III.

Het was maanden na het huwelijk van den hertog van Xara, toen keizer

Oscar, des morgens zeer vroeg in zijn kabinet binnenkomend, en zich

begevend naar zijne schrijftafel, getroffen werd door een stuk

bordpapier met groote, zwarte, opgeplakte letters, dat op den grond lag

bij het raam. Hij raapte het niet op; hoewel hij alleen was, verbleekte

hij niet, maar zwollen wel op zijn laag voorhoofd de dikke aderen van

woede over het feit, dat hij zelfs niet in zijn eigen kabinet vrij was,

voor hunne majesteitschennis. Hij belde en ontbood zijn kamerdienaar,

een vertrouwd man.

—Raap dat ding op! beval hij, en brieschend in stilte:

—Hoe komt het hier?

De kamerdienaar verbleekte. Hij las de dreigende scheldwoorden met

groote, vette letters reeds van den grond af, bukte zich en hield

sidderend het plakkaat in de hand.

—Hoe komt het hier? herhaalde de keizer, stampvoetend.

De kamerdienaar zwoer, dat hij niets wist. In den morgen had niemand

toegang tot het kabinet, dan hijzelve; een half uur geleden was hij er

binnengekomen om er de ramen te openen en toen had hij nog niets

gezien.

—Het kan niet anders, Sire, of er is iemand in het park geslopen: het

moet door het raam heen geslingerd zijn...

Het was zeker de eenigste verklaring, maar het was eene verklaring, die

den keizer zeer irriteerde. Het was niet de eerste maal, dat de keizer

in de intimiteit van zijn kabinet zulke plakkaten vond. Het gevolg was

geweest, dat er in het Imperiaal plotselinge arrestatiën plaats grepen

van bedienden, van soldaten der verschillende wachten, maar deze

arrestatiën en zoekingen hadden niets aan het licht gebracht, en

maakten daarom een des te pijnlijkeren indruk. De wachten van het

paleis, de wachten aan de vergulde grilles van het park, waar dit samen

groeide met de Elizabeth-parken—de publieke tuinen der rezidentie—waren

reeds vermeerderd: geheime politie, de eigen politie van den keizer,

hield zelfs een scherp oog op die wachten zelve.

Keizer Oscar was den kamerdienaar strak blijven aanzien; een oogenblik

rees de gedachte in hem dezen man zelven te laten onderzoeken, maar hij

begreep dadelijk daarna: het dwaze van dien achterdocht; de man was

jaren en jaren in zijn persoonlijken dienst, geheel aan hem verknocht

en bleef dan ook Oscars langen blik beantwoorden met den kalmen eerbied

zijner oogen, zichtbaar nadenkend over de onoplosbaarheid van het

vreemde raadsel.

—Verbrand dat ding, beval de keizer: en praat er niet over.

Oscar had daarna een lang onderhoud met den chef zijner geheime

politie, over wien hij in den laatsten tijd niet anders dan tevreden

kon zijn: geheime drukkerijen van anarchistische bladen, die telkens

verspreid werden, waren opgespoord; een komplot om den keizerlijken

trein van het zomerpaleis in Xara, Castel Xaveria, naar Liparia, in de

lucht te laten springen, was verijdeld; verdenking van in verband te

staan met anarchistische comité’s was gevallen op een ambtenaar aan een

der ministeries en zelfs op een jong officier en het was gebleken, dat

deze verdenkingen juist waren. Nog onlangs was een werkplaats ontdekt,

waar men leerde hoe dynamietbommen en helsche machines te maken. Maar

wie de brutale onverlaten waren, die hunne dreigbrieven tot in het

keizerlijke kabinet wisten binnen te slingeren, was maar niet kunnen

worden ontdekt. Eene week lang waren van uit het park de vensters van

het kabinet bespied en al dien tijd had men niets gezien; het was nu

een paar dagen geleden, dat deze geheime wacht was opgeheven. De chef

der geheime politie meende zeker te zijn, dat de schuldigen scholen in

het Imperiaal zelve en bekend waren met de intime gewoonten van den

keizer. In stilte werden plotselinge huiszoekingen gedaan bij alle

bedienden van het Imperiaal, waarvan men niet geheel zeker was, en toen

men bij een palfrenier een anarchistisch blaadje, waarin voor den

keizer beleedigende woorden stonden, gevonden had, werd deze man

verbannen naar eene der dwangafdeelingen der kwikzilvermijnen van het

Oosten. Deze verbanning was als het begin van tallooze andere

verbanningen; ze volgden elkander slag op slag op; het waren soldaten,

matrozen, vele kleinere ambtenaren der departementen: de couranten

noemden niet eens alle verbanningen meer op. Strenger werd de censuur;

