN.
[Illustratie: Portret van Van Lennep]
VERMAKELIJKE
ANEKDOTEN,
EN
HISTORISCHE HERINNERINGEN.
EEN NALATENSCHAP
VAN
MR. J. VAN LENNEP.
AMSTERDAM,
GEBROEDERS KRAAY.
1870.
Deze Anekdoten waren bestemd voor eene uitgebreide verzameling, welke
Mr. J. van Lennep wilde bijeenbrengen en in het licht zenden. De
gevierde schrijver heeft dien arbeid niet mogen voltooien, maar toch had
hij bij zijn betreurd afsterven reeds een aantal wetenswaardige en
vermakelijke bijzonderheden verzameld[1] en bewerkt, die een vrij goed
afgerond geheel vormden en bij gedeelten in een maandschrift werden
opgenomen. De uitgevers meenen velen een genoegen te doen met deze
nalatenschap van onzen begaafden landgenoot thans in haar geheel in
ruimer kring verkrijgbaar te stellen.
[1] Vooral uit den _Dictionnaire d'Anecdotes_, waarmede VAN LENNEP
zeer ingenomen was.
~Afgezanten.~--Er zijn, of er waren vroeger althans, Soevereinen, die
gaarne zagen, dat een Gezant zich in hun tegenwoordigheid niet op zijn
gemak bevond. Zoo verhaalt de Baron van Bielfeld in een zijner werken,
dat Lodewijk XIV, gehoor verleenende aan den Baron van Pentenrieder, die
den naam had dat hij nooit van zijn stuk geraakte, wrevelig werd toen
hij bespeurde, hoe weinig indruk zijne tegenwoordigheid maakte op dien
Gezant. Hem in verlegenheid willende brengen, viel hij hem in de rede
bij de eerste woorden van zijn aanspraak, die aldus begon: "Sire, de
Keizer, mijn meester, zendt mij tot Uwe Majesteit, om...." "Wat luider,
mijn Heer de Gezant," zei de Koning op hoogen toon. "Wat hooger?"
herhaalde de andere, zonder zich verlegen te toonen en hervatte: "De
Keizer, mijn meester, Sire, zendt mij," enz., nu den Keizer 't eerst
noemende en zijn aanspraak met vrijmoedigheid voortzettende.--Die wijze
van zich tegenover den Koning te gedragen, voegt de Schrijver er bij,
deed eer aan het kloek vernuft van den Heer van Pentenrieder; maar of
hij er de belangen van zijn meester door bevorderde, is een andere
vraag.
Toch betaamt het een Gezant steeds de waardigheid op te houden van den
Vorst of den Staat, die hem gezonden heeft. Dit deed o. a. een
Spaansche Gezant tegenover Hendrik IV van Frankrijk, bij gelegenheid dat
deze, na een vrij hevige woordenwisseling, had uitgeroepen: "Als 't mij
invalt, dan stijg ik te paard, ga te Milaan ontbijten, te Rome de Mis
hooren en te Napels middagmalen."--"Sire," zei hierop de Gezant, "als
Uwe Majesteit zoo vlug de reis doet, dan kan zij nog, op denzelfden dag,
op Siciliën den Vesper hooren;" zinspelende op het gebeurde in 1282,
toen al de Franschen op Siciliën werden omgebracht en welke moord in de
geschiedenis onder den naam van "de Siciliaansche Vesper" bekend is.
Bij een andere gelegenheid zei dezelfde Koning tegen dezen of een
anderen Spaanschen Gezant, na een redetwist: "Als de Koning, uw meester,
voortgaat met mij op die wijze te tergen, zal ik de wapenen opvatten en
men zal mij weldra te Madrid zien."--"Waarom niet?" antwoordde de Gezant
op koelen toon: "Frans I is er wel geweest."--"Daarom juist wil ik er
heengaan," hernam de Koning, "om wraak te nemen over de beleedigingen,
die hem, die Frankrijk, die mij zijn aangedaan."
Ivan Bazilides, Tsaar van Moskoviën, die als een ruwe en wreede Vorst
wordt voorgesteld, had eens, verhalen sommige schrijvers, den Gezant van
een Italiaansch Vorst, die met gedekten hoofde voor hem verschenen was,
den hoed op den kop doen spijkeren. Dit belette Bose, den Gezant van
Elizabeth van Engeland, niet, toen hij bij dien Monarch ten gehoore werd
toegelaten, zijn hoed op te zetten en hem zoo toe te spreken. "Weet gij
niet," vroeg hem de Tsaar, "hoe ik gehandeld heb met een anderen Gezant,
die zich even vermetel toonde als gij heden doet?"--"Ik weet het,"
antwoordde de Engelschman: "maar ik vertegenwoordig een Koningin, die
altijd het hoofd gedekt houdt, en die niet gedoogt, dat iemand
straffeloos een harer dienaren beleedigt."--Ivan had nog genoeg
grootmoedigheid om een dergelijke kloekheid van ziel te bewonderen, en
zich tot zijn hovelingen keerende, zeide hij: "Ziet daar een wakkeren
kerel, die zoo durft spreken en handelen voor de eer van zijn Vorstin?
Wie onder u zou 't zelfde voor mij doen?"
De Republiek Polen had aan den Roomsch-Keizer Hendrik IV den Graaf van
Scarbiecki gezonden, om een vredesonderhandeling te beginnen. De Keizer,
wenschende hem een denkbeeld van zijn macht te geven, schepte er behagen
in, hem de groote rijkdommen van het keizerrijk te toonen, in zijn
schatkamer verzameld. "Zie daar," zeide hij eens tegen hem, "genoeg
schats bijeen om de Polen te doen bukken."--De Gezant, weinig onthutst
over deze bedreiging, nam een kostbaren ring van zijn vinger en smeet
dien op den schat, zeggende: "_Adjiciamus aurum auro_, (voegen wij goud
bij goud);" door welke daad hij toonde, de uitdaging aan te nemen en zoo
weinig vrees te hebben voor 's Keizers rijkdom, dat hij niet schroomde,
dien te vermeerderen. Men verhaalt dat deze daad, verre van een breuk te
veroorzaken, het sluiten van den vrede tusschen den Keizer en de Polen
nog verhaastte.
Een Gezant van Karel V, ten gehoore geroepen bij den Turkschen Keizer
Soliman, zag bij 't binnenkomen dat er geen stoel voor hem was gereed
gezet. Terstond begrijpende, dat hier aan geen verzuim, maar aan opzet
te denken viel, en dat men hem wilde laten staan, wierp hij zijn mantel
op den vloer, ging erop zitten, met even veel onverschilligheid als of
het zoo de gewoonte was, en ontvouwde toen zijn last met een gemak en
vrijmoedigheid, die Soliman zelf niet kon nalaten te bewonderen. Toen
het gehoor was afgeloopen, begaf zich de Gezant uit de zaal en liet zijn
mantel liggen. Men dacht, dat hij dien vergeten had en waarschuwde hem,
doch hij antwoordde op even beleefden als waardigen toon: "De Gezanten
van den Koning, mijn meester, zijn niet gewoon, hun zetels met zich te
nemen."
