Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers
het volk voorbij het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden
werd het vervoerd naar Altara en bijgezet in den keizerlijken
grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen Gunther en Herman
van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog
van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te
nemen: hij bleef te Lipara.
De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug
naar de rezidentie, waar, op het dringend verlangen van hare zuster,
ook koningin Olga met prinses Wanda gekomen was. En in de rouwstilte
van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr in een nauwen cirkel
van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen, die
onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen
van verdriet, die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te
bedaren. De keizer was ontroostbaar, gaf zich met eene kinderlijke
hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo gezien, men kende
hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne ziel in
opstand tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer
had aangetrokken zijn laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van
afstand-doen gesproken had. De keizer was er niet meer op terug
gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr met Othomar
over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den
kroonprins dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich
wat er volgens de wetten gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de
aartshertogin van Karinthië keizerin, de aartshertog prins-gemaal en
het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den troon van
Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed,
tegelijkertijd met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden
met dat zeer bijzondere leed van den vorst, in wiens bloed nog vloeit
geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen, en die
ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook
ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad,
zwaarder, maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over
sprak—en hierom wellicht smartelijker, voelde hij zijn leed over dit
idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs met de keizerin
had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid.
En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een
zweem van kinderlijkheid gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij
de ziel ware van ieder ander mensch in plaats van de zijne: die van een
vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de legerwet. Er zouden
driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds
toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd,
voor de artillerie, had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog
niet weten te verwinnen. De meerderheid der legercommissie was tegen
die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der Standen ried de
minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch
Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû
zijn minister daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe.
Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op
de hoogte der questie liet brengen, de stafkaarten en legerstaten en
verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies van
uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den
generaal. Hij had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen
in het kabinet van zijn vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde
hij zich—wat hij niet altijd deed—in uniform en liet door een kamerheer
aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig te zijn bij
de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de
schouders op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen,
dat hij komen kon. Zoodra de Rijkskanselier en de minister bij den
keizer waren, vervoegde Othomar zich bij hen. Hij was tengerder nog
geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform konden
nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat
hol van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere
koortsachtige onrust verloren en zijne melancholieke kalmte
teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid. Hij mengde zich
eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier
zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister
verklaren, dat hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar
vergunning een woord in het midden te brengen. Hij had een potlood in
de hand genomen; hij toonde met enkele kort besliste lijnen van
aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen op de
staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig
opnoemde, dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover
hij kon nagaan uit de verslagen der commissie, uit de stemming in het
Huis der Standen, het ongetwijfeld vast zoû staan, dat de tweehonderd
millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister vallen zoû. Hij
herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn vader
eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die
logisch in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden
van overtuiging, vroeg hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de
omstandigheden en van ze maken wat van ze te maken was. Waarom men niet
de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden als het gewonnene
en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—de
tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier
of vijf jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s
jaars meer, niet zoo heftige tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene
schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen handhaven en door den
keizer gehandhaafd kunnen worden...
Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo
niet geniaal, practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis
wat er van te maken zoû zijn. Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam,
goedkeurend. De keizer en graaf Marcella konden Othomars denkbeeld niet
dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven wilden de legerwet
in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier voegde
zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene
zoodanige schikking de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf
Marcella zoû kunnen behouden. En de beraadslaging eindigde, dat het
voorstel van den hertog van Xara in overweging zoû genomen worden. Toen
Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins nog een
oogenblik te blijven.
—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de
zaken van ons land bezig houdt...
Hij weifelde even, bijna angstig.
—Welke concluzie kan ik daaruit trekken... voor de toekomst? ging hij
eindelijk langzaam voort.
De kroonprins begreep hem.
—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik
zal ze misschien nog wel hebben. Maar vergeet... wat er zoo kort voor
Berengars dood tusschen ons besproken is geworden. Ik denk er niet meer
over afstand te doen...
De keizer haalde diep adem.
—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien
bijgeloovig. Ik zie duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God...
Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen.
—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den
dood van éen onzer binnen dit jaar. Ik dacht dat ik het zelf zoû zijn,
die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in, dat het
monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan
mijzelven, die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik
zag, dat hij meer vorst was dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en
ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik voel het, dat ik mijzelven niet
behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande moet houden in het
leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan
anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in
het vage, in het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten
wat en als ik niet volbracht, was ik er wanhopig om...
Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich
te ver laten gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat
hem kalm aan te hooren, en hij ging voort:
—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke
wanhoop ons aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan
anderen. U ziet—en hij stond op en glimlachte—ik kan maar niet genezen
van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij zal leeren sterken in
plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander principe
voortvloeit.—De keizer haalde licht de schouders op.
—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je
alleen dezen raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer
jezelven niet te veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt
toch weêr later oude rechten. Ik denk zooveel niet na; ik ben meer
spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen, omdat jij
anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen
tijd dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je
overpeinzingen en dat rezultaat is: dat je jezelven teruggeeft aan het
gewone leven en aan de belangen van je land. En hierom verheug ik me,
Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed, dat je
ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult
regeeren met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis.
Ik vermoed, dat je van de autoritair adellijke partij veel tegenkanting
zult hebben... Maar zooals ik zeg, ik wil daar niet te ver in doorgaan
en mij alleen verheugen over je moreele beterschap. En ik ben je heel
dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was
eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij
zijn daartoe te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde,
het beste zal zijn; dat het wel niet anders zal kunnen...
Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die.
—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne
tirannieke hoogheid het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij
je blijven over... woorden, die ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig
en driftig, dat weet je. Ik hield meer van Berengar dan van jou. Maar
jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille van hem...
Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt
je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht... Vergeef me mijn
eerlijkheid.
Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de
tengerheid van den prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo
dadelijk na zijne woorden: de laatste van mijn geslacht... Een vreemde,
bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar tevens vermoedde hij
duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele
drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste,
maar, vol verwondering, voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was
en Oscar, alleen, hierover dacht, en die drijfveer zocht in hetgeen hem
in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde toch, dat wat ze
ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was dan
spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de
keizerin op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd
met ergernis, om hun troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was.
Maar alsof eene schemering van glans voor zijne oogen opging, zag hij
nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden wrevel en eene dankbare
warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar had die
geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor
zijn land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit
mysterie, wat dan ook, het element, dat hun geslacht behoefde, eene
noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid... Hij drong daar
verder niet in door; de toekomst—ook al klaarde ze nu op uit hare
eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het verleden lief, die
ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat niet
alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als
zijn zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed
zijn. De wil van God was ondoorgrondelijk...
En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd,
boog hij de knieën voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor
zijne beide zonen, bad hij lang voor den zoon, die zijne kroon zoû
dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn éigen bloed, en
welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den
grond van zijne, nu uitgestorte, ziel...