IV.

Daarbuiten was het Groote Opera plein, hel verlicht van veelarmige

monumentale lantarens, dadelijk donker-wriemelig geworden, vol van

menschenmassa; de geheele stad vloeide er te zamen langs alle straten;

de ontzetting trok er alles samen, als met magneet. Detachementen

huzaren gingen reeds door de stad, hielden het opgewonden volk in

bedwang; de hertog van Mena-Doni zag men als op alle punten tegelijk,

met zijne soldatenmacht neêrtrappende de revolutie, waar die uit alle

hoeken koppen omhoog scheen te willen steken. Boven was de lucht donker

als een frons. Het begon te regenen...

De mare ging, dat de keizer gestorven was. Het was niet waar. Togende

naar adem lag de vorst in den foyer van het opera-gebouw, te midden van

die ontzetting der zijnen, van zijn gevolg, van de toeschietende

doktoren... Hij mocht niet vervoerd worden, zeiden zij. Hij wilde het.

Hij wilde hier niet sterven. Hij wilde terug naar zijn Imperiaal. En

spannende de veeren van zijn energie, beval hij, richtte hij zich op,

het bloed gulpende uit zijne keel: Othomar en de adjudanten steunden

hem...

Buiten, op het plein, groeide de menschenmassa, steeg de ontzetting,

borrelde de opstand uit het zwart van die menschentrossen omhoog.

Telkens barstten gevechten uit tusschen troepen volk, dokwerkers, met

de wachten voor het gebouw, met de politie. De hofrijtuigen gingen,

leêg, geëscorteerd terug naar het paleis.

Andere rijtuigen, huurrijtuigen, poogden hier en daar door het volk

heen te komen: kurrassiers omringden ze, beschermden ze met geheven

sabel. Stroomen van vloekend gescheld spatterden tegen ze aan, tegen de

vaag doorschijnende glazen, waarachter lichte kleuren opvlakten,

vonkjes juweelen uitschoten. Angstige oogen van vrouwen keken er strak

schuin door, zonder bewegen.

In de couloirs, op de groote monumentale trap van het opera-gebouw

verdrong men zich, vocht men om er door te komen; toen zagen in eens

alle oogen groot-starend naar boven: de keizer ging er! bloedende,

hijgende naar adem, te midden der zijnen... Eene ontzetting staakte een

oogenblik het gedrang; toen drong men weêr door... Dames vluchtten er

tot achter de coulissen, vermengden er hare aristocratie met de bohême

der akteurs, der actrices, door elkaâr heen, verward, te midden van den

ontsteld gonzenden zwerm danseusen, priesteressen van Isis. Fooien

werden gegeven, gesmeekt werd om rijtuigen, om huurrijtuigen...

De hertogin van Yemena stond daar, met hare dochters; zij zagen uit

naar het rijtuig, dat zij reeds tienmalen besteld hadden... Een

tooneelknecht haalde onverschillig de schouders op: hij wist geen

rijtuig te halen.

—Ik wacht niet langer meer, zei de hertogin sidderend: de meisjes

klampten zich snikkend, dol zenuwachtig aan haar...

Zij verkreeg van eene actrice een lederen taschje; haastig deed zij

hare juweelen af, beval de meisjes het zelfde te doen. Ze deden ze in

het taschje. Een kamenier verzocht ze, voor een goudstuk, hare slepen

op te spelden, hoog op, verzocht ze haar zwarte schoenen te vinden.

Andere dames, half flauw van angst, wachtende, zagen naar haar, zagen

haar zoo, vreemd, praktisch. Ze wist van een paar choristen drie lange

zwarte mantels te koopen, met drie zwarte hoeden, sloeg zich een mantel

om, sloeg ze de snikkende markiezinnetjes om.

—Ik durf niet, mama! snikte Eleonore uit.

De hertogin was beslist.

—Kom, ga meê... drong ze aan, en ze dreef de meisjes voort; de andere

dames zagen haar ontsteld na, door een achterdeur verdwijnen, in een

achterstraat...

De hertogin drukte het taschje met juweelen tegen zich.

——In Gods naam, huil niet; wees kalm, gebood ze hare dochters. Loop

kalm door en niet te gauw. Hoû die mantels goed dicht.

Zij ging, richtte zich hoog op tusschen de twee bevende

markiezinnetjes, in de kleêren van die choristen; de regen viel neêr.

Volkshoopen liepen tegen ze aan; ze vermengden zich met ze; een

oogenblik was ze Hélène kwijt...