telkens werden dagbladen opgeheven; redacteurs beboet en gestraft; de

imperialistische bladen, organen van graaf Myxila, gaven, bijna

tyranniek, den toon aan, dien men wilde. Een meeting van socialisten

werd met sabelslagen der huzaren uit elkaâr gedreven; hevige

ongeregeldheden volgden daarop in de rezidentie en ze wonnen de andere

groote steden, Thracyna, Xara, zelfs Altara. Eene grève der dokwerkers

vervulde Lipara weken lang met een stijgende onrust; politie-agenten

werden op klaarlichten dag aan de haven wreedaardig vermoord.

De hertog van Mena-Doni was in deze dagen de rechtervuist van keizer

Oscar en zijne ruwe krachtsuitoefeningen hielden de rezidentie zooverre

in bedwang, dat geen oproer uitbrak, dat het iederen-daagsche leven van

zonnelachende weelde voortging, dat iederen middag om vijf uur de

elegante equipages naar de Elizabethparken bleven voortstroomen, waar

de keizerin of de hertogin van Xara zich zelfs iederen dag een

oogenblik vertoonden. Maar op dit schijnsel van zorgeloosheid waren in

stilte duizenden oogen van bescherming geslagen; de troepen in de

kazernen waren geconsigneerd: glansende escortes van kurassiers

begeleidden de keizerlijke landauers.

De keizerin had Othomar ook verzocht zijne eenzame morgenritten te

staken en zich nooit te vertoonen dan met gevolg. De hertog en de

hertogin van Xara bewoonden het kroonpaleis, een betrekkelijk nieuw

gebouw aan de kade, waar zij een uitgebreide hofhouding hielden en ook

in dit paleis van zijn zoon liet de keizer huiszoekingen doen, kwam het

aan het licht, dat er anarchisten scholen onder het personeel.

Dit verraad, tot in hunne paleizen toe, bracht de keizerin in eene

voortdurende siddering van angst: zij leefde deze dagen een voortdurend

leven van angst, zoo ze zonder den keizer was. Want zij was het minst

angstig, als ze zich naast Oscar vertoonde, op tentoonstellingen, bij

plechtigheden, in de opera, en, het was vreemd: dan dacht zij niet aan

hemzelven, maar, zoo ze niet bij haar waren, aan hare kinderen, alsof

de catastrofe niet anders gebeuren zoû, dan op eene plaats, waar

zijzelve zich niet zoû bevinden.

De keizerin zag in Othomar zoo zeer haar eigen zoon, dat, in hunne

intime ochtendgesprekken—want de kroonprins kwam nog altijd iederen

morgen een oogenblik bij zijne moeder—het haar bevreemdde in hem niet

haar eigen angst terug te vinden, maar wel geheel haar eigen berusting,

die er de weêrzijde van was. Maar geheel na zijn huwelijk, vond zij hem

veranderd; in deze korte oogenblikken van alleen-samen-zijn niet meer

klagend, weifelend, zoekend, maar kalm sprekende over wat hij doen

moest, vol van eene blijkbare harmonie, die rustige zekerheid gaf aan

zijne woorden, zijne gebaren en zelfs aan zijne handelingen. Bij deze

zekerheid behield hij eene stil waardige bescheidenheid: drong hij niet

hoog op, wat van hem was; bleef hij bezitten dat ontvankelijke voor wat

van andere menschen komt, en dat hem steeds in zoo hooge mate

sympathiek gekenmerkt had. Hij was zeker oud voor zijn jonge jaren; wie

niet wist, zoû hem meer dan zijne drie-en-twintig gegeven hebben, nu

hij om zijne wangen ook zijne kroesbaard nog staan liet... En toch,

toch welden vooral in deze dagen van troebel zijne vroegere angsten

dikwijls bij hem op, kon hij minuten lang alleen zitten, starende op

een vaag punt in zijne kamer, luisterende naar het ruischen van de

toekomst, als hij geluisterd had in dien nacht van spooksel zijner

voorvaderen op Castel Vaza, voelende dat, ineens, geheel zijne nieuwe

levensberusting van hem afgleed als een kleed, dat viel van zijne

schouders. Maar hij had zich zoo weten te beheerschen, dat niemand,

zijn vader niet, zijne moeder niet, de kroonprinses zelfs niet, iets

merkte van deze zielezwijming, die hem ijskoud in zijne korte

eenzaamheden achterliet, twijfelend aan zijn recht, vol vreemd, week

erbarmen voor zijn volk...