Kort nadat Victor Amedéus, Hertog van Savooien, in den oorlog met
Frankrijk, de vesting Montmelian had verloren, maakte hij zich in een
gesprek met den Franschen Gezant zoo driftig tegen dezen, dat hij naar
een venster liep, het opensloeg en toen zeide: "Ziet gij dat raam?"--"Ja
wel," antwoordde de ander, terwijl hij nader trad en naar buiten keek:
"men kan er Montmelian uit zien."
Coenraad van Beuningen, Gezant van Hun Hoog Mogenden te Parijs, werd met
eenige andere Hollandsche staatsdienaren bij den Minister van Financiën
te gast genoodigd. Op het nagerecht werd Hollandsche kaas gediend, en
spottende zeide de Minister tegen Van Beuningen: "Dat is de voornaamste
vrucht van uw land."--"En deze zijn ook niet te versmaden," antwoordde
Van Beuningen, terwijl hij een hand vol dukaten uit zijn zak haalde en
door de kamer smeet.
Intusschen moet men onderscheid maken tusschen de kwetsende woorden, die
aan een Vorst in een bijzonder gesprek zijn ontvallen, en die, welke in
't openbaar of althans in tegenwoordigheid van getuigen zijn gezegd.
Toen Keizer Karel V in 't konsistorie te Rome in tegenwoordigheid van
den Bisschop van Macon en den Heer van Velly, Gezanten van Frans I, een
toespraak hield, waarin hij niet weinig tegen de Franschen uitvoer,
zeggende onder meer, dat zoo hij geen getrouwer oversten, soldaten en
onderdanen had dan de Koning van Frankrijk, hij met een strop om den
hals diens genade zou komen inroepen, en in diezelfde toespraak den
Koning uitdaagde tot een tweegevecht met dolk en zwaard, in 't hemd en
in een schuit,--toen gaven de Gezanten wel verslag van het gebeurde aan
den Koning, doch verzwegen al wat dezen had kunnen kwetsen of ergeren.
En hierin waren zij, naar mijn oordeel, te berispen, dewijl de honende
woorden in 't openbaar gesproken waren en het te verwachten was, dat de
Koning er toch vroeg of laat kennis van bekomen zou.
Een Italiaansch Vorst, die nooit veel geluk had op zijn aardigheden,
omdat ze doorgaans meer scherp dan geestig waren, eens op een
balkon staande met den Gezant eener vreemde Mogendheid, dien hij
wenschte te vernederen, zei tot hem: "'t Is van dit balkon, dat
een mijner Voorvaderen eens een Ambassadeur naar beneden deed
gooien."--"Vermoedelijk," antwoordde de ander, droogjes weg, "droegen de
Ambassadeurs in die dagen geen degen op zijde."
Bij een andere gelegenheid vroeg dezelfde Vorst, die zich den titel
aanmatigde van Koning over twee Rijken, waar hij geen duim gronds bezat,
aan denzelfden Staatsdienaar, waar het Markiezaat gelegen was, waar hij
den titel van droeg: "Tusschen uw beide koninkrijken, Uwe Hoogheid," was
het antwoord.
De groote Mogol Shah-Jeham hield veel van spotten. Eens vroeg hij aan
den Persischen Gezant of diens Koning grooter was dan een leelijke,
kleine slaaf, die tot post had, de vliegen van rondom zijns meesters
zetel te verdrijven. "Wel neen," antwoordde de Gezant: "daar scheelt nog
heel wat aan. Mijn Koning is alleen een kop grooter dan Uwe Hoogheid."
In 1586 zond Filips II den Konstabel van Kastiliën naar Rome om Paus
Sixtus V geluk te wenschen met diens verheffing. De Paus, ontevreden dat
men een nog zoo jeugdigen Gezant naar hem had afgevaardigd, kon niet
nalaten tot dezen te zeggen: "Heeft uw meester gebrek aan mannen, dat
hij mij een baardeloozen Gezant stuurt?"--"Indien mijn Vorst gemeend
had," antwoordde de fiere Spanjaard, "dat de verdienste in den baard
gelegen was, had hij u een bok gezonden, geen Edelman, als ik ben."
Een Groot-Hertog van Toskanen beklaagde zich bij den Venetiaanschen
Gezant, dat de Republiek hem een Venetiaan gezonden had, die zich zeer
onbetamelijk in zijn betrekking gedragen had. "Laat dit Uwe Hoogheid
niet verwonderen," zei de Gezant, "wij hebben te Venetiën heel wat
gekken."--"Die ontbreken ook niet te Florence," merkte de Vorst aan,
"maar wij zenden ze niet als onderhandelaars uit."
Een Turksche Gezant vroeg aan Laurens van Medicis, waarom men in
Florence minder gekken zag dan te Konstantinopel. "'t Is omdat wij ze
dáár opsluiten," antwoordde de Groot-Hertog, en wees hem een klooster.
Een Gezant van Spanje gaf aan Jakobus van Engeland den raad, zich niet
zoo ver te laten leiden door priesters, wier onvoorzichtige raad hem nog
zijn kroon zou kunnen doen verliezen. "Hoe moet ik dat opvatten?" vroeg
Jakobus, "raadpleegt uw Koning dan zijn biechtvader niet?"--"Wel zeker,"
antwoordde de Gezant, "en daarom juist gaan onze zaken zoo ellendig."
Ten tijde dat men in Frankrijk de Protestanten vervolgde, verzocht een
Gezant van Willem III aan Lodewijk XIV, dat hij de vrijheid zou schenken
aan hen, die ter oorzake van hun godsdienst op de galeien zaten. "Maar,"
vroeg Lodewijk, "wat zou de Koning van Groot-Brittanje zeggen, indien ik
hem verzocht, de boeven, die in Newgate zitten, in vrijheid te
stellen?"--"Sire," antwoordde de Gezant, "mijn Koning zou hen
onmiddellijk ter beschikking van Uwe Majesteit stellen, indien deze hen
opvorderde als broeders."
Een Edelman van 't Fransche hof nam afscheid van Lodewijk XIV, die
hem als Gezant naar een andere Mogendheid zond. "De voornaamste last,
dien ik u te geven heb," zei de Koning, "is dat gij een geheel
tegenovergestelde gedragslijn volgt als uw voorganger."--"Ik hoop,"
antwoordde de Edelman, "mijn post zoo waar te nemen, dat mijn opvolger
geen dergelijken last van Uwe Majesteit ontvangt."
