Daarbuiten was het Groote Opera plein, hel verlicht van veelarmige
monumentale lantarens, dadelijk donker-wriemelig geworden, vol van
menschenmassa; de geheele stad vloeide er te zamen langs alle straten;
de ontzetting trok er alles samen, als met magneet. Detachementen
huzaren gingen reeds door de stad, hielden het opgewonden volk in
bedwang; de hertog van Mena-Doni zag men als op alle punten tegelijk,
met zijne soldatenmacht neêrtrappende de revolutie, waar die uit alle
hoeken koppen omhoog scheen te willen steken. Boven was de lucht donker
als een frons. Het begon te regenen...
De mare ging, dat de keizer gestorven was. Het was niet waar. Togende
naar adem lag de vorst in den foyer van het opera-gebouw, te midden van
die ontzetting der zijnen, van zijn gevolg, van de toeschietende
doktoren... Hij mocht niet vervoerd worden, zeiden zij. Hij wilde het.
Hij wilde hier niet sterven. Hij wilde terug naar zijn Imperiaal. En
spannende de veeren van zijn energie, beval hij, richtte hij zich op,
het bloed gulpende uit zijne keel: Othomar en de adjudanten steunden
hem...
Buiten, op het plein, groeide de menschenmassa, steeg de ontzetting,
borrelde de opstand uit het zwart van die menschentrossen omhoog.
Telkens barstten gevechten uit tusschen troepen volk, dokwerkers, met
de wachten voor het gebouw, met de politie. De hofrijtuigen gingen,
leêg, geëscorteerd terug naar het paleis.
Andere rijtuigen, huurrijtuigen, poogden hier en daar door het volk
heen te komen: kurrassiers omringden ze, beschermden ze met geheven
sabel. Stroomen van vloekend gescheld spatterden tegen ze aan, tegen de
vaag doorschijnende glazen, waarachter lichte kleuren opvlakten,
vonkjes juweelen uitschoten. Angstige oogen van vrouwen keken er strak
schuin door, zonder bewegen.
In de couloirs, op de groote monumentale trap van het opera-gebouw
verdrong men zich, vocht men om er door te komen; toen zagen in eens
alle oogen groot-starend naar boven: de keizer ging er! bloedende,
hijgende naar adem, te midden der zijnen... Eene ontzetting staakte een
oogenblik het gedrang; toen drong men weêr door... Dames vluchtten er
tot achter de coulissen, vermengden er hare aristocratie met de bohême
der akteurs, der actrices, door elkaâr heen, verward, te midden van den
ontsteld gonzenden zwerm danseusen, priesteressen van Isis. Fooien
werden gegeven, gesmeekt werd om rijtuigen, om huurrijtuigen...
De hertogin van Yemena stond daar, met hare dochters; zij zagen uit
naar het rijtuig, dat zij reeds tienmalen besteld hadden... Een
tooneelknecht haalde onverschillig de schouders op: hij wist geen
rijtuig te halen.
—Ik wacht niet langer meer, zei de hertogin sidderend: de meisjes
klampten zich snikkend, dol zenuwachtig aan haar...
Zij verkreeg van eene actrice een lederen taschje; haastig deed zij
hare juweelen af, beval de meisjes het zelfde te doen. Ze deden ze in
het taschje. Een kamenier verzocht ze, voor een goudstuk, hare slepen
op te spelden, hoog op, verzocht ze haar zwarte schoenen te vinden.
Andere dames, half flauw van angst, wachtende, zagen naar haar, zagen
haar zoo, vreemd, praktisch. Ze wist van een paar choristen drie lange
zwarte mantels te koopen, met drie zwarte hoeden, sloeg zich een mantel
om, sloeg ze de snikkende markiezinnetjes om.
—Ik durf niet, mama! snikte Eleonore uit.
De hertogin was beslist.
—Kom, ga meê... drong ze aan, en ze dreef de meisjes voort; de andere
dames zagen haar ontsteld na, door een achterdeur verdwijnen, in een
achterstraat...
De hertogin drukte het taschje met juweelen tegen zich.
——In Gods naam, huil niet; wees kalm, gebood ze hare dochters. Loop
kalm door en niet te gauw. Hoû die mantels goed dicht.
Zij ging, richtte zich hoog op tusschen de twee bevende
markiezinnetjes, in de kleêren van die choristen; de regen viel neêr.
Volkshoopen liepen tegen ze aan; ze vermengden zich met ze; een
oogenblik was ze Hélène kwijt...
