VII.

Den volgenden morgen ging de dag op over den rouw van een keizerrijk.

Prins Berengar was in dien nacht bezweken.

Othomar had lang geslapen en werd laat wakker, als in eene vreemde

kalmte. Toen professor Barzia hem het einde van den kleinen prins

vertelde,—de apathie der laatste oogenblikken na eene woede van

koorts—scheen het hem toe, dat hij dit reeds wist. De groote smart, die

hij voelde, was zonderling rustig, zonder oproer in zijn hart en

verbaasde hemzelven. Kalm bleef hij liggen, toen de professor hem

verbood op te staan. Als zonder emotie stelde hij zich voor: den

kleinen jongen, roerloos, de oogen gesloten, op zijn veldbed.

Werktuigelijk vouwde hij zijne handen en bad hij voor het zieltje van

zijn broêr.

Hij mocht dien dag zijne kamer niet verlaten en zag alleen even de

keizerin, die bij hem kwam. Het verbaasde hem niets, dat ook zij kalm

was, met droge oogen: zij had nog geen traan gestort. Zelfs toen hij

zich oprichtte uit zijne kussens en haar omhelsde, weende zij niet. Hij

ook weende niet, maar alleen zijne eigene kalmte verwonderde hem: niet

de hare. Zij bleef maar een oogenblik; toen ging zij terug als met

werktuigelijke passen en hij bleef alleen. Hij zag dien dag anders

niemand dan Barzia: zelfs Andro kwam niet in zijne kamer binnen.

Buiten die kamer ried de prins, aan zekere passen door de gangen,

zekere klanken van stem—het weinige, dat tot hem doordrong—de smart van

het paleis; stelde hij zich voor de treurmare gaande door het land,

Europa, en de menschen ontzet doende staan voor den dood, die verrast

had. Het leven was niet zeker: wie wist of hij morgen leefde! IJdel

waren de plannen der menschen, wie wist het uur, dat volgen zoû! En

kalm steeds bleef hij hierover denken, in de zonderlinge rust van zijne

ziel, waarin hij als eene nutteloosheid zag om te strijden tegen het

leven en tegen den dood.

Den volgenden dag eerst vergunde Barzia hem op te staan, laat in den

middag. Na zijne douche kleedde hij zich kalm aan, in zijne

lanciersuniform, een krip om de mouw. Toen hij zich in een spiegel zag,

verwonderde het hem hoe hij leek op zijne moeder, hoe hij nu ging met

hare zelfde machinale pas. Barzia vergunde hem naar den salon der

keizerin te gaan. Hij vond er haar, den keizer, Thera, en den

aartshertog en de aartshertogin van Karinthië, die den vorigen avond te

Lipara waren aangekomen. Men zat stil bij elkaâr; nu en dan ging een

zacht woord om.

Othomar ging naar den keizer en wilde hem omhelzen: Oscar echter drukte

hem slechts de hand. Daarna omhelsde Othomar zijne zusters, zijn

schoonbroêr. Toen zette hij zich neêr bij de keizerin en nam hare hand

en zat stil. Zij was vermagerd en krijtwit in hare zwarte japon. Zij

weende niet: alleen de twee prinsessen begonnen telkens te snikken en

telkens weêr.

De familie gebruikte het diner alleen in de kleine eetzaal, zonder

gevolg. Eene verplettering was als neêrgezonken op het paleis, dat

geheel scheen te zwijgen op dit uur, met alleen nu en dan het zachte

geloop door galerijen van een ordonnans-officier, die ging, een

lijkkrans in de hand, van een lakei, die bracht een blad vol

telegrammen. Na het korte diner trok de familie zich weêr terug in den

salon der keizerin. De uren sleepten zich voort. De avond was geheel

gevallen. Toen werd de aartsbisschop van Lipara aangekondigd.

De keizerlijke familie stond op; door de galerijen ging zij, zonder

gevolg, naar de groote Ridderzaal. Hellebaardiers stonden bij de deur.

