I.

Keizerin Elizabeth reed met Hélène van Thesbia in eene victoria—een

voorrijder voorop—van St. Ladislas naar het Oude Paleis, dat met den

Dom en het Episcopaal éen reuzenbouw vormde; daar, in Altara, hadden de

aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie den vorigen dag met de

keizerlijke bruid hun intrek genomen. Van den hoogen slotburcht, die

als een breede steenblokkenmassa, met gekanteelde vlakken en plompe

torens, over Altara heen zag, daalde onder oude kastanjes, onmerkbaar,

de weg, licht zigzagkronkelend naar beneden. Het stof stuivelde onder

de wielen op; aan beide zijden lagen villa’s, met terrassen, vroolijk

van vazen en bloemen en beelden, en lager en lager afglooiende, naar de

stad toe. De villa’s vlagden; de blauw-en-witte vlaggen met de witte

kruisen joelden als een jeugd van kleuren onder het bestofte loof der

oude boomen en acacia’s.

Het was Juni; zes maanden na den dood van den kleinen prins, maar de

rouw was verlicht om het aanstaande huwelijk van den hertog van Xara,

dat de keizer zoo spoedig mogelijk voltrekken zag. De keizerin echter

droeg nog zwaren rouw, dien zij eerst op den dag van het huwelijk af

zoû leggen; Hélène droeg grijs; de liverei was grijs.

Vele wandelaars, ruiters, equipages gingen langs den weg, hielden

eerbiedig stil; de keizerin groette links en rechts; van af de balcons

der villa’s groette men haar. In het warme zomerweder heerschte er eene

gemoedelijkheid, eene zachte vroolijkheid langs den weg, ademde de weg,

met zijne villa’s, waar de menschen in groepen zaten, eene

vriendelijkheid uit, die der keizerin aangenaam aandeed en haar hart

met een lichten weemoed op deed zwellen in hare borst. Kinderen liepen

rond en speelden, in witte zomerpakjes; ze stonden in eens stil, en als

welopgevoede kinderen, die de leden der keizerlijke familie iederen dag

zagen voorbijgaan, groetten zij diep, de jongens onhandig, de meisjes

met pas geleerde révérences. Dan speelden zij weêr door... En de

keizerin glimlachte om een groote familie, oude en jonge menschen

samen, die op een terras zeker een verjaardag vierden en lachten en

dronken, vele glazen en karaffen voor zich: de kinderen hunne monden

vol koek. Zoodra zij den voorrijder zagen, stonden zij op en zij

groetten allen, sommige de glazen nog in de hand, en de keizerin,

zonder hare gewone strakheid, groette ze innemend met een glimlach

terug.

En het was als ging zij door een groot dorp van luxe; een oogenblik

vergat zij de lichte obsessie, die haar neêrdrukte, vergat zij waarom

zij heden ging naar Valérie toe en liet zij zich wiegelen door haar

welbehagen in de liefde, die zij om zich ried. Het was die liefde der

oude Liparische patricische familiën—adellijk of niet-adellijk—voor

hare vorsten. Het was eene liefkoozing, die zij nooit te Lipara voelde.

En zij herinnerde zich Othomars brief, tijdens de overstroomingen van

het vorige jaar: waarom zijn we toch niet meer te Altara...

Geen oogenblik kon zij ophouden te groeten. Maar zij naderde nu de

stad; als coulissen schoven de oude huizen op; de geheele stad schoof

nader, vroolijk van vlaggen, die jong deden over haar oude steen. De

straten waren vol; duizende vreemdelingen, van binnen- of buitenslands,

waren te Altara; in de hôtels was geene kamer meer te krijgen. En de

keizerin kon nauwelijks een woord tot Hélène spreken; zij kon niets

doen dan knikken, altijd door...

Op het voorplein van het Oude Paleis was de paradewacht der infanterie

ter eere der Oostenrijksche bruid opgesteld en prezenteerde, nu het

rijtuig der keizerin voorreed, het geweer. De aartshertogin Eudoxie

verwachtte de vorstin.

