II.

Het was twee dagen daarna de dag van het keizerlijke huwelijk. De stad

wemelde reeds den vroegen morgen van het, uit de omstreken

toegestroomde, volk, dat zich gonzend drong door de nauwere straten.

Want reeds vroeg waren de hoofdstraten afgezet door de infanterie, van

den Slotburcht tot aan het Oude Paleis en den Dom toe. En Altara,

anders grauw, oud, verweerd, was niet herkenbaar, bont van vlaggen,

jong van groenfestoen, versierd met draperieën en tapijtwerk van zijne

balkons af. Eene warme zuidelijke Meizon goot vakken van glans over de

stad heen en het rood en het blauw en het wit en groen der wachtende

uniformen, met de regelmatige bliksems der bajonetten daarboven, trok

breede lijnen van kleur bijna bloemenvroolijk door haar heen, tot op

naar het slot van St. Ladislas.

Door de afgezette straten reden hofrijtuigen heen en weêr; ze

schitterden vol uniformen: vorstelijke genoodigden, die naar St.

Ladislas of het Oude Paleis gebracht werden. Men zag er Russische,

Duitsche, Engelsche, Oostenrijksche, Gothlandsche uniformen; vlug, als

zich voorbereidend tot het oogenbllk van ceremonie, flikkerden zij door

Altara heen, door hare, met soldaten beperkte, lange leêgten van

straten.

Onder de kastanjes aan den Burchtweg waren de villa’s ook dwarrelig vol

van toeschouwers, die in de tuinen en op de terrassen liepen en zaten,

en bont spikkelden in de strepen zon, die filtreerden door het loover

heen, en de lichte zomertoiletten der dames, hare kleurige parasols,

schenen het villa aan villa garden-parties te zijn, terwijl men wachtte

op den stoet van den bruidegom, die, als de Liparische etiquette het

eischte, van St. Ladislas vertrok om zijne bruid te vinden in het Oude

Paleis.

Elf uur. Van het fort van St. Ladislas davert het eerste schot, daveren

telkens schoten na. Eene gonzende emotie huivert langs den geheelen

Burchtweg. Op den nauw merkbaar dalenden weg verschijnen paukisten en

trompetters, wapenherauten te paard. Achter hen schittert de Garde van

den Troon aan, om de verguld- en kristallen gala-koetsen. De

opper-ceremoniemeester, graaf de Threma, in de eerste; in de tweede,

met de keizerkroon en het gepluimkopte achtspan: scharlaken omhoeste

schimmels,—en het gejuich uit de villa’s stijgt luider op en luider—de

keizer en de hertog van Xara zelve aan zijne zijde; in de volgende

koetsen de te-zaam-gekomen majesteiten en vorstelijkheden uit geheel

Europa; de keizerin van Liparië, de keizer en de keizerin van

Duitschland, de koning en de koningin van Gothland, Russische

grootvorsten, de hertog van Sparta en de prins van Napels... De

Rijkskanselier, de ministers, de gemantelde leden van het Huis van

Adel... En de eindelooze stoet gaat langzaam onder het kanongedaver

langs den Burchtweg door de hoofdstraten tot in de kern der stad. Daar

wacht, in het Oude Paleis, de bruid haren bruidegom met geheel hare

Oostenrijksche familie: de keizer en de keizerin; hare ouders: de

aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie...

Het is daar, dat de protokollen geteekend worden op de, met goud

brokaat bedekte, vergulden tafel, waarop de keizers en keizerinnen van

Liparië hunne handteekeningen sedert eeuwen geschreven hebben, waarop,

na het kroonprinselijke paar, de vorstelijke getuigen de akten

onderschrijven...

Nu gaat de geheele stoet door galerij na galerij naar de Nieuwe

Sacristie. Het is eene minutenlange wandeling van statie: de

trompetters, de herauten, de ceremoniemeesters; de blauwgemantelde

ridders van St. Ladislas; de wit-en-gouden Garde van den Troon; keizer

Oscar met den hertog van Xara, de keizerin van Oostenrijk met de

bruid... Langzaam gaat zij aan de zijde van haren oom, het hoofd iets

gebogen, als onder het gewicht van hare prinsessekroon, waaruit de

kanten sluier afwemelt, zacht blond doende om haren blooten hals, die

van brillanten druppel-flonkert. Haar toilet is van een, van voren met

zilver doorweven en met parelen arabesken en emblemaat bestikt,

stijfzwaar satijnbrokaat; groote witte fluweelen pofmouwen doffen aan

hare schouders op; de sleep van zilverbrokaat en wit fluweel is zoo

lang, dat zes hofdames ze in golvingen aan zilveren handtrensen

achterna dragen. Achter die hofdames volgden hare eere-jonkvrouwen,

gelijk gekleed met gelijke bouquetten; het zijn de prinses Thera, de

prinses Wanda, Duitsche, Engelsche en Oostenrijksche prinsessen. En de

majesteiten en de vorstelijkheden volgen; de stoet vloeit binnen in de

Nieuwe Sacristie; hier ontvangt de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van

Liparië, met geheel zijne gemijterde geestelijkheid den bruidegom en de

bruid...

