De keizer, die niet sterven wilde, leefde met zijne doorboorde longen,
hijgende naar adem, nog twee dagen van louter energie.
En zóo waren de Lipariërs: de man, de moordenaar, gepakt in de opera,
was trots politie en wacht, tot een vormeloozen klomp vermoord door
ontevredenen zelve...
En zoo is het leven: de keizer van een groot rijk was te midden der
zijnen doorschoten door een dweper, en het leven ging voort... Het rijk
was even uitgebreid als vroeger: een rijk, natuurmooi, zuidelijk rijk;
hooge sneeuwbergen in het Noorden; middeneeuwsche en moderne steden,
die lagen in wijde gouvernementen; de rezidentie zelve, blank in hare
gouden najaarszon met zijn Imperiaal onder blauwe lucht, dicht aan
blauwe zee, waarom de kaden zich bogen....
En zoo is het leven der heerschers: de keizer was vermoord, eenvoudig
doodgeschoten, en de opperceremoniemeester had het druk, de
ceremoniemeesters waren het niet met elkaâr eens; de statie van eene
keizerlijke begrafenis bereidde zich in alle ingewikkeldheid voor; door
heel Europa ging de nahuivering der ontzetting; door alle couranten
gingen de telegrammen en lange artikelen...
Dat was alles om éen enkel schot van een dweper, een martelaar voor
volksrecht.
Keizerin Elizabeth staarde met open, wijde oogen op het noodlot, dat
gekomen was. Zóo had zij het zich nooit voorgesteld, dat het komen zoû,
zoo, zoo ruw, te midden van dat gala en naast hun vorstelijken gast.
Zoo langs háar heen, treffende alleen haren man en niet verpletterende
hen allen, in eens, geheel hunne keizerlijkheid! Gekomen was het, en...
nog vreesde zij, vreesde zij steeds door en nog meer dan vroeger: voor
haren zoon...! Het was haar of zij vroeger nóoit gevreesd had...
Het was de dag vóór de begrafenis van keizer Oscar, toen de hertogin
van Xara, de jonge keizerin nu, ongesteld werd, en de geneesheeren
verklaarden, dat zij zwanger was...
Het keizerslijk was reeds in hooge statie vervoerd naar Altara. Op St.
Ladislas zouden de Altariërs het op de katafalk tusschen duizenden
brandende kaarsen zien liggen met, aan de doode voeten, de
schitterinsigniën van het hoogste souvereinschap; daarna zoû het
vervoerd worden naar den keizerlijken grafkelder in den Dom...
Op dien dag gingen ook over Lipara, waarvan de blankheid zwart
schemerde onder rouw-decoratiën en zwarte vlaggen, de schoten van
Wenceslas-fort, dof bulderend zijn gelijkmatig, zwaar, eentonig
bombardement van uitvaart. Eenzaam, hoog, in de stad, die van schoten
daverde, stond, leêg, het Imperiaal met zijne somber strak neêrkijkende
karyatiden. De jonge keizer, Othomar XII, leidde te Altara den
plechtigen stoet. De keizerin-moeder was in het Kroonpaleis, bij de
jeugdige keizerin Valérie... Over hun glans, die schitterde,
schitterden nieuwe glansen op, in het leven, dat door was gegaan, dat
doorging...
De keizerinnen zaten bij elkaâr. Valérie hield Elizabeth zacht in hare
armen: met gelijke getelde tusschenpoozen bonsden de schoten van het
fort af, over het paleis...
Toen hief Elizabeth zich smartelijk op uit de armen harer schoondochter
en zacht orakelde hare stem:
—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn... Hij had zoo
gaarne een Graaf van Lycilië gezien...!
De schoten bonsden; de beide keizerinnen, in rouw, weenden, snikten.
En, na langen tijd voor het eerst,—zooals het na langen tijd geweest
ook was, bij Berengars dood—kwam nù geheel haar gemis, haar verdriet,
hare rampzaligheid, hare wanhoop over Elizabeth heen, en voelde zij,
dat zij dien keizer, aan wien zij als heel jonge prinses, nu
vier-en-twintig jaren geleden, was uitgehuwelijkt, zonder liefde, had
lief gekregen in die kwart-eeuw van meêleven op zijn hoog punt van
souverein...
Dien avond kwam Othomar terug, en alleen bij zijne vrouw, bij zijne
moeder, snikte hij met ze meê, de jonge keizer, dien niemand te Altara
in den Dom had zien weenen. Want keizerin Elizabeth had het nog éens
herhaald:
—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn...!
En toen had de keizer van Liparië zich niet meer kunnen betoomen! In
éen bliksemstraal, éen zigzag van ontzetting zag hij zijn
kroonprinsleven terug, dacht hij aan zijn aanstaanden zoon. Hoe zoû dit
noodlottige kind zijn? Eene herhaling van hem, van zijn geweifel, zijn
weemoed en zijne wanhoop?
En, met zijne niet te bedwingen snikken, snikte hij toen, in eens
overstelpt door de dreigende toekomst, zijne smart uit over zijn vader,
die geweest was en over zijn zoon, die komen zoû! snikte hij, het hoofd
in de armen zijner jonge keizerin, die, eensklaps bewust te moeten
troosten, was kalm geworden en kalm op hem neêrzag, nemende hun
majesteitsleven op hare schouders, als ware het maar een drukkend zware
mantel van purper en hermelijn, en niet meer, nemende het zoo
krachtiglijk op, omdat er in hare aderen vloeide als in de zijne: één
enkele druppel heilig gouden bloed, die eenig is in alle hunne gelijken
en die zijn zoû hun kracht op de aarde en hun recht voor God...