—Hoe is Valérie? vroeg Elizabeth dadelijk.

—Goed, kalm, antwoordde de aartshertogin; ik had het zoo niet durven

hopen. Maar ze wil niemand ontvangen...

—Laat toch vragen of ik haar zien kan...

De hofdame der aartshertogin verwijderde zich: ze kwam terug met het

bericht, dat Valérie de keizerin wachtte.

Elizabeth vond het jonge meisje in een negligé van witte kant, bleek,

met groote donkere doffe oogen, liggen op een bank, ze richtte zich

echter op:

—Mevrouw, vergeef me, verontschuldigde zij zich.

Elizabeth omhelsde haar met eene groote zachtheid; de aartshertogin

zeide:

—Ik was niet wel, ik voelde me moê...

Toen echter ontmoetten hare oogen die van de keizerin, en zag zij, hoe

deze niet eischte, dat ze zich met onmenschelijke kracht ophield. Zij

drukte zich tegen de keizerin aan en weende zacht, als eene weent, die

reeds lang en hartstochtelijk geweend heeft en nu moê is van haar

weenen en het niet anders meer kan dan zacht. De keizerin deed haar

zitten, zette zich naast haar en liefkoosde haar met een streelend

gebaar van de hand. Geene van beide sprak; zij vonden geene van beide

woorden in de moeilijke verhouding, waarin zij, op dit oogenblik, over

en weêr waren.

Twee dagen geleden, den dag vóor dien, waarop de reis van de bruid van

Altara bepaald was, was het bekend geworden, dat prins Von

Lohe-Obkowitz zich te Parijs had doodgeschoten. Welke de reden van dien

zelfmoord geweest was, wist men niet. Sommigen meenden, dat de prins

zwaar gebukt ging onder de ongenade van den keizer van Oostenrijk en de

brouille met zijne familie; anderen, dat hij met baccara een fortuin

verloren had en verder geruïneerd was door de artistieke lubies zijner

vrouw, de beroemde Estelle Desvaux, die enkele malen in haar leven

zichzelve geruïneerd had, maar door een kunstreis en wat diamanten te

verkoopen er ook weêr telkens boven-op gekomen was. Weer anderen

hielden vol, dat prins Lohe nooit zijne liefde voor de aanstaande

hertogin van Xara had kunnen vergeten. Maar hoeveel men ook vertelde in

de hofkringen van Weenen, men wist niets zekers. Valérie had, bij

toeval, het bericht, dat men haar verzwijgen wilde, in de zelfde

courant gelezen, waarin zij, nu bijna een jaar geleden, bij toeval ook,

op het terras te Altseeborgen het bericht had gelezen, van prins Lohe’s

voorgenomen huwelijk en afstand van zijne rechten. Hare ziel, die geene

neiging tot mystiek had, werd echter bijna in den schok van wanhoop,

die ze doorvoer, bijgeloovig om deze herhaling van wreedheid. Maar toen

zij haar leed, maanden geleden, had doorgestreden en uitgeleden, was

eene onverschilligheid in haar nagevolgd door al het verdere leed, dat

zij nog óoit zoû kunnen ondervinden in het leven. De dood van hare

illuzies was eene geheele dood geweest; na hare verloving had zij zich

weêr gevonden, als met eene andere ziel, verhard en gepantserd met

onverschilligheid. Het was vreemd, dat in deze onverschilligheid het

eenige, waar zij gevoelig voor bleef, het exquize van Othomars karakter

was: zijne fijngevoeligheid, dat hij haar, tegen Oscars zin, gespaard

had te Altseeborgen; zijn wijd gevoel van algemeene liefde voor zijn

volk; geheel zijn karakter van zachtheid en eenvoudig plichtsbesef...