In de kathedraal wacht de foule der genoodigden. Trots den

zomerzonneglans drijft een mystieke schaduwschemer tusschen de

ontzaglijke hooge bogen van den Dom en bloesemt het daglicht alleen op

de bonte glazen der zijkapellen; in de welvingen hangt zelfs donker.

Maar één glans van niet te tellen zoovele kaarsen is er het

hoogaltaar...

De Rijkskanselier, de ministers, de gezanten, het geheele

corps-diplomatique, de leden van het Huis van Adel en van het Huis der

Standen, leden van hooge rechtscolleges zijn binnengekomen; ze vullen

de tribunes, die links en rechts zijn opgericht. En de geheele

kathedraal vult zich; ééne volle wemeling van ritselende, zware zijden

stoffen—de gala-toiletten der gedecolleteerde dames, wier juweelen

twinkelen—wemeling van goud opschitterende uniformen en galarokken, die

als groote vonken de schemering van den Dom verlichten.

Daar schetteren de trompetten, galmt het orgel zijne juichtonen van

plechtigen feestmarsch uit; door de Sacristie is de eerste cortège

binnengekomen: de keizer van Duitschland met keizerin Elizabeth van

Liparië, de aartshertogin Eudoxie, en een lange sleep van gevolg...

Telkens schetteren nu de trompetten, galmt het orgel, en de genoodigde

majesteiten met hunne gevolgen, de vertegenwoordigers der mogendheden,

komen binnen in stoet na stoet. De baldakijnen links en rechts van het

choor beginnen zich te vullen. Spoedig volgt de tweede cortège: de

dignitarissen voorop, met de insignieën van het keizerschap, keizer

Oscar, die den hertog van Xara voert: beiden dragen over hunne gouden

uniformen de lange, drapeerende blauwe riddermantels van St. Ladislas,

waar, op den linkerarm, het groote witte kruis straalt; vier

kroonprinsen volgen als de vier getuigen van den bruidegom: de hertog

van Wendeholm, de Russische Grootvorst-Troonopvolger, de hertog van

Sparta, en de prins van Napels; de Ridders van St. Ladislas, de

officieren van de Garde van den Troon, schildknapen en pages volgen

daarna...

En plotseling, glasschel, vibreert een koor van hooge stemmen en roept

er den zegen uit over de bruid, die komt in naam des Heeren... De derde

cortège is binnengekomen: de keizer van Oostenrijk en de aartshertog

Albrecht, voerende de bruid, met hare hofdames, hare eere-jonkvrouwen

en ze schijnt ééne witte weelde van hooge jonkvrouwelijkheid te midden

van haar wit en bloemengeurend gevolg. En de zang strooit er zijne

klanken als met handenvol zilveren leliën over haar uit; hare gewijde

verschijning wekt eene emotie, die siddert door de volle

prachtwemeling, de geheele katedraal door. Nu, ten laatste verschijnt

de vierde cortège: de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van Liparië, met

zijne bisschoppen en domheeren en kapelanen; de kerkvorsten zetten zich

in de hooge gebeeldhouwde zetels van het choor; de dienst begint...

De zon schijnt op dit oogenblik gewacht te hebben om door de hooge,

bonte boogramen, waarop het leven van St. Ladislas als in kleuren van

juweel zijne kleine vierkante tafereelen sparkelt, schuin met een

hellend vlak van stralen neêr te schieten op het choor, op de

priesters, op de baldakijnen, waar de majesteiten zitten, op bruidegom

en bruid... En al de kleuren: het oude goud van het altaar, het nieuwe

der uniformen, de brokaten en de kroonjuweelen, ze vlammen op, alsof de

zon er den brand in steekt: éen brand van wisselvonkelingen, die, met

de tallooze kaarsen van het altaar, de kerk eensklaps hél verlicht. De

diademen der vorstinnen zijn als vlammekronen, de ridderorden der

vorsten starrelen er als een firmament. Luchtig, doorzichtig in den

zonneschijn, blauw nevelen de wierookwolkjes op, die choorkinderen

toezwaaien; de zonneschijn poeiert door den blonden sluier der

knielende bruid, steekt een gloeibrand over haar wit-en-zilveren sleep,

omstraalt haar als met eene apotheoze van licht, dat maagdelijk blank

op haar terugkaatst. Haar bruidegom knielt naast haar: geheel omplooit

zijn blauwe mantel hem; rein, op zijn arm, straalt het witte kruis.

