VI.

Aan Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid Eudoxie,

Aartshertogin van Oostenrijk, te Sigismundingen.

Altara, St. Ladislas. Mei 18...

Mijn lieve moeder!

Ik kan U niet zeggen welk een verdriet Uw brief mij deed: in Gods naam,

wind U zoo niet op en zeg niet zulke verschrikkelijke dingen. Het deed

ons ook innig veel leed, dat U niet bij onze kroning kon tegenwoordig

zijn en door Uwe rheumatische koortsen te Sigismundingen moest

achterblijven, maar waarom moet U, lieve moeder, die koortsen als een

straf van God beschouwen en waarom moet U het beschouwen als een straf

van God, dat U Uwe lievelingsilluzie niet zaagt gebeuren en niet

tegenwoordig kondt zijn in onzen ouden Dom, toen Othomar, gekroond door

den Primaat, zelve mij kroonde tot Keizerin van Liparië. U waart er

niet bij tegenwoordig, maar het is toch gebeurd: Uwe illuzie is toch

waarheid. En ik zeg U dit, zonder de minste bitterheid, o, geloof mij,

zonder de minste! Een straf, dat U mij dwong, tegen mijn zin...! U moet

wel ziek zijn, ziek naar lichaam en geest, arme moeder, om zoo te

kunnen schrijven: ik glimlach er een beetje om, ik herken U zoo niet

meer. En laat mijn glimlach getuigen, dat ik niet ongelukkig ben; o,

verre daarvan! Ons geluk is bijna nooit, wat wij ons voorstellen, dat

het zijn zal en wat wij betreuren, dat het niet wordt...

Als U mij zag, zoû U zien, dat ik niet ongelukkig was. Het is Mei, de

zon schijnt, de boogramen zijn open. Mijn blik ziet in de verte den

Zanthos als een breed en glinsterend vlak van water zich wegslingeren.

Dicht bij mijne schrijftafel staat Uw groote, mooie zilveren wieg en

tusschen de dichte kanten gordijnen heen zie ik mijn klein hertogje van

Xara sluimeren... Ik weet niet hoe ik het U schrijven moet; ik heb

mijne woorden zoo niet om U dat goed uit te drukken, maar wat ik voel,

met dat wijde perspektief van rivierland voor mij en dat kleine

kostbare kind naast mij, o, mama, dat is geen ongeluk! Het is een

gevoel, waarin zeker heel veel weemoed schuilt, maar meer sombers

schuilt er ook niet in. En waarom zoû het, trots dien weemoed,

eigenlijk zelfs geen geluk zijn. Ik ben jong, ik ben keizerin en ik zie

een leven voor mij! Om mij heen zie ik mijn land, zie ik mijn volk: ik

wil, dat het het volk van mijn hart, van mijne ziel worde, geheel en

al! Ik weet nog niet hoe, maar voor dat volk wil ik leven, wil ik samen

leven met Othomar. O, ik beken het U, hoe ik dat doen zal, weet ik nog

niet, maar ik zal het vinden, samen met hem! En als, ik heb een man en

een kind en een volk! een Keizer, een Kroonprins en een Rijk, heb ik

dan geen doel om te leven en als ik een levensdoel heb—en welk een

ontzaglijk levensdoel!—heb ik dan ook geen geluk? Is het geluk iets

anders dan een hoog, een edel levensdoel gevonden te hebben?

Ik zoû U zoo gaarne overtuigen. En als U mij hier zag, op ons stil St.

Ladislas, nu al de drukte der kroningsplechtigheden voorbij is, dan zoû

U mij gelooven. Othomar houdt van St. Ladislas en neemt zich voor hier

ieder jaar een maand in het voorjaar te komen. Dat mijn kind hier

geboren is, noemt men een goed voorteeken, want U kent het geloof der

Lipariërs, dat de kroonprins van hun land geboren wil zien worden te

St. Ladislas, onder de onmiddellijke hoede van den Schutsheilige.

Othomar echter is op dit oogenblik niet hier; hij is voor enkele dagen

te Lipara—U weet dit natuurlijk uit de couranten ...; tweemaal per dag

schrijft hij mij. Ik heb hem dit gevraagd, opdat ik geheel op de hoogte

blijve van zijn gemoedstoestand; die rampzaligheid van den moord op

zijn Vader, die twee dagen sterven van keizer Oscar! ze hebben Othomar

zoo hevig, hevig aangegrepen; mijn God, hoe U te schrijven in woorden

over die ontzetting! Hoe kan ik nog met hoop leven na al wat ik reeds

in mijn korte leven geleden heb en voor ontzetting om mij heen heb

gezien! En toch, toch is het zoo, want jeugd is zoo krachtig en ik, ik

ben sterk, ik mòet het zijn...