—Wacht even! sprak ze tot Eleonore.

En ze bleven staan, tusschen het dringende volk; troepen hotsten aan,

socialistische juichzangen joedelden ruw op...

Toen ging zij met Eleonore terug, dringende, duwende, gevende Hélène

gelegenheid haar weêr te bereiken...

—Geef me nu allebei een arm: hier...

Zij deden het; zoo, schijnbaar kalm, langzaam, langzaam aan, alsof zij

nieuwsgierigen waren, die ook wilden kijken, naderden zij het

opera-plein, waarop het wriemelde tegen de wachten aan. Rijtuigen

passeerden, stapvoets, geëscorteerd. Een oude, slechte huurkast, met

een mageren knol, wentelde een modderig wiel vlak tegen haar aan,

schuurde tegen hare knieën; een kurassier van het escorte hief de sabel

dreigend tegen haar op...

—Mijn God! riep ze, gedempt en klemde de kinderen. Het eerst had zij

herkend den koetsier, in een vuilen jas: een palfrenier van het

Imperiaal, wiens gezicht ze zich herinnerde. Toen, met een snellen blik

in het rijtuig, herkende zij—juist vlak bij eene groote lantaren met

vele ornamentieke armen—den keizer tegen Othomar aan, en haar eigen

stiefzoon, Xardi. Maar de markies herkende haar niet, want, verschrikt

om het vele licht, wendde hij zijn gezicht snel af, boog hij zich,

donker, beschermend, over den keizer en den kroonprins...

De meisjes hadden niets gezien; de hertogin zeide niets, bang te

verraden... Ze voelde geheel hare moedige kalmte haar ontzinken; ze

sidderde van het hoofd tot de voeten. Tranen kon zij niet weêrhouden,

om haren armen keizer, die stierf, die zoo terug ging naar zijn paleis.

Eene groote, zwarte angst viel over haar heen. De regen sijpelde over

hare borst...

—Hoû je mantels dicht! vermaande ze nog even hare dochters; toen ging

ze voort, sleepte zich voort en de meisjes ook, knikkende op hare

beenen naast haar...

Maar eene woede van menschen dwarrelde over het opera-plein; een strijd

scheen daar te heerschen... Een klomp volk, die omsingelde een hoop

politie-agenten en soldaten, tusschen wie een krankzinnige zich wrong

met sterke gebaren; een ruw geschreeuw galmde op. Aan de verlichte,

open ramen der opera, boven de nog feestelijk hel verlichte peristyle

verschenen gezichten bij gezichten, akteurs in kostuum nog, zagen ze

toe...

—Mama, we zullen nooit kunnen doorgaan! snikte Eleonore zacht.

De hertogin dacht in wanhoop aan de groote Keizerinnen avenue, waar

haar hôtel was. Zoo ver... hoe zoû ze bereiken...

—Ze vermoorden hem, ze vermoorden hem, ze mógen hem niet vermoorden!

blèrde het volk rondom haar op.

Toen begreep de hertogin, toen zag ze, en de meisjes zagen ook... het

volk, woedend, schuimbekkend—wraaknemers al, maar eerst ontevredenen,

zelfs misschien anarchisten: zoo waren de Lipariërs!—het volk,

dringende tegen de soldaten en agenten, in wier midden de moordenaar

van den keizer zijne groote, krankzinnige gebaren nog poogde uit te

slaan. En de wraaknemers bestormden dien kring van

gevangenbewaarders—ze sleepten den man voort... Het was tot vlak onder

de oogen van de hertogin, van hare dochters...

—Oah, oah, oah! brulden ze rauw, mannen en wijven; ze trokken hem de

kleeren van het lijf, sloegen hem, en hij schreeuwde tegen. Op den

grond sloegen zij hem neêr met knuppels en zij vertrapten hem met grove

schoenen; zijn bloed vloeide; zijne hersens stroomden uit zijn

verpletterden schedel...

Als beesten werden zij toen, omdat ze zijn bloed zagen: grinnikten en

slikten van pleizier...

Eleonore knakte flauw tegen de hertogin, maar Alexa schudde haar bij

den arm...

—Hoû je op, hoû je op, in Gods naam, hoû je op!! riep zij luid. Ik kan

niets met je doen, als je flauw valt!

Hare sterke handen stompelden het markiezinnetje tot het leven terug,

en woest voort sleepte zij ze, knikkende...

Majesteit · 第 50 / 52 题