Den volgenden morgen ging de dag op over den rouw van een keizerrijk.
Prins Berengar was in dien nacht bezweken.
Othomar had lang geslapen en werd laat wakker, als in eene vreemde
kalmte. Toen professor Barzia hem het einde van den kleinen prins
vertelde,—de apathie der laatste oogenblikken na eene woede van
koorts—scheen het hem toe, dat hij dit reeds wist. De groote smart, die
hij voelde, was zonderling rustig, zonder oproer in zijn hart en
verbaasde hemzelven. Kalm bleef hij liggen, toen de professor hem
verbood op te staan. Als zonder emotie stelde hij zich voor: den
kleinen jongen, roerloos, de oogen gesloten, op zijn veldbed.
Werktuigelijk vouwde hij zijne handen en bad hij voor het zieltje van
zijn broêr.
Hij mocht dien dag zijne kamer niet verlaten en zag alleen even de
keizerin, die bij hem kwam. Het verbaasde hem niets, dat ook zij kalm
was, met droge oogen: zij had nog geen traan gestort. Zelfs toen hij
zich oprichtte uit zijne kussens en haar omhelsde, weende zij niet. Hij
ook weende niet, maar alleen zijne eigene kalmte verwonderde hem: niet
de hare. Zij bleef maar een oogenblik; toen ging zij terug als met
werktuigelijke passen en hij bleef alleen. Hij zag dien dag anders
niemand dan Barzia: zelfs Andro kwam niet in zijne kamer binnen.
Buiten die kamer ried de prins, aan zekere passen door de gangen,
zekere klanken van stem—het weinige, dat tot hem doordrong—de smart van
het paleis; stelde hij zich voor de treurmare gaande door het land,
Europa, en de menschen ontzet doende staan voor den dood, die verrast
had. Het leven was niet zeker: wie wist of hij morgen leefde! IJdel
waren de plannen der menschen, wie wist het uur, dat volgen zoû! En
kalm steeds bleef hij hierover denken, in de zonderlinge rust van zijne
ziel, waarin hij als eene nutteloosheid zag om te strijden tegen het
leven en tegen den dood.
Den volgenden dag eerst vergunde Barzia hem op te staan, laat in den
middag. Na zijne douche kleedde hij zich kalm aan, in zijne
lanciersuniform, een krip om de mouw. Toen hij zich in een spiegel zag,
verwonderde het hem hoe hij leek op zijne moeder, hoe hij nu ging met
hare zelfde machinale pas. Barzia vergunde hem naar den salon der
keizerin te gaan. Hij vond er haar, den keizer, Thera, en den
aartshertog en de aartshertogin van Karinthië, die den vorigen avond te
Lipara waren aangekomen. Men zat stil bij elkaâr; nu en dan ging een
zacht woord om.
Othomar ging naar den keizer en wilde hem omhelzen: Oscar echter drukte
hem slechts de hand. Daarna omhelsde Othomar zijne zusters, zijn
schoonbroêr. Toen zette hij zich neêr bij de keizerin en nam hare hand
en zat stil. Zij was vermagerd en krijtwit in hare zwarte japon. Zij
weende niet: alleen de twee prinsessen begonnen telkens te snikken en
telkens weêr.
De familie gebruikte het diner alleen in de kleine eetzaal, zonder
gevolg. Eene verplettering was als neêrgezonken op het paleis, dat
geheel scheen te zwijgen op dit uur, met alleen nu en dan het zachte
geloop door galerijen van een ordonnans-officier, die ging, een
lijkkrans in de hand, van een lakei, die bracht een blad vol
telegrammen. Na het korte diner trok de familie zich weêr terug in den
salon der keizerin. De uren sleepten zich voort. De avond was geheel
gevallen. Toen werd de aartsbisschop van Lipara aangekondigd.
De keizerlijke familie stond op; door de galerijen ging zij, zonder
gevolg, naar de groote Ridderzaal. Hellebaardiers stonden bij de deur.
Zij traden binnen. De keizer reikte de keizerin de hand en geleidde
haar naar den troon, waarvan de kroon en de draperiën omfloersd waren.
Aan beide zijden waren zetels voor Othomar, de prinsessen, den
aartshertog.
In het midden der zaal, voor den troon, rees de katafalk op onder een
hemel van zwart en hermelijn. In uniform lag er de kleine prins neêr.
Over zijne voeten hing een kleine blauwe riddermantel met een groot wit
kruis; een kinderdegen lag hem op de borst, en zijne handjes waren om
het juweelen gevest heengevouwen. Aan zijn hoofdje, en wat hooger,
blonk, op een kussen, een kleine markiezenkroon. Zes vergulde luchters
glansden met vele hooge kaarsen stil op het kind neêr en ze lieten de
groote zaal verder in schaduw: alleen rees, buiten, de maan in verre
nachtblauwe lucht; hier en daar tintte ze met een witte glansplek de
wapenrustingen, de trofeeën, die hingen en, als ijzeren geesten,
stonden in nissen en aan den muur. Aan het voeteneind der katafalk
breidde, op een tafel, met wit fluweelen kleed, als altaar, een groot,
verguld crucifix, tusschen luchters, ontfermend, twee kruisarmen uit.
Den degen in den arm, roerloos als de wapenrustingen aan den muur,
stonden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, twee aan
twee, aan iedere zijde van de katafalk.
Een zachte geur van bloemen woei om. Om de katafalk heen stapelden zich
de kransen op in cirkels van alles wat wit bloesemt; de aroom van
violen geurde het hoogst.