Het is vooral de pligt van een Gezant, te zorgen, de goede
verstandhouding te bewaren tusschen de beide Hoven, waarmede hij te doen
heeft, en niet alles aan zijn Soeverein over te brengen wat hem in een
oogenblik van drift wordt gezegd. Dit herinnerde zich in 1687 de Gezant
der Staten bij 't Hof van Denemarken. Eens dat hij met Kristiaan V,
die vrij driftig van aard was, een gesprek had, waarin hij eenige
handelingen der Staten-Generaal te verdedigen had, over welke zich
de Koning beklaagde, en herhaaldelijk over "Zijn Meesters" sprak,
zeide de Koning, die warm geworden was: "Och wat! Uw Meesters zijn
schobbejakken."--"Verlangt Uwe Majesteit," vroeg de onderhandelaar zeer
bedaard, "dat ik deze hare verklaring opneme in mijn verslag aan Hun
Hoog Mogenden?"--"Ja wel," antwoordde Kristiaan, "gij kunt het hun uit
mijn naam vertellen." De Gevolmachtigde wachtte zich wel aan dien last
te voldoen, en, weinige dagen later, den Vorst in een kalmer
gemoedsstemming aantreffende, deed hij hem zijn bescheidenheid
waardeeren, en verkreeg van hem wat hij verlangde.
* * * * *
~Allegorie.~--Door allegorie verstaat men zoodanige voorstelling,
waarbij datgene, 't welk men den lezer of toeschouwer wil doen kennen,
't zij gebeurtenissen, 't zij de daden of hoedanigheden van personen,
door zinnebeelden wordt uitgedrukt. Een vereischte bij de allegorie is,
dat zij eenvoudig en voor ieder begrijpelijk zij; anders wordt zij een
raadsel, waarvan 't niemand lust de oplossing te zoeken. Stel dat een
ontwerper van een penning daarop moet uitdrukken, hoe de veldheer, ter
wiens eere die geslagen zal worden, tal van steden heeft ingenomen. Hij
vertoont het beeld der overwinning, die op een schild de namen van die
steden neder schrijft.
Van een dergelijke even vernuftige als duidelijke allegorie bediende
zich de Prins Julius van Condé, toen hij, in de galerij van Chantilly,
de geschiedenis van zijn vader, den grooten Condé, liet malen. Er deed
zich daarbij een zwarigheid voor. De beroemde held had, in zijn jeugd,
een tal van schitterende wapenfeiten volbracht, zooals, het ontzet van
Kamerijk, dat van Valencijn, den terugtocht van voor Atrecht--allen,
toen hij de wapenen voerde tegen zijn Koning en zijn Vaderland. Er niet
van te spreken ging niet: en ze voor te stellen was hatelijk. Wat
bedacht de Prins? Hij liet de Muze der Geschiedenis schilderen, die een
boek in de hand hield, op den rug waarvan geschreven stond: "Leven van
den Prins van Condé;" uit dat boek scheurde zij bladen, die zij wegwierp
en waarop men las: "Ontzet van Kamerijk; Ontzet van Valencijn," enz., in
een woord, al de groote daden, door Condé verricht gedurende zijn
verblijf in de Vlaamsche Gewesten: daden, waarbij alles hem tot eer had
gestrekt, behalve de sjerp die hij toen droeg.
* * * * *
~Babbelen~ en ~Zwijgen~.--Dr. D. V. had een dienstbode, die niet kon
nalaten al wat in huis voorviel, tot de onbeduidendste zaken toe,
terstond bij de buren te gaan vertellen. Onze goede Dokter kon geen
kippetje eten of geen glaasje bitter drinken, of de bakker op den hoek
was er van onderricht. Reeds had hij zijn dienstmaagd over haar
babbelzucht onderhouden, doch deze ontkende steeds de zegsvrouw te zijn,
die de geruchten verspreidde. Hij besloot, haar door een overtuigend
bewijs te beschamen en nam daarvoor het navolgende middel te baat.
"Mietje," zeide hij eens, dat zij hem zijn eten bracht, "indien je niet
zoo'n babbelaarster waart, zou ik je wat vertellen."--"Ik een
babbelaarster, Meneer!" riep de meid: "ik vertel nooit iets."--"Ja, dat
doe je anders wel."--"Neen, zoo zondig niet, Meneer!"--"Nu! hoor dan. Er
is mij voor vast gezeid, dat de vrouw van den bakker op den hoek van
haar man afgaat."--"Heere, Meneer! is 't mogelijk!... En waar zou dat
bij te pas komen?"--"Ja, dat weet ik niet, maar de zaak moet waar zijn,
maar vertel het niet verder, hoor."--"Wel neen, Meneer!" zei Mie; maar
pas was zij beneden of zij kon niet nalaten, het groote nieuws aan haar
kameraad mede te deelen, en toen: "daar mot ik het mijne van
hebben,"--en zoo naar de vrouw van den bakker toe. "Wel, vrouw! wat hoor
ik? Is het waar, dat je van je man afgaat?"--"Ik?" roept de
verontwaardigde bakkerin: "wie durft zoo iets van mij vertellen!"--"Wel,
ik heb het van onzen Meneer voor waar gehoord."--"Onmogelijk--"Neen,
waarempeltjes heit onze Meneer het mij gezeid."--"Wel! dat had ik nooit
van Meneer gedacht, dat die iemand zoo zou blameeren; maar dan zal ie
m'n ook zeggen, wie z'n zegsman is."--En de bakkerin loopt naar Dr. D.
V. "Wat is dat, Dokter, dat je van me vertelt," zegt zij, zoodra zij bij
hem is toegelaten: "dat ik van m'n man zou afgaan?"--"Wel, is het dan
niet waar?" vraagt de Arts, met een lachend gezicht."--"Wel waaratjes
niet," antwoordt de vrouw: "en ik begrijp niet, hoe uwees zoo iets van
me durft zeggen."--"Ik heb het toch niet mis," zegt de Dokter, "en je
zult het mij zelve toestemmen. Ben je dan nu niet van je man afgeloopen
om bij mij te komen?"--De bakkerin bleef met open mond staan; doch toen
Dr. D. V. haar verteld had, hoe de heele zaak maar een grap was, door
hem uitgedacht om de meid op de proef te stellen, had zij er zelve schik
in en ging lachende heen.--Maar hoe Mie op haar neus keek, toen zij
hoorde hoe zij beet was genomen, kan ieder begrijpen. Dat zij daarom in
't vervolg het babbelen naliet, zal ik niet beweeren.
Er was, verhaalt men, oudtijds te Ispahan een Akademie van geleerden,
die zulk een afkeer hadden van onnutte woordverspilling, dat zij zich
bijna nimmer dan door teekens en zinnebeelden uitdrukten. De leden dier
instelling, wier getal uit honderd bestond, hadden daarom den naam van
"Zwijgers" bekomen. Nu gebeurde het, dat er, in plaats van een
afgestorven lid, een nieuwe keuze gedaan moest worden, en dit had juist
plaats gehad, toen er een briefje in de vergadering werd binnengebracht
met deze woorden: "Doctor Zeb van Teflis beveelt zich beleefdelijk aan
voor de opengevallen plaats."--Groote neêrslachtigheid bij de leden. Dr.
