VIII.

Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers

het volk voorbij het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden

werd het vervoerd naar Altara en bijgezet in den keizerlijken

grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen Gunther en Herman

van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog

van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te

nemen: hij bleef te Lipara.

De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug

naar de rezidentie, waar, op het dringend verlangen van hare zuster,

ook koningin Olga met prinses Wanda gekomen was. En in de rouwstilte

van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr in een nauwen cirkel

van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen, die

onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen

van verdriet, die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te

bedaren. De keizer was ontroostbaar, gaf zich met eene kinderlijke

hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo gezien, men kende

hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne ziel in

opstand tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer

had aangetrokken zijn laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van

afstand-doen gesproken had. De keizer was er niet meer op terug

gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr met Othomar

over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den

kroonprins dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich

wat er volgens de wetten gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de

aartshertogin van Karinthië keizerin, de aartshertog prins-gemaal en

het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den troon van

Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed,

tegelijkertijd met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden

met dat zeer bijzondere leed van den vorst, in wiens bloed nog vloeit

geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen, en die

ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook

ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad,

zwaarder, maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over

sprak—en hierom wellicht smartelijker, voelde hij zijn leed over dit

idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs met de keizerin

had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid.

En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een

zweem van kinderlijkheid gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij

de ziel ware van ieder ander mensch in plaats van de zijne: die van een

vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de legerwet. Er zouden

driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds

toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd,

voor de artillerie, had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog

niet weten te verwinnen. De meerderheid der legercommissie was tegen

die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der Standen ried de

minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch

Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû

zijn minister daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe.

Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op

de hoogte der questie liet brengen, de stafkaarten en legerstaten en

verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies van

uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den

generaal. Hij had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen

in het kabinet van zijn vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde

hij zich—wat hij niet altijd deed—in uniform en liet door een kamerheer

aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig te zijn bij

de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de

schouders op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen,

dat hij komen kon. Zoodra de Rijkskanselier en de minister bij den

keizer waren, vervoegde Othomar zich bij hen. Hij was tengerder nog

geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform konden

nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat

hol van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere

koortsachtige onrust verloren en zijne melancholieke kalmte

teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid. Hij mengde zich

eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier

zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister

verklaren, dat hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar

vergunning een woord in het midden te brengen. Hij had een potlood in

de hand genomen; hij toonde met enkele kort besliste lijnen van

aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen op de

staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig

opnoemde, dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover

hij kon nagaan uit de verslagen der commissie, uit de stemming in het

Huis der Standen, het ongetwijfeld vast zoû staan, dat de tweehonderd

millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister vallen zoû. Hij

herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn vader

eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die

logisch in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden

van overtuiging, vroeg hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de

omstandigheden en van ze maken wat van ze te maken was. Waarom men niet

de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden als het gewonnene

en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—de

tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier

of vijf jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s

jaars meer, niet zoo heftige tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene

schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen handhaven en door den

keizer gehandhaafd kunnen worden...

Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo

niet geniaal, practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis

wat er van te maken zoû zijn. Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam,

goedkeurend. De keizer en graaf Marcella konden Othomars denkbeeld niet

dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven wilden de legerwet

in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier voegde

zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene

zoodanige schikking de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf

Marcella zoû kunnen behouden. En de beraadslaging eindigde, dat het

voorstel van den hertog van Xara in overweging zoû genomen worden. Toen

Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins nog een

oogenblik te blijven.

—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de

zaken van ons land bezig houdt...

Hij weifelde even, bijna angstig.

—Welke concluzie kan ik daaruit trekken... voor de toekomst? ging hij

eindelijk langzaam voort.

De kroonprins begreep hem.

—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik

zal ze misschien nog wel hebben. Maar vergeet... wat er zoo kort voor

Berengars dood tusschen ons besproken is geworden. Ik denk er niet meer

over afstand te doen...

De keizer haalde diep adem.

—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien

bijgeloovig. Ik zie duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God...

Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen.

—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den

dood van éen onzer binnen dit jaar. Ik dacht dat ik het zelf zoû zijn,

die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in, dat het

monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan

mijzelven, die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik

zag, dat hij meer vorst was dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en

ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik voel het, dat ik mijzelven niet

behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande moet houden in het

leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan

anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in

het vage, in het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten

wat en als ik niet volbracht, was ik er wanhopig om...

Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich

te ver laten gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat

hem kalm aan te hooren, en hij ging voort:

—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke

wanhoop ons aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan

anderen. U ziet—en hij stond op en glimlachte—ik kan maar niet genezen

van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij zal leeren sterken in

plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander principe

voortvloeit.—De keizer haalde licht de schouders op.

—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je

alleen dezen raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer

jezelven niet te veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt

toch weêr later oude rechten. Ik denk zooveel niet na; ik ben meer

spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen, omdat jij

anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen

tijd dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je

overpeinzingen en dat rezultaat is: dat je jezelven teruggeeft aan het

gewone leven en aan de belangen van je land. En hierom verheug ik me,

Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed, dat je

ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult

regeeren met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis.

Ik vermoed, dat je van de autoritair adellijke partij veel tegenkanting

zult hebben... Maar zooals ik zeg, ik wil daar niet te ver in doorgaan

en mij alleen verheugen over je moreele beterschap. En ik ben je heel

dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was

eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij

zijn daartoe te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde,

het beste zal zijn; dat het wel niet anders zal kunnen...

Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die.

—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne

tirannieke hoogheid het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij

je blijven over... woorden, die ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig

en driftig, dat weet je. Ik hield meer van Berengar dan van jou. Maar

jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille van hem...

Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt

je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht... Vergeef me mijn

eerlijkheid.

Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de

tengerheid van den prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo

dadelijk na zijne woorden: de laatste van mijn geslacht... Een vreemde,

bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar tevens vermoedde hij

duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele

drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste,

maar, vol verwondering, voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was

en Oscar, alleen, hierover dacht, en die drijfveer zocht in hetgeen hem

in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde toch, dat wat ze

ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was dan

spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de

keizerin op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd

met ergernis, om hun troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was.

Maar alsof eene schemering van glans voor zijne oogen opging, zag hij

nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden wrevel en eene dankbare

warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar had die

geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor

zijn land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit

mysterie, wat dan ook, het element, dat hun geslacht behoefde, eene

noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid... Hij drong daar

verder niet in door; de toekomst—ook al klaarde ze nu op uit hare

eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het verleden lief, die

ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat niet

alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als

zijn zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed

zijn. De wil van God was ondoorgrondelijk...

En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd,

boog hij de knieën voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor

zijne beide zonen, bad hij lang voor den zoon, die zijne kroon zoû

dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn éigen bloed, en

welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den

grond van zijne, nu uitgestorte, ziel...

Majesteit · 第 44 / 52 题