Het was geheel de oude ziekte, die zoo, periodiek, in hem

terugborrelde, als een slecht sap, zijne aderen doorvloeide, zijne

zenuwen verslapte, hem in elkaâr knakte, als zoû hij er nooit meer van

genezen. Maar hij wende aan ze, gevoelde er geene wanhoop meer om, wist

zelfs, gedurende de oogenblikken, dàt de ziekte duurde, dat ze niet

duren zoû en vond in zichzelven er na terug zijne harmonie, die vooral

zijne berusting was.

Het was in deze dagen van stille gisting, dat er sprake kwam van een

huwelijk der prinses Thera met den prins van Napels; er was echter nog

niets beslist tusschen de beide familiën, maar wel was de jonge prins

te Lipara genoodigd om de groote najaarsmanoeuvres bij te wonen. Er

hadden jachten plaats; verschillende feestelijkheden volgden elkander

op. Othomar had vooral in deze dagen meer dan anders met die

plotselinge zwakten te kampen; een vreemd gevoel, eene huivering, een

geheimzinnige angst, bleef hem bij en verliet hem niet meer: angst,

dien hij niet dorst analyzeeren, uit vrees motieven te vinden, welke

hem gehéel zijne kalmte zouden doen verliezen. In hem verlevendigde

zich de herinnering aan het feit, dat hij kort na zijn huwelijk een

droom had gedroomd, ongeveer gelijk aan zijn vorige droom: de sinistere

rezidentie zich zwart vullende met krip... Het was nog geweest, terwijl

hij met zijne jonge vrouw te Castel Zanthos verbleef en hij had er niet

aan gehecht, omdat hij meende, dat deze tweede droom alleen de

afschaduwing geweest was van den vorige, alleen de herinnering aan wat

reeds gebeurd was en niet meer. Maar nu, in deze dagen van feestdrukte

om den prins, die hun hof bezocht, met het gisten van

volks-ontevredenheid, als een troebel, donker element onder de opperste

brille van al hun keizerlijk vertoon, verlevendigde zich de herinnering

er aan, en trokken de angsten en huiveringen er om steeds duidelijker

en duidelijker ommelijnen in zijne verbeelding, en gevoelde hij, op éen

oogenblik, zoo geheel zijne vroegere nerveuze zwakte over hem heen

komen, dat hij, onder een voorwendsel, professor Barzia uit Altara

ontbood en met den geleerde een lang onderhoud had, waarover hij zelfs

met de hertogin van Xara niet sprak. Toen de professor vertrokken was,

voelde Othomar zich verlucht, gesterkt, maar weifelde in hem alleen de

gedachte na, dat het niet goed was, voor een aanstaand souverein, zoo

onder den invloed te zijn van eene sterkere ziel, als hij was onder die

van Barzia; nam hij zich voor een volgenden keer Barzia’s suggestie

niet meer in te roepen, maar zichzelven te genezen, geheel in het

geheim van zijne eigen ziel. Dit plan om steeds te willen steunen op

eigen kracht, deed hem zich geheel terugvinden...

Hij was den dag volgende op het onderhoud met den professor den

geheelen morgen en namiddag met den prins van Napels samen, dien hij

vroolijk, opgewekt, zooals men den hertog van Xara zelden zag, op

verschillende plaatsen begeleidde. Hun gevolg was verwonderd om die

glinsterende blijmoedigheid van den kroonprins, wien zij toch altijd

eenige melancholie waren blijven aanzien. Dien middag had er een groot

galadiner in het Imperiaal plaats. Des avonds zoû de keizerlijke

familie hun gast begeleiden naar de opera, waar een galavoorstelling

zoû worden gegeven en een beroemde tenor zingen zoû.

Er werden in deze dagen bij al de uitgangen der keizerlijke familie,

steeds onder den schijn van glanzend vertoon, strenge maatregelen van

voorzorg genomen. De rijtuigen, die dien avond naar het gebouw der

Groote Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk escorte van

kurassiers. De straat op zij van het gebouw, waar de eigen entrée van

den keizer was, was afgezet; een eerewacht stond aan de trappen;

geheime politie had zich gemengd tusschen het wachtende publiek: de

geheele groote-wereld der rezidentie...