Zeb stond bekend als een hoogst verdienstelijk man, en bovendien als een
zwijger bij uitnemendheid. Dat men ook niet aan hem gedacht had! Aan
hem, die meer dan iemand een zetel in hun midden waardig is! Maar men
was nu voltallig, en het reglement verbood het getal te overschrijden.
Intusschen, men moest dit aan Dr. Zeb, die in 't voorportaal op antwoord
wachtte, te kennen geven, en de Voorzitter belastte zich hiermede. Hij
liet den Sollicitant binnenkomen, en hield hem een beker voor, die
boordevol geschonken was; wat zooveel beteekenen moest als: "er kan
niets meer bij." Dr. Zeb begreep het symbool; doch van een bloemkrans,
die daar hing, een rozeblaadje plukkende, lei hij dat voorzichtig op het
vocht, dat in den beker vervat was--daarmede te kennen gevende, dat de
vergadering, schoon voltallig, nog zonder hinder een buitengewoon lid
kon opnemen. De aanwezigen konden zich niet weêrhouden met luid
handgeklap den wenk toe te juichen, die hun op zoo vernuftige wijze
gegeven werd: men stapte voor deze reis over 't reglement heen en nam
Zeb tot lid aan. Toen men hem het boek voorlei, waarin hij zijn
gehoorzaamheid aan de bepalingen door zijn handteekening moest
bevestigen, schreef hij achter zijn naam het cijfer 100--het getal
zijner kollegaas--en plaatste er een ~nul~ voor, wat te kennen wilde
geven: "de toevoeging van mijn persoon zal het cijfer laten zoo als 't
is;" doch de Voorzitter haastte zich die ~nul~ weg te schrappen en
achter het cijfer 100 te zetten, daarmede aanduidende, dat de Akademie,
door de toevoeging van Zeb, tienvoudig in waarde gewonnen had.
* * * * *
~Bijzaken.~--Wat voor den een, en soms te recht, een gewichtige zaak is,
is voor den ander een beuzeling, of dient als zoodanig te worden
aangemerkt. Zoo b. v. is het duidelijk, dat hoe meer een zanger in zijn
kunst uitmunt, hoe meer lof hij verdient; doch een staatsdienaar of een
veldheer zou bespot en misprezen worden, indien hij er zijn eer in
stelde, een volkomen zanger te zijn. Voor hem mag de zangkunst, zoo hij
er in bedreven is, niet anders dan een tijdverdrijf zijn, en hij moet
als een bijzaak of beuzeling achten wat de zanger van beroep als een
hoofdzaak beschouwt.
"Schaamt gij u niet," vroeg Filippus van Macedoniën aan zijn zoon
Alexander, nadat hij dezen op een gastmaal met de beste zangers had
hooren wedijveren, "schaamt gij u niet, zoo fraai te zingen?"--Maar 't
was aan dienzelfden Filippus, dat een muzikant, met wien hij twistte
over de toonkunst, had toegevoegd: "Mogen de Goden het verhoeden, o
Koning! dat gij ooit ongelukkig genoeg waart om u op die zaken beter te
verstaan dan ik."--Een koning moet kunnen antwoorden als Ifikrates het
deed aan den redenaar, die hem met smaadredenen overladen had als de
volgende: "Wie zijt gij om u dus te verheffen? zijt gij een behendig
boogschutter? een bekwaam strijder met zwaard of speer? een
verdienstelijk ruiter?"--"Niets van dat alles," zeide Ifikrates, "maar
de man, die in staat is aan die allen te bevelen."
* * * * *
~Diepte van gevoel.~--Psammetichus, Koning van Egypten, was door
Kambyzes, Koning van Persiën, overwonnen en gevangen genomen met al de
zijnen. Nu gebeurde het, dat hij zijn dochter zag, als slavin gekleed,
die uitgezonden werd om water te putten; en terwijl zijn medegevangenen
om hem heen bij zulk een schouwspel treurden en weeklaagden, bleef hij
zwijgend vóór zich zien. Hetzelfde deed hij, toen kort daarna zijn zoon
werd ter dood gebracht; eerst toen hij een zijner dienaars onder de tot
slavernij gedoemden zag wegbrengen, begon hij het hoofd te schudden en
rouw te bedrijven. En toen Kambyzes hem vroeg, hoe hij, bij 't aanzien
van het lot zijner kinderen onbewogen gebleven, dus schreide om dat eens
dienaars, antwoordde hij: "Alleen deze laatste smart kan door tranen
worden uitgedrukt; wat ik onder de beide vorige gevoel, kan door geen
uiterlijk betoon worden te kennen gegeven."
Van datzelfde gevoelen was ook de kunstenaar der Oudheid, die, toen hij
het offer van Ifigenia moest voorstellen en de droefheid der omstanders
af zou beelden naarmate van het grooter of minder belang, dat elk hunner
stelde in het lot dier onschuldige Prinses, niet beter wist te doen dan
een sluier te werpen over Agamemnons gelaat, als begreep hij, dat niets
in staat zou zijn, de gemoedsstemming eens vaders op zulk een oogenblik
naar eisch op 't wezen te vertoonen.
In den oorlog, die in de 16de eeuw tusschen Keizer Ferdinand en de
weduwe van Johannes, Koning van Hongarije gevoerd werd, was een Duitsch
krijgsknecht bij de bestorming van Bude gesneuveld, na de meest
treffende wapenfeiten te hebben verricht. De Heer van Reisach, een van
's Keizers bevelhebbers, was inzonderheid getroffen geworden over 's
mans kloeke daden en haastte zich, toen 't lijk teruggevoerd werd, er op
af te gaan om te zien, wie die dappere wezen mocht. Toen de helm was
afgenomen, herkende hij zijn zoon. Al de omstanders gevoelden zich bij
deze ontmoeting tot tranen toe bewogen; hij alleen bleef stokstijf, en
zonder dat een trek op zijn gelaat zich verroerde, op het lijk zijns
lievelings staren, totdat de smart zijn levensgeest verwonnen had en hij
hartsteek dood nederviel.
Over 't algemeen is niet alleen de diepe droefheid, maar ieder gevoel,
dat ons geheel vermeestert, buiten staat om zich met woorden of
uiterlijke teekenen lucht te geven. Maar daarom dan ook is die toestand
hoogst gevaarlijk en kan bij hem, die een groote vreugde smaakt, of bij
hem, wien een bittere ramp treft, plotselinge onmacht, ja den dood
veroorzaken. Een Romeinsche moeder stierf van blijdschap toen zij, na
den slag bij Cannae, haar zoon, dien zij gesneuveld waande, levend terug
zag: Sofokles en Dionysius de Oude stierven insgelijks van vreugd: en
zoo ook de Romeinsche Pretor Talva, toen hij in Korsika vernam welke eer
de Senaat besloten had hem te bewijzen. Paus Leo X was zoo in zijn schik
toen hij de inneming van Milaan vernam, waar hij zeer naar verlangd had,
dat hij er de koorts van kreeg, die hem ten grave sleepte.