Zij traden binnen. De keizer reikte de keizerin de hand en geleidde

haar naar den troon, waarvan de kroon en de draperiën omfloersd waren.

Aan beide zijden waren zetels voor Othomar, de prinsessen, den

aartshertog.

In het midden der zaal, voor den troon, rees de katafalk op onder een

hemel van zwart en hermelijn. In uniform lag er de kleine prins neêr.

Over zijne voeten hing een kleine blauwe riddermantel met een groot wit

kruis; een kinderdegen lag hem op de borst, en zijne handjes waren om

het juweelen gevest heengevouwen. Aan zijn hoofdje, en wat hooger,

blonk, op een kussen, een kleine markiezenkroon. Zes vergulde luchters

glansden met vele hooge kaarsen stil op het kind neêr en ze lieten de

groote zaal verder in schaduw: alleen rees, buiten, de maan in verre

nachtblauwe lucht; hier en daar tintte ze met een witte glansplek de

wapenrustingen, de trofeeën, die hingen en, als ijzeren geesten,

stonden in nissen en aan den muur. Aan het voeteneind der katafalk

breidde, op een tafel, met wit fluweelen kleed, als altaar, een groot,

verguld crucifix, tusschen luchters, ontfermend, twee kruisarmen uit.

Den degen in den arm, roerloos als de wapenrustingen aan den muur,

stonden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, twee aan

twee, aan iedere zijde van de katafalk.

Een zachte geur van bloemen woei om. Om de katafalk heen stapelden zich

de kransen op in cirkels van alles wat wit bloesemt; de aroom van

violen geurde het hoogst.

Zij waren gezeten: de keizer, de keizerin en hunne vier kinderen.

Langzaam kwam de aartsbisschop binnen met zijne priesters en

koorknapen. Toen knielden de vorsten op kussens voor hunne zetels neêr.

De prelaat las de lijkmis en het Latijn van het Kyrie-Eleison en het

Agnus Dei smeekte voor Berengars kleine ziel te midden der zielen van

het vagevuur, trilde zacht door de immense zaal, wolkte met den geur

der bloemen mede over het roerlooze, ooggeslotene gezicht van het

keizerlijke kind...

De dienst was geëindigd; de prelaat sprenkelde het wijwater, ging

sprenkelend om de katafalk heen. De vorsten verlieten de zaal, maar

Othomar bleef.

—Ik wil mijn krans neêrleggen... sprak hij zacht tot de keizerin.

Ook de priesters, langzaam, vertrokken; den vier ridders, die door

anderen vervangen zouden worden, zeide de kroonprins zijn verlangen een

oogenblik alleen te willen blijven. Ook zij gingen. Toen zag hij aan de

deur Thesbia verschijnen, een grooten witten krans in de hand. Hij ging

den ordonnans-officier tegemoet en nam den krans aan.

Othomar bleef alleen. Lang, breed, met duistere einden, strekte zich de

zaal uit. De maan was hooger gestegen, scheen blanker, spookte op de

wapenrustingen. In het midden, als met heiligheid, tusschen den vromen

glans der lange kaarsen—rees de katafalk, lag de prins.

De kroonprins ging twee treden de katafalk op en legde den krans neêr.

Toen zag hij naar Berengars gelaat; geene koorts verwrong het meer;

rustig lag het, blank, als sliep het. Alle geluiden in de zaal waren

weggestorven; eene doodstilte hing neêr. Hier scheen de wereld van

smart, die het paleis en het land vervuld hadden, zich geheiligd te

hebben in verhevene kalmte. En Othomar zag zich alleen met zijne ziel.

