Het was maanden na het huwelijk van den hertog van Xara, toen keizer
Oscar, des morgens zeer vroeg in zijn kabinet binnenkomend, en zich
begevend naar zijne schrijftafel, getroffen werd door een stuk
bordpapier met groote, zwarte, opgeplakte letters, dat op den grond lag
bij het raam. Hij raapte het niet op; hoewel hij alleen was, verbleekte
hij niet, maar zwollen wel op zijn laag voorhoofd de dikke aderen van
woede over het feit, dat hij zelfs niet in zijn eigen kabinet vrij was,
voor hunne majesteitschennis. Hij belde en ontbood zijn kamerdienaar,
een vertrouwd man.
—Raap dat ding op! beval hij, en brieschend in stilte:
—Hoe komt het hier?
De kamerdienaar verbleekte. Hij las de dreigende scheldwoorden met
groote, vette letters reeds van den grond af, bukte zich en hield
sidderend het plakkaat in de hand.
—Hoe komt het hier? herhaalde de keizer, stampvoetend.
De kamerdienaar zwoer, dat hij niets wist. In den morgen had niemand
toegang tot het kabinet, dan hijzelve; een half uur geleden was hij er
binnengekomen om er de ramen te openen en toen had hij nog niets
gezien.
—Het kan niet anders, Sire, of er is iemand in het park geslopen: het
moet door het raam heen geslingerd zijn...
Het was zeker de eenigste verklaring, maar het was eene verklaring, die
den keizer zeer irriteerde. Het was niet de eerste maal, dat de keizer
in de intimiteit van zijn kabinet zulke plakkaten vond. Het gevolg was
geweest, dat er in het Imperiaal plotselinge arrestatiën plaats grepen
van bedienden, van soldaten der verschillende wachten, maar deze
arrestatiën en zoekingen hadden niets aan het licht gebracht, en
maakten daarom een des te pijnlijkeren indruk. De wachten van het
paleis, de wachten aan de vergulde grilles van het park, waar dit samen
groeide met de Elizabeth-parken—de publieke tuinen der rezidentie—waren
reeds vermeerderd: geheime politie, de eigen politie van den keizer,
hield zelfs een scherp oog op die wachten zelve.
Keizer Oscar was den kamerdienaar strak blijven aanzien; een oogenblik
rees de gedachte in hem dezen man zelven te laten onderzoeken, maar hij
begreep dadelijk daarna: het dwaze van dien achterdocht; de man was
jaren en jaren in zijn persoonlijken dienst, geheel aan hem verknocht
en bleef dan ook Oscars langen blik beantwoorden met den kalmen eerbied
zijner oogen, zichtbaar nadenkend over de onoplosbaarheid van het
vreemde raadsel.
—Verbrand dat ding, beval de keizer: en praat er niet over.
Oscar had daarna een lang onderhoud met den chef zijner geheime
politie, over wien hij in den laatsten tijd niet anders dan tevreden
kon zijn: geheime drukkerijen van anarchistische bladen, die telkens
verspreid werden, waren opgespoord; een komplot om den keizerlijken
trein van het zomerpaleis in Xara, Castel Xaveria, naar Liparia, in de
lucht te laten springen, was verijdeld; verdenking van in verband te
staan met anarchistische comité’s was gevallen op een ambtenaar aan een
der ministeries en zelfs op een jong officier en het was gebleken, dat
deze verdenkingen juist waren. Nog onlangs was een werkplaats ontdekt,
waar men leerde hoe dynamietbommen en helsche machines te maken. Maar
wie de brutale onverlaten waren, die hunne dreigbrieven tot in het
keizerlijke kabinet wisten binnen te slingeren, was maar niet kunnen
worden ontdekt. Eene week lang waren van uit het park de vensters van
het kabinet bespied en al dien tijd had men niets gezien; het was nu
een paar dagen geleden, dat deze geheime wacht was opgeheven. De chef
der geheime politie meende zeker te zijn, dat de schuldigen scholen in
het Imperiaal zelve en bekend waren met de intime gewoonten van den
keizer. In stilte werden plotselinge huiszoekingen gedaan bij alle
bedienden van het Imperiaal, waarvan men niet geheel zeker was, en toen
men bij een palfrenier een anarchistisch blaadje, waarin voor den
keizer beleedigende woorden stonden, gevonden had, werd deze man
verbannen naar eene der dwangafdeelingen der kwikzilvermijnen van het
Oosten. Deze verbanning was als het begin van tallooze andere
verbanningen; ze volgden elkander slag op slag op; het waren soldaten,
matrozen, vele kleinere ambtenaren der departementen: de couranten
noemden niet eens alle verbanningen meer op. Strenger werd de censuur;
telkens werden dagbladen opgeheven; redacteurs beboet en gestraft; de
imperialistische bladen, organen van graaf Myxila, gaven, bijna
tyranniek, den toon aan, dien men wilde. Een meeting van socialisten
werd met sabelslagen der huzaren uit elkaâr gedreven; hevige
ongeregeldheden volgden daarop in de rezidentie en ze wonnen de andere
groote steden, Thracyna, Xara, zelfs Altara. Eene grève der dokwerkers
vervulde Lipara weken lang met een stijgende onrust; politie-agenten
werden op klaarlichten dag aan de haven wreedaardig vermoord.