En hoe zelfs verregaande spijt iemand kan doen sterven, wordt ons
bewezen door het voorbeeld van den redekunstenaar Diodorus, die zoo
overweldigd werd door een gevoel van schaamte, omdat hij bij een
openbare les niet in staat was geweest een bewijsgrond, dien men tegen
hem had aangevoerd, naar eisch te wederleggen, dat hij er een beroerte
van kreeg, aan welke hij overleed.
* * * * *
~Dieren.~--Is men den menschen rechtvaardigheid schuldig, men is
goedwilligheid schuldig aan de dieren, inzonderheid denzulken, aan wie
ons een band van wederkeerige verplichting hecht, en velen, die zich
Kristenen noemen, mogen zich schamen voor de Turken, die aalmoezen en
gasthuizen voor dieren over hebben.
De Romeinen hadden een bijzondere zorg voor de ganzen, door wie, volgens
de overlevering, het Kapitool behouden was gebleven.
De Atheners gelastten, dat de muilezels, die gediend hadden bij den
arbeid aan den tempel, Hecatompedom genaamd, voortaan vrij zouden wezen
en overal ongestoord mochten grazen.
Bij de Agrigentijners was het de gewoonte, de dieren, die hun lief
geweest waren, als, bij uitstek fraaie paarden, honden, vogels of andere
dieren, die zich door waakzaamheid, nut of trouw hadden onderscheiden,
ja zelfs, die alleen den huisgenooten tot een genoeglijk tijdverdrijf
hadden gestrekt, na hun dood op plechtige wijze te begraven, en de
weelderige pracht, die zij in alle dingen ten toon spreidden, blonk
evenzeer aan de gedenksteenen, die zij bij zulke gelegenheden oprichtten
en die nog eeuwen lang der stad tot cieraad geweest zijn.
Plutarchus maakte er een gewetensbezwaar van, een trek-os, die hem jaren
lang had dienst gedaan, om een klein voordeel aan den slachter te
verkoopen.
Een Syriër bezat een olifant, wiens oppasser aan 't arme dier dagelijks
de helft onthield van de gerst, die er voor bestemd werd. Eens gebeurde
't, dat de meester zelf aan den olifant zijn rantsoen kwam geven en dan
ook de volle maat gerst in de etenstrog uitstortte; waarop de olifant,
na zijn oppasser schuins te hebben aangezien, met zijn snuit de helft
van het hem toebedeelde afscheidde en ter zijde stelde, daarmede het
onrecht aan den dag brengende, dat hem gedaan werd.
Een ander olifant had een oppasser, die insgelijks zich te zijnen koste
verrijken wilde en een gedeelte van zijn rantsoen terughield, het
ontbrekende met steenen aanvullende. De olifant echter betaalde hem met
gelijke munt, want op een dag naderde hij het vuur, waar het middagmaal
bij gekookt werd, lichtte het deksel van den pot en vulde dezen met
asch.
Hyrkaw, de hond van Koning Lysimachus, wilde na diens dood het bed zijns
meesters niet verlaten en weigerde alle spijs en drank; toen het lijk
plechtig verbrand werd, liep hij het na, en wierp zich in de vlammen.
Een gelijke trouw bewezen de windhonden van Graaf Floris V van Holland,
die na dat hun meester door Velzen en zijn eedgenooten was omgebracht,
bij het lijk bleven, het verzelden naar Alkmaar, waar het begraven werd,
zich op de grafzerk nedervlijden en er den hongerdood stierven.
De geschiedenis levert meer dan één voorbeeld van honden, die den
moordenaar van hun meester aan den dag brachten. Koning Pyrrhus, een
hond ontmoetende, die bij het lijk van een verslagene de wacht hield, en
vernemende dat hij zulks reeds drie dagen gedaan had, gelastte dat men
het lichaam begraven zou en nam den hond met zich mede. Eenige dagen
later hield hij een groote wapenschouw, bij welke gelegenheid de hond,
zijns meesters moordenaars ontdekkende, plotseling op hen aanviel, met
hevig geblaf en groot betoon van woede, hierdoor het eerst leidende tot
een vermoeden, dat, door een nader onderzoek bevestigd, de straf der
schuldigen ten gevolge had.
Een hond, die de wacht had bij een tempel te Athene, een dief
bemerkende, die bij nacht de schatten daaruit roofde, blafte hem wel
aan, doch zonder dat de kerkbewaarder ontwaakte; waarom het dier besloot
den dief te volgen, 't geen hij echter niet dan op een afstand deed. Zoo
bleef hij hem bij tot aan de stad Kromyon, waar de kerkbewaarders, die,
én den schat én den hond missende, en vernomen hebbende dat men dezen
laatste onder weg gezien had, ook eerlang aankwamen, en nu den dief, hun
door het schrandere dier aangewezen, deden vatten en medevoerden. De
rechters, dezen dienst van den hond willende erkennen, gelastten dat hem
uit de openbare kassen jaarlijks een zekere hoeveelheid koren zou worden
verstrekt, en bevolen den priesters aan, zorg voor hem te dragen.
* * * * *
~Drift.~--Montaigne vertelt, hoe een zijner kennissen, die een martelaar
was van de jicht, en wien het gebruik van gerookt en gezouten vleesch
verboden was, weigerde dit na te laten en voor die weigering de
navolgende kluchtige reden gaf, namelijk, dat als hij hevige pijnen
leed, hij er iemand over moest kunnen doorhalen, en dat het hem
verlichting schonk, wanneer hij nu eens op den ham, dan op de worst, dan
weder op 't rookvleesch kon vloeken.
En inderdaad, even als wanneer onze arm is opgeheven om te treffen, het
ons een hinderlijk gevoel geeft als die niets dan ijdele lucht ontmoet,
even zoo heeft de ziel behoefte om, als deze of gene drift haar beroert,
een voorwerp te vinden, waaraan zij die kan koelen. Hieraan schrijft dan
ook Plutarchus het zwak toe, dat sommigen hebben voor schoothondjes,
apen of papegaaien: "Het beminnend beginsel," zegt hij, "dat in ons
leeft, geen wettig voorwerp vindende, waar 't zich aan hechten kan,
hecht zich aan dwaze en ijdele voorwerpen." En liever fopt de ziel, als
zij door drift geslingerd wordt, zich zelve door zich een versierd en
fantastisch beeld te scheppen, waar 't die drift op bot viert, dan dat
zij die op niets zou verspillen. Op gelijke wijze bijten de dieren in
den steen of in het ijzer, dat hen gekwetst heeft, of wreken zich op
zichzelven over de smart, die zij gevoelen.