—Wacht even! sprak ze tot Eleonore.
En ze bleven staan, tusschen het dringende volk; troepen hotsten aan,
socialistische juichzangen joedelden ruw op...
Toen ging zij met Eleonore terug, dringende, duwende, gevende Hélène
gelegenheid haar weêr te bereiken...
—Geef me nu allebei een arm: hier...
Zij deden het; zoo, schijnbaar kalm, langzaam, langzaam aan, alsof zij
nieuwsgierigen waren, die ook wilden kijken, naderden zij het
opera-plein, waarop het wriemelde tegen de wachten aan. Rijtuigen
passeerden, stapvoets, geëscorteerd. Een oude, slechte huurkast, met
een mageren knol, wentelde een modderig wiel vlak tegen haar aan,
schuurde tegen hare knieën; een kurassier van het escorte hief de sabel
dreigend tegen haar op...
—Mijn God! riep ze, gedempt en klemde de kinderen. Het eerst had zij
herkend den koetsier, in een vuilen jas: een palfrenier van het
Imperiaal, wiens gezicht ze zich herinnerde. Toen, met een snellen blik
in het rijtuig, herkende zij—juist vlak bij eene groote lantaren met
vele ornamentieke armen—den keizer tegen Othomar aan, en haar eigen
stiefzoon, Xardi. Maar de markies herkende haar niet, want, verschrikt
om het vele licht, wendde hij zijn gezicht snel af, boog hij zich,
donker, beschermend, over den keizer en den kroonprins...
De meisjes hadden niets gezien; de hertogin zeide niets, bang te
verraden... Ze voelde geheel hare moedige kalmte haar ontzinken; ze
sidderde van het hoofd tot de voeten. Tranen kon zij niet weêrhouden,
om haren armen keizer, die stierf, die zoo terug ging naar zijn paleis.
Eene groote, zwarte angst viel over haar heen. De regen sijpelde over
hare borst...
—Hoû je mantels dicht! vermaande ze nog even hare dochters; toen ging
ze voort, sleepte zich voort en de meisjes ook, knikkende op hare
beenen naast haar...
Maar eene woede van menschen dwarrelde over het opera-plein; een strijd
scheen daar te heerschen... Een klomp volk, die omsingelde een hoop
politie-agenten en soldaten, tusschen wie een krankzinnige zich wrong
met sterke gebaren; een ruw geschreeuw galmde op. Aan de verlichte,
open ramen der opera, boven de nog feestelijk hel verlichte peristyle
verschenen gezichten bij gezichten, akteurs in kostuum nog, zagen ze
toe...
—Mama, we zullen nooit kunnen doorgaan! snikte Eleonore zacht.
De hertogin dacht in wanhoop aan de groote Keizerinnen avenue, waar
haar hôtel was. Zoo ver... hoe zoû ze bereiken...
—Ze vermoorden hem, ze vermoorden hem, ze mógen hem niet vermoorden!
blèrde het volk rondom haar op.
Toen begreep de hertogin, toen zag ze, en de meisjes zagen ook... het
volk, woedend, schuimbekkend—wraaknemers al, maar eerst ontevredenen,
zelfs misschien anarchisten: zoo waren de Lipariërs!—het volk,
dringende tegen de soldaten en agenten, in wier midden de moordenaar
van den keizer zijne groote, krankzinnige gebaren nog poogde uit te
slaan. En de wraaknemers bestormden dien kring van
gevangenbewaarders—ze sleepten den man voort... Het was tot vlak onder
de oogen van de hertogin, van hare dochters...
—Oah, oah, oah! brulden ze rauw, mannen en wijven; ze trokken hem de
kleeren van het lijf, sloegen hem, en hij schreeuwde tegen. Op den
grond sloegen zij hem neêr met knuppels en zij vertrapten hem met grove
schoenen; zijn bloed vloeide; zijne hersens stroomden uit zijn
verpletterden schedel...
Als beesten werden zij toen, omdat ze zijn bloed zagen: grinnikten en
slikten van pleizier...
Eleonore knakte flauw tegen de hertogin, maar Alexa schudde haar bij
den arm...
—Hoû je op, hoû je op, in Gods naam, hoû je op!! riep zij luid. Ik kan
niets met je doen, als je flauw valt!
Hare sterke handen stompelden het markiezinnetje tot het leven terug,
en woest voort sleepte zij ze, knikkende...