De hertog van Mena-Doni was in deze dagen de rechtervuist van keizer
Oscar en zijne ruwe krachtsuitoefeningen hielden de rezidentie zooverre
in bedwang, dat geen oproer uitbrak, dat het iederen-daagsche leven van
zonnelachende weelde voortging, dat iederen middag om vijf uur de
elegante equipages naar de Elizabethparken bleven voortstroomen, waar
de keizerin of de hertogin van Xara zich zelfs iederen dag een
oogenblik vertoonden. Maar op dit schijnsel van zorgeloosheid waren in
stilte duizenden oogen van bescherming geslagen; de troepen in de
kazernen waren geconsigneerd: glansende escortes van kurassiers
begeleidden de keizerlijke landauers.
De keizerin had Othomar ook verzocht zijne eenzame morgenritten te
staken en zich nooit te vertoonen dan met gevolg. De hertog en de
hertogin van Xara bewoonden het kroonpaleis, een betrekkelijk nieuw
gebouw aan de kade, waar zij een uitgebreide hofhouding hielden en ook
in dit paleis van zijn zoon liet de keizer huiszoekingen doen, kwam het
aan het licht, dat er anarchisten scholen onder het personeel.
Dit verraad, tot in hunne paleizen toe, bracht de keizerin in eene
voortdurende siddering van angst: zij leefde deze dagen een voortdurend
leven van angst, zoo ze zonder den keizer was. Want zij was het minst
angstig, als ze zich naast Oscar vertoonde, op tentoonstellingen, bij
plechtigheden, in de opera, en, het was vreemd: dan dacht zij niet aan
hemzelven, maar, zoo ze niet bij haar waren, aan hare kinderen, alsof
de catastrofe niet anders gebeuren zoû, dan op eene plaats, waar
zijzelve zich niet zoû bevinden.
De keizerin zag in Othomar zoo zeer haar eigen zoon, dat, in hunne
intime ochtendgesprekken—want de kroonprins kwam nog altijd iederen
morgen een oogenblik bij zijne moeder—het haar bevreemdde in hem niet
haar eigen angst terug te vinden, maar wel geheel haar eigen berusting,
die er de weêrzijde van was. Maar geheel na zijn huwelijk, vond zij hem
veranderd; in deze korte oogenblikken van alleen-samen-zijn niet meer
klagend, weifelend, zoekend, maar kalm sprekende over wat hij doen
moest, vol van eene blijkbare harmonie, die rustige zekerheid gaf aan
zijne woorden, zijne gebaren en zelfs aan zijne handelingen. Bij deze
zekerheid behield hij eene stil waardige bescheidenheid: drong hij niet
hoog op, wat van hem was; bleef hij bezitten dat ontvankelijke voor wat
van andere menschen komt, en dat hem steeds in zoo hooge mate
sympathiek gekenmerkt had. Hij was zeker oud voor zijn jonge jaren; wie
niet wist, zoû hem meer dan zijne drie-en-twintig gegeven hebben, nu
hij om zijne wangen ook zijne kroesbaard nog staan liet... En toch,
toch welden vooral in deze dagen van troebel zijne vroegere angsten
dikwijls bij hem op, kon hij minuten lang alleen zitten, starende op
een vaag punt in zijne kamer, luisterende naar het ruischen van de
toekomst, als hij geluisterd had in dien nacht van spooksel zijner
voorvaderen op Castel Vaza, voelende dat, ineens, geheel zijne nieuwe
levensberusting van hem afgleed als een kleed, dat viel van zijne
schouders. Maar hij had zich zoo weten te beheerschen, dat niemand,
zijn vader niet, zijne moeder niet, de kroonprinses zelfs niet, iets
merkte van deze zielezwijming, die hem ijskoud in zijne korte
eenzaamheden achterliet, twijfelend aan zijn recht, vol vreemd, week
erbarmen voor zijn volk...