Xerxes liet, toen hij een zeeslag verloren had, den Hellespont met
geesels slaan en zond een uitdaging aan den berg Athos. Cyrus hield zijn
leger verscheidene dagen op om zich op de rivier van Gyndus te wreken
over de vrees, die hem de overtocht daarvan veroorzaakt had. Keizer
Augustus, door een storm op zee overvallen, liet uit wraak het beeld van
den zeegod Neptunus van zijn plaats nemen. De Thraciërs plachten als 't
onweêrde, de wolken met pijlen te beschieten. Bij de Joden, en ook bij
andere oudere en nieuwere volkeren, trokken zij, die een verlies geleden
hadden, zich de haren uit het hoofd of krabden zich de borst open,
alsof hun dit het verlorene terug zou bezorgen.--Maar nog ziet men er
genoeg, die, als zij bij 't spel verloren hebben, of op anderen grond
verstoord zijn, zich de vuisten op de tafel aan bloed slaan, of zich de
nagels afbijten, of zich wreken op de kaarten of dobbelsteenen: en helpt
het middel niet om het geledene te herstellen, het heeft toch doorgaans
ten gevolge, dat zij er weder tot kalmte en bezinning door geraken.
* * * * *
~Dronkenschap.~--Toen men aan Cimber, die zich niet zelden aan drank te
buiten ging, de vraag stelde deel te nemen aan het eedgenootschap tegen
Cezar, en eenigen twijfel aan den dag legde met betrekking tot zijn
gevoelens te dien aanzien, antwoordde hij vrij kluchtig: "Zou ik een
dwingeland verdragen? ik kan naauwlijks den wijn verdragen."
Vooral in de vorige eeuwen gingen de Duitsche soldaten spreekwoordelijk
voor dronkaards door; doch dan konden toch de meer sobere Franschen niet
nalaten, met verbazing te erkennen, dat zij, in weêrwil van hun
dronkenschap, zich toch nimmer vergisten als 't hun kwartier, hun plaats
in 't gelid, het wachtwoord, enz., betrof--en, dat zij er niet te minder
om vochten.
Toen Artaxerxes en zijn broeder Cyrus naar den Persischen troon dongen,
voerde de eerste, onder andere verdiensten, welke hij boven zijn broeder
bezat, ook deze aan, dat hij vrij wat beter drinken kon dan Artaxerxes.
Sylvius, in de 16de eeuw een beroemd geneesheer te Parijs, placht te
zeggen, dat men over 't geheel een matigen leefregel houden moet, doch
zich eens in de maand een roes drinken, om de zenuwen der maag levendig
te houden en te voorkomen dat zij verdooven.
Omtrent hetzelfde voorschrift gaf Boerhave; doch reeds had Plato,
ofschoon verbiedende dat iemand vóór zijn 18de jaar wijn gebruikte of
zich vóór zijn 40ste een roes dronk, aan hen die de veertig te boven
waren, den raad gegeven, den wijngod met kracht te vieren.
* * * * *
~Eenvoudigheid van zeden.~--Men verhaalt, dat Attilius Regulus, die 't
Romeinsche leger in Afrika aanvoerde, te midden van zijn glorierijke
overwinningen, een brief aan den Senaat schreef, meldende dat de
bouwknecht, die 't bestuur had over de zeven morgen lands, welke hij
bezat en die al zijn rijkdom uitmaakten, was weggeloopen, al 't
bouwgereedschap met zich nemende, en dat hij nu verlof verzocht om t'
huis te keeren en orde op zijn zaken te stellen, eer zijn vrouw en
kinderen grooter schade leden. De Senaat verleende het verlof niet, doch
stelde iemand aan om den bouwknecht te vervangen, liet nieuw
bouwgereedschap op het landgoed brengen ter vervanging van het vermiste,
en gelastte dat de vrouw en kinderen van Regulus uit de openbare kas
zouden onderhouden worden.
* * * * *
~Etikette.~--Koningin Margaretha van Navarre stelde als algemeenen
regel, dat wie een gast bij zich verwachtte, moest zorgen bij diens
aankomst t' huis te zijn, en dat zelfs zij te misprijzen waren, die het
beleefder achtten een aanzienlijke personaadje, die hen bezoeken kwam,
te gemoet te gaan; want dan kon 't gebeuren, dat men elkander
misliep:--iets anders was het, zulk eenen uitgeleide te doen.
Evenzeer is het een vaste regel, dat op een samenkomst de minste in rang
zich het eerst ter plaatse bevinde.
Toch werd die regel dikwijls op andere wijze gesteld, waar 't Gekroonde
Hoofden gold. Toen in 1533, Paus Klemens VII een bijeenkomst te
Marseille zou houden met Frans I, kwam de Koning wel 't eerst aldaar aan
om de noodige toebereidselen te maken, doch verwijderde zich toen uit de
stad, ten einde den Paus gedurende een paar dagen gelegenheid te laten
om zich te ververschen en op zijn gemak te stellen. Evenzoo toen een
jaar te voren dezelfde Paus te Bononiën met Karel V bijeen zou komen,
kwam deze laatste eerst na hem in die plaats. En beide reizen verdedigde
men zijne handelwijze met te beweeren, dat de voornaamste personaadje
altijd ondersteld wordt de minderen bij zich te ontvangen, en dat het
niet den schijn moet hebben dat hij hen, wèl dat zij hem komen opzoeken.
Toen Paus Pius VII in Frankrijk kwam om Napoleon tot Keizer te wijden,
baarde de moeilijke vraag, hoe en waar hij ontvangen zou worden, niet
weinig stof tot gesprekken en gissingen aan 's Keizers hof, en al
hetgeen door de etikette voorheen was voorgeschreven en nagevolgd, werd
bij die gelegenheid opgehaald. Napoleon, die toen reeds besloten had,
niemand boven zich te erkennen, had reeds een middel gevonden, waar
niemand op bedacht was geweest en waardoor hij elk ceremoniëel bezwaar
voorkwam. Hij wist, op welk uur de Paus op zijn reis naar Parijs door 't
woud van Fontainebleau zou komen, en hij zorgde ter juister tijd den
grooten weg op en hem te gemoet te rijden. De postiljons van den Paus en
de kamerheer, die hem vergezelde, hadden hun instructiën; toen de twee
rijtuigen elkander tegenkwamen, hielden beiden stil, de portieren vlogen
open: Napoleon sprong zijn rijtuig uit, de Paus werd uit het zijne
geholpen, en de Keizer, zonder verdere plichtplegingen op den Kerkvoogd
toegetreden, omhelsde hem en wandelde een eind met hem voort.