Het onzekere van het leven, het ijdele van menschenvoornemen kwam tot

hem weêr, maar in klaarheid; het was geen zwart mysterie en werd

harmonie. Het was of hij geheel de harmonie zag van het verleden; in

geheel Liparië’s verleden van historie, in geheel het verleden der

wereld klonk geen enkele valsche toon. Alle smart was heilig en

harmonisch, bracht nader tot het hooge Einde, dat weêr Begin zoû zijn,

en nooit iets anders dan harmonie. Eene berusting daalde als een

heilige geest in zijn gemoed; zijne vreemde kalmte werd berusting. Het

was of zijne zenuwen zich ontspanden in éene groote leniging.

En in zijne berusting was alleen de weemoed, dat hij nooit meer zoû

hooren het hoog-bevelende stemmetje van het kind, dat hij lief had

gehad. Dat dit kleine leven uitgeleefd had, zoo gauw, en voor altijd.

In zijne berusting was alleen éven de verwondering, dat het zoo moest

zijn en niet als hij het zich gedacht had. Hij zoû zelve moeten dragen

zijne kroon, die hij aan Berengar had willen afstaan. En het was hem

nu, of hij die terug ontving van den kleinen doode zelven. Hierom zeker

voelde hij zoo niets geen opstand in zijne ziel, voelde hij die rust,

dat besef van harmonie. Als eene erfenis kwam zijn geschenk tot

hemzelven weêr terug.

Lang stond hij zoo, denkende, starende op zijn roerloos broêrtje en

eenvoudig werd zijne gedachte in hem; recht voor zich uit zag hij een

weg, dien hij volgen zoû...

Toen hoorde hij zijn naam:

—Othomar...

Hij keek op en zag de keizerin aan de deur. Zij kwam nader.

—Barzia vroeg naar je, fluisterde ze; hij maakte zich ongerust over

je...

Hij glimlachte haar toe en schudde het hoofd van neen: dat hij kalm

was.

Zij was nu geheel genaderd, trad op de treden van de katafalk en vlijde

zich aan zijn arm.

—Hoe stil is zijn gezichtje... murmelde ze. O, Othomar, ik heb hem nog

niet eens mijn laatsten zoen gegeven. En morgen behoort hij me niet

meer toe: dan defileert hier al dat volk!

—Maar hij is nú nog van ons, mama, van u...

—Othomar...

—Mama...

—Zal ik jou ook niet hoeven... te verliezen?

—Neen mama, mij niet... Ik zal blijven leven... voor u...

Hij omhelsde haar; zij zag tot hem op, verwonderd om zijne stem. Toen

keek ze weêr naar het kind. Ze maakte zich los uit de armen van haar

zoon, hief zich nog hooger, boog zich over het witte gezichtje en kuste

het voorhoofd. Maar zoodra de steenkoude van het doode vleesch in hare

lippen trok, trok zij zich terug, staarde wezenloos op het lijkje, of

zij nu eerst begreep. Een kramp verstijfde hare armen, verwrong hare

vingers; recht viel zij achterover tegen Othomar aan.

En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars

dood vergoot, en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte,

snikte...

Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk

af, geleidde haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het

stil kalme gelaat van den prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde

den professor gerust...

Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden,

traden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen.

Zij namen hunne plaats in aan beide zijden van de katafalk en zij

bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende voor zich uit,

wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de

blauwte van de maan viel... Ook de priesters waren binnengekomen, en

baden...

Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement

zijne moeder had overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de

galerijen door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der

gangen schrikte hij. De groote ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan

zijne voeten, met de holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers

waren daar bezig de balustrades der trap te drapeeren met floers van

krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden gedragen zoû worden.

Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte wolk

op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op,

en op en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger

te stijgen of ze het geheele paleis zouden veroveren met hun zwart...

De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in

het flauwe licht. Maar eene koude rilling ging over Othomar heen.

Doodsbleek staarde hij naar de mannen, die daar aan zijne voeten het

krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij herinnerde zich

zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon

zwijmde... Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen...

Toen sloeg hij een kruis.

—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting...

Majesteit · 第 43 / 52 题