Het was geheel de oude ziekte, die zoo, periodiek, in hem
terugborrelde, als een slecht sap, zijne aderen doorvloeide, zijne
zenuwen verslapte, hem in elkaâr knakte, als zoû hij er nooit meer van
genezen. Maar hij wende aan ze, gevoelde er geene wanhoop meer om, wist
zelfs, gedurende de oogenblikken, dàt de ziekte duurde, dat ze niet
duren zoû en vond in zichzelven er na terug zijne harmonie, die vooral
zijne berusting was.
Het was in deze dagen van stille gisting, dat er sprake kwam van een
huwelijk der prinses Thera met den prins van Napels; er was echter nog
niets beslist tusschen de beide familiën, maar wel was de jonge prins
te Lipara genoodigd om de groote najaarsmanoeuvres bij te wonen. Er
hadden jachten plaats; verschillende feestelijkheden volgden elkander
op. Othomar had vooral in deze dagen meer dan anders met die
plotselinge zwakten te kampen; een vreemd gevoel, eene huivering, een
geheimzinnige angst, bleef hem bij en verliet hem niet meer: angst,
dien hij niet dorst analyzeeren, uit vrees motieven te vinden, welke
hem gehéel zijne kalmte zouden doen verliezen. In hem verlevendigde
zich de herinnering aan het feit, dat hij kort na zijn huwelijk een
droom had gedroomd, ongeveer gelijk aan zijn vorige droom: de sinistere
rezidentie zich zwart vullende met krip... Het was nog geweest, terwijl
hij met zijne jonge vrouw te Castel Zanthos verbleef en hij had er niet
aan gehecht, omdat hij meende, dat deze tweede droom alleen de
afschaduwing geweest was van den vorige, alleen de herinnering aan wat
reeds gebeurd was en niet meer. Maar nu, in deze dagen van feestdrukte
om den prins, die hun hof bezocht, met het gisten van
volks-ontevredenheid, als een troebel, donker element onder de opperste
brille van al hun keizerlijk vertoon, verlevendigde zich de herinnering
er aan, en trokken de angsten en huiveringen er om steeds duidelijker
en duidelijker ommelijnen in zijne verbeelding, en gevoelde hij, op éen
oogenblik, zoo geheel zijne vroegere nerveuze zwakte over hem heen
komen, dat hij, onder een voorwendsel, professor Barzia uit Altara
ontbood en met den geleerde een lang onderhoud had, waarover hij zelfs
met de hertogin van Xara niet sprak. Toen de professor vertrokken was,
voelde Othomar zich verlucht, gesterkt, maar weifelde in hem alleen de
gedachte na, dat het niet goed was, voor een aanstaand souverein, zoo
onder den invloed te zijn van eene sterkere ziel, als hij was onder die
van Barzia; nam hij zich voor een volgenden keer Barzia’s suggestie
niet meer in te roepen, maar zichzelven te genezen, geheel in het
geheim van zijne eigen ziel. Dit plan om steeds te willen steunen op
eigen kracht, deed hem zich geheel terugvinden...
Hij was den dag volgende op het onderhoud met den professor den
geheelen morgen en namiddag met den prins van Napels samen, dien hij
vroolijk, opgewekt, zooals men den hertog van Xara zelden zag, op
verschillende plaatsen begeleidde. Hun gevolg was verwonderd om die
glinsterende blijmoedigheid van den kroonprins, wien zij toch altijd
eenige melancholie waren blijven aanzien. Dien middag had er een groot
galadiner in het Imperiaal plaats. Des avonds zoû de keizerlijke
familie hun gast begeleiden naar de opera, waar een galavoorstelling
zoû worden gegeven en een beroemde tenor zingen zoû.
Er werden in deze dagen bij al de uitgangen der keizerlijke familie,
steeds onder den schijn van glanzend vertoon, strenge maatregelen van
voorzorg genomen. De rijtuigen, die dien avond naar het gebouw der
Groote Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk escorte van
kurassiers. De straat op zij van het gebouw, waar de eigen entrée van
den keizer was, was afgezet; een eerewacht stond aan de trappen;
geheime politie had zich gemengd tusschen het wachtende publiek: de
geheele groote-wereld der rezidentie...