* * * * *
~Gebrek aan onderzoek.~--Indien men, alvorens over de oorzaak van een
feit te redetwisten, zich verzekerde of het feit zelf waar was, zou men,
zegt Fontenelle, zich niet belachlijk maken door de oorzaak te vinden
van iets dat niet bestaat: en hij haalt, om aan zijn gezegde klem bij te
zetten, de navolgende vertelling aan. In 1593 liep het gerucht dat een
zevenjarig kind, in Sileziën, bij het wisselen zijner tandjes, een
gouden tand had gekregen. Horstius, professor in de geneeskunde aan de
Universiteit te Helmstad, schreef hierop in 1595 de geschiedenis van
dezen tand en beweerde, dat men hier deels aan een natuurspeling, deels
aan een mirakel te denken had, en dat die tand door God aan het kind
gezonden was om de Kristenen te troosten over hetgeen zij van de Turken
te lijden hadden. 't Was zeker een vreemde soort van troost en niet
minder vreemd het verband tusschen dien tand en den oorlog met de
Turken. In 't zelfde jaar, en opdat het den tand aan geen verslaggevers
ontbreken zou, schreef Rullandus er nogmaals de geschiedenis van. Twee
jaar later schreef een ander geleerde, Ingostenes, tegen het gevoelen,
dat Rullandus over den tand had geüit, en Rullandus gaf spoedig daarna
een heel fraai en geleerd tegenschrift uit. Een ander beroemd man,
Libavius, samelde alles bijeen wat over den tand gezegd was, en voegde
er zijn eigen meening bij.--Nu had men bij dit alles maar één ding
vergeten, namelijk te onderzoeken of de tand werkelijk van goud was. Een
goudsmid werd hiermede belast, en ziet, het kwam uit, dat de tand
eenvoudig met wat bladgoud was overdekt;--maar men schreef eerst boeken
en toen ging men den goudsmid halen.
* * * * *
~Geleerdheid.~--De beroemde Elias Annes Borger kreeg op zekeren dag zijn
turfschipper bij zich, die zijn verbazing uitdrukte, dat iemand zich zoo
aanhoudend kon bezig houden met op oude letters te turen. "Ja," zeide
Borger, "ieder heeft zoo zijn liefhebberij en zijn vak. Mij zou dat heen
en weêr trekken in een tjalk niet bevallen, en daar-en-tegen heb ik de
studie lief, en hoe moeielijker, hoe meer zij den geest prikkelt. Zoo
heb je hier een woord, waar ik al veertien dagen op zit te turen, zonder
dat ik het raden kan. Zie, 't is een Kaldeeuwsch woord, en stonden hier
nu drie puntjes, dan zou ik het terstond kunnen verklaren; doch er staan
er vier, en nu weet ik er niets van te maken."--De turfschipper bekeek
het handschrift, en wel met zoo veel aandacht, als ware hij een
professor in de Oostersche talen geweest. Op eenmaal riep hij uit: "dat
eene is geen punt, 't is een muggesch...je."--Borger keek nogmaals toe,
hield het handschrift vlak tegen 't licht, en erkende dat de
turfschipper gelijk had en de moeilijkheden in 't Kaldeeuwsch beter kon
ophelderen dan hij zelf.
* * * * *
~Genade en wreedheid.~--De meest gewone wijze, waarop men het hart
vermurwt van dengene, dien men beleedigd heeft en die de macht in
handen heeft om zich te wreken, is door smeeking en verootmoediging;
toch vindt men ook voorbeelden, dat onversaagde stoutheid tot een even
gelukkige uitkomst leidde. Bij gelegenheid, dat Eduard, Prins van
Wallis, dezelfde, die bij de Engelschen gewoonlijk onder den naam van
"de Zwarte Prins" bekend is, zijn zegevierende wapenen in Frankrijk
gevoerd en aldaar o. a. de provincie Guienne had veroverd, had hij zich
zwaar beleedigd gevoeld door de inwoners van Limoges en was daarom met
zijn krijgsmacht naar die stad getrokken, welke, na een hardnekkigen
tegenstand, voor zijn wapenen moest bukken. Ofschoon Eduard anders een
grootmoedig en menschlievend vorst was, schijnt hij deze reis
buitengewoon verbitterd te zijn geweest; althans hij gaf, naar het
toenmalige krijgsgebruik, de stad aan de woede zijner soldaten ten
prooi. Geen gejammer van vrouwen en kinderen, die zich voor zijn voeten
wierpen en genade smeekten, was in staat, hem te bewegen, en de moord
ging zijn gang, tot dat hij, altijd verder de stad binnentrekkende, drie
edellieden gewaar werd, die met ongeloofelijke stoutmoedigheid den
aandrang der Engelsche benden bleven trotseeren. Hun kloekheid boezemde
hem eerbied in: zijn gramschap week: hij gelastte dat men hen zou
sparen, en met hen al de overige ingezetenen.
Iets dergelijks wordt verhaald van Scander-Bey, den vermaarden Vorst der
Epiroten. Deze vervolgde met opgeheven sabel een soldaat, die zich
misgrepen had. Vruchteloos was 't of de arme drommel om genade riep;
zijn smeekingen schenen zijn vergramden meester slechts te meer in toorn
te ontsteken: eindelijk, geen uitkomst meer wetende, keert de
vluchteling zich om, trekt zijn zwaard en stelt zich in postuur om
weerstand te bieden. Die kloekheid perste Scander-Bey, die reuzekrachten
bezat en wien het geen moeite zou gekost hebben, zijn tegenstander met
één houw neder te vellen, een lach af; zijn drift was geweken en hij
schonk den man vergiffenis.
Een ander bewijs, dat stoutmoedigheid somtijds een beter uitwerking
heeft dan gedweeheid, levert de Thebaansche Geschiedenis. Epaminondas en
Pelopidas, de twee helden, aan wie Theben haar vrijheid dankte, hadden
in 't belang der stad hun bevelhebbersambt eenige dagen langer
waargenomen dan de wet veroorloofde, en waren deswegens in staat van
beschuldiging gesteld. Pelopidas, die onder het wicht dier beschuldiging
gebogen ging en 't volk door smeekingen trachtte te vermurwen, ontkwam
niet dan ter nauwernood een banvonnis. Epaminondas daar-en-tegen voerde
een hoogen toon, en, de groote daden ophalende, door hem verricht, voer
hij heftig tegen zijn beschuldigers uit en schilderde hunne
ondankbaarheid met zoo treffende kleuren, dat het volk niet eens verkoos
tot de stemming over te gaan, maar hem als in zegepraal naar zijn woning
terugvoerde.
Intusschen, wat bij den eenen ten goede werkt kan bij den anderen
zeer verkeerd werken. Pompejus schonk vergiffenis aan de Mamertijnen,
op wie hij zeer gebeten was, en zulks alleen uit eerbied voor de
grootmoedigheid van hun stadgenoot Zeno, die de algemeene schuld voor
zijne rekening wilde nemen en ootmoedig gebeden had, de straf voor allen
te dragen; terwijl de gastheer van Sylla, die in de stad Perusium een
dergelijk edelaardig deugdbetoon had gegeven, er niets bij won, noch
voor zich, noch voor de overigen.--Ook hangt er veel in dergelijke
gevallen van iemands gemoedsstemming af. Talrijk zijn de blijken van
edelmoedigheid, door Alexander den Groote gegeven. Men weet, hoe
welwillend en edel hij zich gedroeg jegens het gezin van den overwonnen
Darius; men weet, dat, toen hij aan den Indischen Vorst Porus gevraagd
had, hoe hij hem behandelen moest, en tot antwoord had bekomen: "als een
Koning," hij hem werkelijk een koninklijke behandeling heeft aangedaan.