Ik heb hem bewonderd, mijn jonge keizer, in die ontzettende dagen, om

zijne uiterlijke kalmte, waardoor de stormvloed van alle zijne emotie’s

nooit heen brak, voor de oogen der wereld. Terug van de begrafenis, de

plechtigheid der Handteekening onder de Vijf Heilige Akten; de drukte

dadelijk der opeengestapelde staatszaken... Een maand daarna, de nieuwe

verkiezingen, de constitutioneele meerderheid in het Huis der Standen,

het ontslag der ministers... U zal dit alles gelezen hebben, in de

bladen. Daarop de geboorte van onzen zoon; daarna onze kroning, op het

oogenblik, dat Liparië in zijne fondamenten geschokt scheen! En nu,

Othomar te Lipara, om het nieuwe constitutioneele ministerie... Dan

graaf Myxila, die het niet eens is met Othomars moderne ideeën, die hem

zelfs vrij heftig heeft durven verwijten, dat hij zoo kort na den

gewelddadigen dood van zijn Vader reeds diens ideeën loslaat en die nu

verzocht heeft om zijn ontslag... Othomar zal Myxila nog pogen te

weêrhouden, maar begrijpt zelve, dat het onmogelijk zal wezen. En de

Grondwetsherziening in het verschiet met zoo vele ingrijpende

veranderingen; denkelijk met de instelling der Hoogere en Lagere

Staten, terwijl het Huis van Adel uiterlijk zal blijven bestaan, maar

niet meer zal zijn dan een raadgevend Eerelichaam. Concessies, als U

wil, maar Othomar heeft nu eenmaal geheel andere ideeën dan zijn Vader;

en zoo hij die concessies doet, doet hij ze zeker aan het verleden en

niet aan de toekomst en niet aan zichzelven...

Wreed is het leven, wreed in zijne verwisselingen en wreed zelfs in

zijne herbloeiïngen en voor ons vorsten is dit alles misschien het

wreedst, maar de wereld behoort aan wat komen zal...

Keizerin Elizabeth vertoeft nog hier; zij is in eens zoo oud geworden,

zoo grijs, en zeer dof en terneêrgeslagen en ze weet niet wat ze doen

zal: met hare eigen hofhouding blijven in het Imperiaal, hier blijven

op St. Ladislas, zich terugtrekken op Castel Xaveria... Al de

keizerlijke paleizen en kasteelen dwarrelen haar nu door haar arm

hoofd: hare eigen-bezittingen en de kroondomeinen; ze weet niet

waarheen ze wil: wij blijven er natuurlijk op aandringen, dat zij het

Imperiaal niet verlaat: het is er groot genoeg, dat zij er bijna haar

geheel eigen Militair en Civiel Huis behouden kan...

Dierbare moeder, ik schrijf U spoedig weêr: het dwarrelt mij nu te

veel; ik heb te veel aangeroerd; mijne vrouwehersenen kunnen dat alles

zoo nog niet logisch en ordelijk overdenken, neêrschrijven... En ik ben

nog maar zoo kort keizerin en ik ben niet ouder dan twee-en-twintig,

ook al voel ik me niet zoo jong meer... Deze brief is alleen een

haastig neêrgeschreven antwoord op Uw treurig zelfverwijt, dat ik U

hier, in naam van den Hemel, smeek geheel van U af te werpen. Nu ik U

dit schrijf, rijst de avond van mijn verlovingsdiner te Sigismundingen

mij opnieuw voor den geest. Wij waren zulke vreemde verloofden, Othomar

en ik. Ik vroeg hem—glimlach er om en ween er niet over, mama—of hij

iemand liefhad. Hij zei me van neen. Hij zei me zijn volk lief te

hebben en hij opende zijne armen, als wilde hij het omhelzen. Zijn

volk! De dageraad van een nieuw idee—oud zeker voor duizenden en eeuwen

oud, maar nieuw voor mij, als een nieuwe dag nieuw is—gloorde voor me

op, wierp licht over mijn duister leed, deed een weg voor mij uit

stralen...

Dien weg, mama, ik zie hem nu ieder en dag klaarder en klaarder stralen

voor mij uit, en ik wil hem volgen, met mijn man en kind, met mijn

Keizer en met mijn Kroonprins!

Mijn Kroonprins, die wakker wordt en om mij roept...

God geve mij kracht, mama.

Valérie.

Majesteit · 第 52 / 52 题