De keizerlijke loge was met hare draperieën van donker violet en gouden

kwasten, vlak over het tooneel van het kolosale theater; de eerste acte

was geëindigd—het was Aïda, dat men gaf—toen de fanfares uit het orkest

opschetterden en de vorstelijkheden verschenen: de keizer, de keizerin,

de prins van Napels, de hertog en de hertogin van Xara, de prinses

Thera... En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende,

zenuwachtig-onverschillige stemming der volle zaal te electrizeeren

alsof, mèt hunne verschijning, het licht in de kronen heller scheen, de

zaal opglinsterde met al hare flikkerwisselingen van juweel, al haar

getintel van verguldsel, al de nieuwsgierigheid der schitterende oogen,

die tuurden naar het vorstelijke middelpunt; alsof de toiletten der

dames zich met ééne ritseling van zware zijden stof ineens opbolden,

waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neêr, of een wind woei

door vele bloemen, in veel glans...

Toen het rijzen van de gordijn; de tweede acte met geheel haar

melodrama van Egyptische vorstenpracht: de overwinning na den oorlog en

de dansen daarom: de liefde van den held voor de Ethiopische slavin, en

de ijverzuchtige dochter des Farao, en de optocht der goden met de

bazuinen: alles gezongen, geïnstrumenteerd, opzwellende van muziek in

een vierkant kader van geschilderd tooneelgordijn; bewegelijk

schilderij van gezongen Egyptische vorstenoudheid, voor de oogen van

moderne vorstelijkheid, modern turende quasi-onverschilligheid van

samenzijn, waar de groote wereld wilde, dat men op dit oogenblik samen

was: onder de oogen van den keizer en zijne familie, en zijn hoogen,

jongen gast... De hartstochten op het tooneel zich ontbreidelend in

zwellende en zwellende kreten van muziek, liefde en wanhoop, en oorlog

en triomf en priesterstaatzucht van muziek, àlles muziek, alsof het

leven muziek was, muziek de ziel en essence der wereld... En onder den

glans dier muziek en van dat factice leven, de zichtbare mime der

akteurs, de glorie van den beroemden tenor met zijn te modernen kop,

zijn voor oorlog onware prachtkleedij, zijne buigingen en geglimlach

voor de ware wereld daar buiten zijn klein tooneelwereldkader: voor het

publiek, dat applaudiseerde, nadat de keizer in de handen had willen

klappen...

Het was op dit oogenblik, dit oogenblik van ovatie, dit oogenblik van

schitterenden roem van den tenor: zijn applaus afklinkende van

vorstelijke handen. Het was op dit oogenblik: keizer Oscar zich

ombuigende naar zijn adjudant, den markies van Xardi, achter hem; de

adjudant eerbiedig luisterend naar den wensch van Zijne Majesteit om

den zanger in den salon der keizerlijke loge te ontbieden... Keizerin

Elizabeth en de hertogin van Xara, schitterend in haar gala, hare

juweelen, in glimlachend gesprek met den jongen vreemden kroonprins,

die hun gast was. Othomar nog vroolijk vanaf dien middag, schertsende

met Thera en de hofdames... De geheele zaal turende, nu de gordijn

gevallen was, ten laatste male, naar hen allen in ééne schittering van

luxe en licht...

Op dit oogenblik: op de bovenste galerij een plotseling tumult, eene

worsteling van soldaten en politie-agenten met éen man... Eén

plotselinge ruwe warrelklomp daarboven te midden der meest mondaine

uitspreiïngen van aristocratisch gala-vertoon. En alle oogen niet meer

naar de keizerlijke loge, maar naar boven... Toen, de man,

onmenschelijk sterk zich worstelende uit den greep van zijne

aanvallers, doemende vooruit, uit hun klomp, als een zwarte

bliksemstraal: donkere kroeskop, haatschietende oogen vol

dwepersstrakheid, één arm ineens uitgestrekt naar de keizerlijke

grootheid daar beneden, als op een zeker onafwendbaar gemikt doel. De

geheele zaal één tumult, geschreeuw, gegil: wijde gebaren van

hulpelooze armen, dat alles heel kort, nauwelijks ééne seconde... Een

schot, en nog een schot na...

Keizer Oscar is getroffen in de borst, hij is half getuimeld tegen de

keizerin aan, wier bloote juweelenboezem hij in eens bezoedelt met

bloed, dat zijn gouden uniform dadelijk doorweekt. Geen gouden bloed:

rijk rood bloed... Maar de keizerin slaat hare armen in

wanhoopsradeloosheid naar boven; haar snerpende gil striemt door de

zaal. Ze valt neêr in de armen der hertogin van Xara. De keizer is

gezonken in de armen van Xardi en van Othomar: een woedende vloek boort

tusschen zijne vast geknarste tanden door, terwijl hij zijn

bloeduniform zoo hard openrukt, dat de knoopen rondom hem afvliegen...

Majesteit · 第 49 / 52 题