En toch zag diezelfde Alexander met onverschillig oog de slachting aan,
op zijn last in Theben aangericht, waar ruim zes duizend strijdbare
mannen door 't zwaard vielen, die allen onverschrokken den dood
trotseerden, zonder dat hun moedig sterven in 't minst zijn hart kon
bewegen. Een geheelen dag duurde de moord, en het zwaard keerde niet in
de schede dan toen er geen droppel bloeds meer te vergieten viel en er
niets overbleven dan grijsaards, vrouwen en kinderen, die tot slavernij
gedoemd werden.
Nog gruwzamer was de behandeling, die hij Betis deed ondergaan. Deze had
de stad Gaza kloekmoedig tegen hem verdedigd, en, toen die toch
ingenomen werd, zich, ofschoon van de zijnen verlaten en met wonden en
bloed overdekt, nog tot het uiterste verweerd tegen de Macedonische
krijgsknechten. Eindelijk door hen overmand zijnde, werd hij voor
Alexander gebracht, die, wrevelig over den duren prijs, dien hem de
overwinning gekost had--hij zelf o. a. had twee wonden ontvangen--hem
toevoegde: "Betis, wees verzekerd, dat gij niet zult sterven op
zoodanige wijze als gij wel gewenscht hadt; maar al de kwellingen
verduren, die tegen een gevangene in 't werk gesteld kunnen
worden."--Kalm en zwijgend niet alleen, maar met trotsche houding en
blik hoorde Betis die bedreiging aan. "Heeft hij geen knie gebogen?"
vroeg Alexander, langs hoe meer vergramd: "is hem geen enkel woord van
deemoed ontvallen? Voorwaar, ik zal zijn stilzwijgendheid overwinnen, en
kan ik hem geen woord, dan zal ik hem voor 't minst een jammerklacht
afpersen." En meteen gelastte hij, dat men Betis de hielen zou
doorboren, en liet hij hem alzoo achter aan een kar gebonden, om de
wallen slepen, op gelijke wijze als dit met Hektor op bevel van Achilles
had plaats gehad.--Was het hier bloote navolgingszucht van Achilles, die
hem tot zulk een wreedheid dreef? of kon hij niet dulden, dat een ander
hem in onverschrokkenheid evenaarde?
* * * * *
~Gevatheid.~--Diagoras van Melos, die te Athenen de wijsbegeerte had
beoefend, was een verachter der Goden en had daarom den bijnaam gekregen
van "de Atheïst." Eens dat hij een tempel in Samothraciën bezocht, wees
hem de bewaarder een aantal _ex voto's_ en schilderijen, daarin
opgehangen door geredde schipbreukelingen. "Zult gij," vroeg de man, "nu
nog zeggen, dat de Goden zich de menschelijke zaken niet aantrekken? Gij
ziet, hoe velen door hun genadigen bijstand gered werden?"--"Jammer,"
antwoordde Diagoras, "dat men hier ook niet de afbeeldingen heeft van
hen, die de Goden hebben laten verdrinken: dat getal zou nog vrij wat
ruimer zijn geweest."
Een vader prees zijn zoon het heilzame aan van vroeg op te staan. "Er
was een man," zeide hij, "die, vroeg op den weg zijnde, aldaar een
goudbeurs vond."--"Maar, vader," zei de knaap: "de man, die de beurs
verloren had, was dan toch nog vroeger op geweest."
Een Spanjaard, door Zuid-Amerika reizende, ontmoette op een afgelegen
plaats een Indiaan, die, even als hij, te paard was gezeten. De
eerstgenoemde, wiens rijdier oud en kreupel was, den anderen op een
vluggen en wakkeren hengst gezeten ziende, stelde hem een ruil voor,
waar de Indiaan natuurlijk niet in verkoos te bewilligen. Maar de
Spanjaard, die goed gewapend was, dreigde hem dood te schieten, indien
hij niet toegaf, maakte zich meester van den hengst en liet zijn mageren
knol achter, waar de Indiaan nu op mocht zien voort te sukkelen. Deze
laatste volgt echter zijn spoor tot aan de naaste stad en klaagt hem
daar bij den rechter aan, die den Spanjaard met het paard voor hem
verschijnen doet. De Spanjaard ontkent den roof en beweert, dat het
paard hem toebehoort en hij het van jongs af heeft opgekweekt. Er was
geen bewijs van het tegendeel en de rechter was op het punt, den klager
in 't ongelijk te stellen, toen deze plotselings uitriep: "het paard
behoort aan mij en ik zal het bewijzen." Meteen doet hij zijn mantel af,
werpt dien over den kop van het paard, en zegt tot den rechter: "die man
heeft het paard opgekweekt: dus kan hij ook wel zeggen, aan welk oog het
blind is." De Spanjaard, geen aarzeling willende betoonen, antwoordt
terstond: "aan het rechter."--"Noch aan 't rechter, noch aan 't linker,"
zegt de Indiaan, terwijl hij den mantel weêr wegneemt. De rechter, door
een zoo vernuftig en krachtig bewijs overtuigd, wees hem het paard toe
en de Spanjaard kon beschaamd afdruipen.
* * * * *
~Gewoonte.~--Iemand vroeg aan een armen drommel, die bijna naakt langs
's heeren straten liep en er even vroolijk uitzag, ofschoon het vroor,
dat het kraakte, of hij geen hinder van de koude had. "Wel, mijn Heer,"
antwoordde de andere, "gij loopt wel met het aangezicht ontbloot; welnu!
ik ben geheel aangezicht."
Een Gaskonjer wandelde in een dunnen zijden rok heel bedaard den
Pont-Neuf te Parijs op en neder, schoon de thermometer onder nul stond.
De Koning, daar voorbij rijdende, en hem ziende, liet ophouden, en vroeg
hem hoe 't mogelijk was, dat hij niet van de koude leed. "Indien,"
antwoordde de Gaskonjer, "Uwe Majesteit hetzelfde deed als ik, zou zij
nimmer hinder gevoelen van de koude."--"En wat doet gij dan?" vroeg
wederom de Koning.--"Ik draag mijn geheele kleêrkas op mijn lijf,"
hervatte de Gaskonjer. De Koning lachte en liet den man het noodige geld
geven om zich een goede winterkleeding aan te schaffen.
Cezar was, volgens Suetonius, gewoon, welk weêr het was, blootshoofds en
meestal te voet aan 't hoofd zijner troepen te gaan.
* * * * *