Maar hoe onverschillig zij verder zich ook dacht, wreed was dit tweede

toeval geweest, alsof een verfijnd noodlot het oogenblik er voor had

uitgekozen. Een martyre was de officieele reis geweest van

Sigismundingen naar Altara. Als een automaat was Valérie gegaan door de

recepties aan de grenzen, door de ontvangst aan het Centraal Station te

Altara met de begroeting van haar keizerlijken bruidegom, die er haar

gekust had, en de toespraak der autoriteiten, het aanbieden van brood

en zout door de domheeren van het kapittel van St. Ladislas. Zij had

het geslikt, hun brood en hun zout. En de rit door de stad, die vlagde

en eerepoorten oprichtte van straat naar straat, naar het oude Paleis,

in den open landauer met den keizer en haar bruidegom, door het gejuich

van het volk heen, dat in hare arme ooren en door hare overprikkelde

zenuwen sneed als met zagende messen! Toen, in het Paleis, was het

Othomar opgevallen, hoe zij er uitzag, als een voortgejaagd dier met

schichtige oogen. De dood van Prins Lohe was ook te Altara bekend en al

had het volk gejuicht, gejuicht uit ware sympathie voor de aanstaande

kroonprinses, het had er haar op aangezien, nieuwsgierig, begeerig eene

vorstelijke smart te zien trillen door hunne feestvreugde heen,

voortgejaagd tusschen bogen van groen en vlaggetrofee. Zij hadden niets

gezien. Valérie had gebogen, geglimlacht, van het balkon van het oude

Paleis naast Othomar met de hand gegroet! Niets, niets hadden zij

gezien, hoezeer ze ook gespannen waren, hoeveel ze zich ook hadden

verbeeld. Maar toen was Valérie’s kracht ten einde. De rol was

gespeeld, het gordijn mocht vallen. Othomar liet haar alleen met een

handdruk. Uren had zij wezenloos gezeten; toen was de nacht gekomen;

geslapen had zij niet, maar zij had kunnen snikken.

Nu was het de volgende dag; moê lag ze neêr, maar eigenlijk was ze

uitgeweend, uitgestreden, vond ze hare onverschilligheid terug: het

verdere leed van haar leven zoû haar immers niet meer kunnen deren!

Maar de teedere omhelzing van Othomars moeder verzachtte Valérie, en

zij vond hare tranen terug.

Nauwlijks wisselden zij eenige woorden en toch voelden zij hare

wederzijdsche sympathiën tot elkaâr gaan. En Valérie ried door haar

verdriet heen haren plicht, die tegelijkertijd hare kracht zoû zijn;

geen bittere onverschilligheid, maar eene berusting in wat haar leven

zijn zoû. O ze had het zich anders voorgesteld in hare

jongemeisjes-droomen: zij had het zich lieflijker en lachender gebeeld

en natuurlijker van uiting, spontaner en zonder zulke filozofie. Maar

uit hare droomen was ze wakker geworden en waar zoû zij anders hare

kracht zoeken dan in plicht...! En ze won zichzelve, wat er ook in hare

ziel vernield was, terug door eene onbewuste vitaliteit,—hare

eigenlijke natuur—meer nog dan door hare gedachte. Zij droogde hare

tranen, sprak er over, dat het uur naderde waarop eene deputatie van

Liparische jonkvrouwen haar een huwelijksgeschenk zoû komen aanbieden

en de keizerin liet haar alleen, opdat zij zich kleeden zoû.

Zij verscheen niet lang daarna, in wit toilet, met dof goud opgewerkt,

in den salon, waar hare ouders met de keizerin samen waren en met

Hélène van Thesbia en de Oostenrijksche hofdames. Kort daarop kwamen

ook Othomar met zijne zusters, en de aartshertog van Karinthië. En toen

de deputatie der adellijke jonge meisjes aangekondigd werd en

verscheen, Eleonore van Yemena in het midden, luisterde Valérie met

haar gewonen glimlach naar de toespraak van het markiezinnetje, nam zij

met een innemend gebaar uit de handen van twee andere meisjes het

groote étui aan, dat deze open liet springen en waar, op licht fluweel,

een driedubbel halssnoer van groote parelen lag. En zij wist een paar

aardige zinnen te vinden om te bedanken; ze uitte ze met een heldere

stem, en wie haar gehoord had, zoû nooit vermoed hebben, dat zij een

slapeloozen nacht had doorgebracht, badende in tranen en voor zich

ziende het lijk van een jongen man met verpletterde slapen.