Beiden houden zij nu lange kaarsen in de hand. En de Primaat met zijn

juweelen mijter en zijn, met juweelen arabesken bezetten stijfgouden

dalmatiek, heft de oogen op, breidt de handen omhoog en strekt ze

zegenend uit over de gebogen keizerlijke hoofden...

Hoog zwelt de zang weêr; het Te Deum Laudamus, alsof de golven der

stemmen op de golven van het orgel hooger stijgen en hooger, door de

kathedraal heen naar den hemel in éene extaze van heilige muziek. Het

oude steenen reuzengebouw schijnt te sidderen van emotie, als wordt de

muziek zijne ziel en het luidt uit al zijne klokken eene zwellende zee

van klanken over Altara heen, brons in de laagte, en uit alle metalen

ze smedend tot kristalrein goud, in de hoogste hoogte van hoorbaren

klank...

Een uur later. Op het afgezette Domplein komt beweging, tusschen de

wachtende galakoetsen. Nu gaat de stoet weêr terug naar St. Ladislas,

maar achter de koets van Keizer Oscar zit nu Othomar met Valérie te

zamen. En de stad juicht, en galmt er hare leve’s uit; de huizen,

tusschen al de vlaggen en trofeeën dreunen er van. De wachten

prezenteeren het geweer, en in den feestroes merkt men niet, hoe ginds

in de kleinere straten gevochten wordt, arrestatiën gedaan worden; een

bekend anarchist bijna vermoord is door het imperialistische volk...

In zijne kostbare statie, nu verhoogd door de blanke aanwezigheid van

de jonge hertogin van Xara en haar eigen gevolg, gaat de eindelooze en

eindelooze stoet terug, de stad door, den Burchtweg op en de villa’s

aldaar zien nu ook Valérie en juichen haar toe, zonder eind...

Het is in de Witte Troonzaal, dat Othomar en Valérie hun cour houden:

allen defileeren voor hen heen, de ministers en gezanten, de leden der

beide Huizen, der rechtscolleges, corporatiën en deputaties. Na den

cour het déjeuner, waarvan de tafel met het ceremonieele gouden en

juweelen vaatwerk schittert, dat slechts bij de keizerlijke huwelijken

gebruikt wordt. Na het déjeuner de laatste plechtigheid: in de Gouden

Zaal—een immense zaal, laag, Byzantijnsch van bouw en ornamentiek,

eeuwenoud en onveranderd—de fakkeldans; de ommegang der ministers, die

op vergulde handvatten lange, brandende kaarsen dragen, terwijl Othomar

en Valérie telkens naar rang uitnoodigen onder de foule der

vorstelijkheden, alle vorstelijkheden beurtelings uitnoodigen en achter

de ministers ommegaan... Het is er eene eentonige ceremonie, telkens

weêr herhaald; de ministers met de fakkels, Othomar met eene vorstin en

omstuwd door de ridders van St. Ladislas, Valérie met een vorst en

geheel haar witte gevolg; en het is eene herademing als de plechtigheid

is afgeloopen en de jonggehuwden zich teruggetrokken hebben om zich te

verkleeden. Dan verschijnen zij: Othomar als chef der kurassiers van

Xara, Valérie in haar wit lakensch reistoilet en hoed met witte veeren

en zij nemen afscheid; een open landauer wacht hen, en zij rijden met

een dichte escorte van kurassiers van Xara opnieuw naar de stad, rijden

ze in alle richtingen door, vertoonen zich overal, groeten allen en

rijden ze ten laatste uit naar het kasteel, waar zij de eerste dagen

zullen zijn: Castel Zanthos, dicht bij de stad, aan den breeden

stroom...

En de oude verweerde hoofdstad, die vol van majesteiten blijft, die nog

fladdert van wimpels, die des avonds éene gele vlam is en roode gloed

van vuurwerk en illuminatie, schijnt, zonder de jonggehuwden, toch

verloren te hebben de aantrekkelijkheid, die haar maakte tot brandpunt

van feest en pracht en keizerlijke ceremonie; en des avonds, trots

illuminatie en vuurwerk en gala-voorstellingen, is het Centraal-Station

bestormd door duizenden, die heengaan...

Majesteit · 第 48 / 52 题