De keizerlijke loge was met hare draperieën van donker violet en gouden
kwasten, vlak over het tooneel van het kolosale theater; de eerste acte
was geëindigd—het was Aïda, dat men gaf—toen de fanfares uit het orkest
opschetterden en de vorstelijkheden verschenen: de keizer, de keizerin,
de prins van Napels, de hertog en de hertogin van Xara, de prinses
Thera... En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende,
zenuwachtig-onverschillige stemming der volle zaal te electrizeeren
alsof, mèt hunne verschijning, het licht in de kronen heller scheen, de
zaal opglinsterde met al hare flikkerwisselingen van juweel, al haar
getintel van verguldsel, al de nieuwsgierigheid der schitterende oogen,
die tuurden naar het vorstelijke middelpunt; alsof de toiletten der
dames zich met ééne ritseling van zware zijden stof ineens opbolden,
waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neêr, of een wind woei
door vele bloemen, in veel glans...
Toen het rijzen van de gordijn; de tweede acte met geheel haar
melodrama van Egyptische vorstenpracht: de overwinning na den oorlog en
de dansen daarom: de liefde van den held voor de Ethiopische slavin, en
de ijverzuchtige dochter des Farao, en de optocht der goden met de
bazuinen: alles gezongen, geïnstrumenteerd, opzwellende van muziek in
een vierkant kader van geschilderd tooneelgordijn; bewegelijk
schilderij van gezongen Egyptische vorstenoudheid, voor de oogen van
moderne vorstelijkheid, modern turende quasi-onverschilligheid van
samenzijn, waar de groote wereld wilde, dat men op dit oogenblik samen
was: onder de oogen van den keizer en zijne familie, en zijn hoogen,
jongen gast... De hartstochten op het tooneel zich ontbreidelend in
zwellende en zwellende kreten van muziek, liefde en wanhoop, en oorlog
en triomf en priesterstaatzucht van muziek, àlles muziek, alsof het
leven muziek was, muziek de ziel en essence der wereld... En onder den
glans dier muziek en van dat factice leven, de zichtbare mime der
akteurs, de glorie van den beroemden tenor met zijn te modernen kop,
zijn voor oorlog onware prachtkleedij, zijne buigingen en geglimlach
voor de ware wereld daar buiten zijn klein tooneelwereldkader: voor het
publiek, dat applaudiseerde, nadat de keizer in de handen had willen
klappen...
Het was op dit oogenblik, dit oogenblik van ovatie, dit oogenblik van
schitterenden roem van den tenor: zijn applaus afklinkende van
vorstelijke handen. Het was op dit oogenblik: keizer Oscar zich
ombuigende naar zijn adjudant, den markies van Xardi, achter hem; de
adjudant eerbiedig luisterend naar den wensch van Zijne Majesteit om
den zanger in den salon der keizerlijke loge te ontbieden... Keizerin
Elizabeth en de hertogin van Xara, schitterend in haar gala, hare
juweelen, in glimlachend gesprek met den jongen vreemden kroonprins,
die hun gast was. Othomar nog vroolijk vanaf dien middag, schertsende
met Thera en de hofdames... De geheele zaal turende, nu de gordijn
gevallen was, ten laatste male, naar hen allen in ééne schittering van
luxe en licht...
Op dit oogenblik: op de bovenste galerij een plotseling tumult, eene
worsteling van soldaten en politie-agenten met éen man... Eén
plotselinge ruwe warrelklomp daarboven te midden der meest mondaine
uitspreiïngen van aristocratisch gala-vertoon. En alle oogen niet meer
naar de keizerlijke loge, maar naar boven... Toen, de man,
onmenschelijk sterk zich worstelende uit den greep van zijne
aanvallers, doemende vooruit, uit hun klomp, als een zwarte
bliksemstraal: donkere kroeskop, haatschietende oogen vol
dwepersstrakheid, één arm ineens uitgestrekt naar de keizerlijke
grootheid daar beneden, als op een zeker onafwendbaar gemikt doel. De
geheele zaal één tumult, geschreeuw, gegil: wijde gebaren van
hulpelooze armen, dat alles heel kort, nauwelijks ééne seconde... Een
schot, en nog een schot na...
Keizer Oscar is getroffen in de borst, hij is half getuimeld tegen de
keizerin aan, wier bloote juweelenboezem hij in eens bezoedelt met
bloed, dat zijn gouden uniform dadelijk doorweekt. Geen gouden bloed:
rijk rood bloed... Maar de keizerin slaat hare armen in
wanhoopsradeloosheid naar boven; haar snerpende gil striemt door de
zaal. Ze valt neêr in de armen der hertogin van Xara. De keizer is
gezonken in de armen van Xardi en van Othomar: een woedende vloek boort
tusschen zijne vast geknarste tanden door, terwijl hij zijn
bloeduniform zoo hard openrukt, dat de knoopen rondom hem afvliegen...