Het werd aan de jonge dames der deputatie vergund de huwelijkscadeaux

te zien, die in een groote zaal waren tentoongesteld; de prinses Thera

en de hofdames gingen met haar meê. Het was daar in die zaal een

plotselinge schitterglans, in het daglicht stralend van de lange

tafels, waar, tusschen bloemen, de cadeaux stonden: de zware vergulde

candelabres, vergulde tafel- en theeserviesen en kristal, vergulde en

zilveren cassetten van verschillende steden, de Dom van Altara in

zilver, zilveren schepen met fijne bollende zeilen van inrichtingen van

marine en juweelen geschenken van alle vorstelijke vrienden en

verwanten van Europa. Op een satijnen kussen lag, als een

feeënkleinood, een sparkelende hertoginnediadeem van groote saffieren

en brillanten, een der geschenken van de aanstaande schoonouders der

bruid. En zeer trof het geschenk van de prinses Thera: het portret van

den hertog van Xara; een kunstwerk, dat reeds op tentoonstellingen in

beide hoofdsteden bekend was geworden. Maar het leek niet veel meer en

het was daarom de wanhoop van de prinses. Het was jonger, vager,

weeker, dan de prins zich nu vertoonde: iets magerder dan vroeger, maar

met een dikkere streep van snor en een lichtgekroesden baard om de

wangen. De melancholieke oogen hadden meer den kouden blik van keizerin

Elizabeth gekregen; ook overigens geleek Othomar op zijne moeder en

meer dan vroeger. Maar wat steeds in den prins trof, was, in zijne

nerveuze fijnheid, zijn ras, zijne spitse distinctie, zijne rechtmatige

hoogheid. Hij had veel verloren van zijne strakheid, zijne stijve

tacteloosheid en iets zekerders en beslisters gekregen en het gaf,

trots zijn kouderen blik, meer vertrouwen in een kroonprins, dan zijn

altijd symphathiek, maar ietwat week optreden van vroeger. De gedachten

schenen zich scherper in hem af te teekenen, de woorden spitser

tusschen zijne lippen te komen; hij scheen meer op zichzelven te

steunen, minder te geven om wat anderen van hem dachten. Het was, nog

niet geheel bewust, dat uniek vorstelijke gevoel, dat in hem wakker

werd: dat naïve, hooge ingeboren vertrouwen op den enkelen druppel

gouden bloed, die in zijne aderen was, en die hem zijne rechten gaf...

Het was vooral professor Barzia geweest, die, verbonden aan Othomar en

hem iederen dag zelve behandelend, dit zelfvertrouwen gewekt had, door

zijne woorden, komende uit menschenkennis en monarchale liefde beiden,

en uit eene bizondere liefde voor den kroonprins daarenboven. De

koudwaterdouches hadden den prins opgestijfd, maar de suggesties van

den professor, die Othomars onbewust werkende eigenschappen als uit

hare onbewustheid gewekt hadden, waren wellicht een nog ingrijpender

geneesmiddel gebleken. De prins had zich leeren beheerschen en hij was

den professor liever geworden en liever...

Deze toewijding, geboren uit eene ontdekking van wat anderen niet

wisten—hooge kwaliteiten van gemoed—was gesterkt door Barzia’s

opvoeding van die zelfde kwaliteiten en, toen het huwelijk van den

prins kon bepaald worden, zag de professor met evenveel trots als

liefde neêr op zijn patiënt, dien hij fysiek genezen verklaarde en

moreel genezen voor zichzelven dacht...

Majesteit · 第 47 / 52 题