Zij waren gezeten: de keizer, de keizerin en hunne vier kinderen.
Langzaam kwam de aartsbisschop binnen met zijne priesters en
koorknapen. Toen knielden de vorsten op kussens voor hunne zetels neêr.
De prelaat las de lijkmis en het Latijn van het Kyrie-Eleison en het
Agnus Dei smeekte voor Berengars kleine ziel te midden der zielen van
het vagevuur, trilde zacht door de immense zaal, wolkte met den geur
der bloemen mede over het roerlooze, ooggeslotene gezicht van het
keizerlijke kind...
De dienst was geëindigd; de prelaat sprenkelde het wijwater, ging
sprenkelend om de katafalk heen. De vorsten verlieten de zaal, maar
Othomar bleef.
—Ik wil mijn krans neêrleggen... sprak hij zacht tot de keizerin.
Ook de priesters, langzaam, vertrokken; den vier ridders, die door
anderen vervangen zouden worden, zeide de kroonprins zijn verlangen een
oogenblik alleen te willen blijven. Ook zij gingen. Toen zag hij aan de
deur Thesbia verschijnen, een grooten witten krans in de hand. Hij ging
den ordonnans-officier tegemoet en nam den krans aan.
Othomar bleef alleen. Lang, breed, met duistere einden, strekte zich de
zaal uit. De maan was hooger gestegen, scheen blanker, spookte op de
wapenrustingen. In het midden, als met heiligheid, tusschen den vromen
glans der lange kaarsen—rees de katafalk, lag de prins.
De kroonprins ging twee treden de katafalk op en legde den krans neêr.
Toen zag hij naar Berengars gelaat; geene koorts verwrong het meer;
rustig lag het, blank, als sliep het. Alle geluiden in de zaal waren
weggestorven; eene doodstilte hing neêr. Hier scheen de wereld van
smart, die het paleis en het land vervuld hadden, zich geheiligd te
hebben in verhevene kalmte. En Othomar zag zich alleen met zijne ziel.
Het onzekere van het leven, het ijdele van menschenvoornemen kwam tot
hem weêr, maar in klaarheid; het was geen zwart mysterie en werd
harmonie. Het was of hij geheel de harmonie zag van het verleden; in
geheel Liparië’s verleden van historie, in geheel het verleden der
wereld klonk geen enkele valsche toon. Alle smart was heilig en
harmonisch, bracht nader tot het hooge Einde, dat weêr Begin zoû zijn,
en nooit iets anders dan harmonie. Eene berusting daalde als een
heilige geest in zijn gemoed; zijne vreemde kalmte werd berusting. Het
was of zijne zenuwen zich ontspanden in éene groote leniging.
En in zijne berusting was alleen de weemoed, dat hij nooit meer zoû
hooren het hoog-bevelende stemmetje van het kind, dat hij lief had
gehad. Dat dit kleine leven uitgeleefd had, zoo gauw, en voor altijd.
In zijne berusting was alleen éven de verwondering, dat het zoo moest
zijn en niet als hij het zich gedacht had. Hij zoû zelve moeten dragen
zijne kroon, die hij aan Berengar had willen afstaan. En het was hem
nu, of hij die terug ontving van den kleinen doode zelven. Hierom zeker
voelde hij zoo niets geen opstand in zijne ziel, voelde hij die rust,
dat besef van harmonie. Als eene erfenis kwam zijn geschenk tot
hemzelven weêr terug.
Lang stond hij zoo, denkende, starende op zijn roerloos broêrtje en
eenvoudig werd zijne gedachte in hem; recht voor zich uit zag hij een
weg, dien hij volgen zoû...
Toen hoorde hij zijn naam:
—Othomar...
Hij keek op en zag de keizerin aan de deur. Zij kwam nader.
—Barzia vroeg naar je, fluisterde ze; hij maakte zich ongerust over
je...
Hij glimlachte haar toe en schudde het hoofd van neen: dat hij kalm
was.
Zij was nu geheel genaderd, trad op de treden van de katafalk en vlijde
zich aan zijn arm.
—Hoe stil is zijn gezichtje... murmelde ze. O, Othomar, ik heb hem nog
niet eens mijn laatsten zoen gegeven. En morgen behoort hij me niet
meer toe: dan defileert hier al dat volk!
—Maar hij is nú nog van ons, mama, van u...
—Othomar...
—Mama...
—Zal ik jou ook niet hoeven... te verliezen?
—Neen mama, mij niet... Ik zal blijven leven... voor u...
Hij omhelsde haar; zij zag tot hem op, verwonderd om zijne stem. Toen
keek ze weêr naar het kind. Ze maakte zich los uit de armen van haar
zoon, hief zich nog hooger, boog zich over het witte gezichtje en kuste
het voorhoofd. Maar zoodra de steenkoude van het doode vleesch in hare
lippen trok, trok zij zich terug, staarde wezenloos op het lijkje, of
zij nu eerst begreep. Een kramp verstijfde hare armen, verwrong hare
vingers; recht viel zij achterover tegen Othomar aan.
En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars
dood vergoot, en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte,
snikte...
Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk
af, geleidde haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het
stil kalme gelaat van den prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde
den professor gerust...
Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden,
traden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen.
Zij namen hunne plaats in aan beide zijden van de katafalk en zij
bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende voor zich uit,
wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de
blauwte van de maan viel... Ook de priesters waren binnengekomen, en
baden...
Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement
zijne moeder had overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de
galerijen door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der
gangen schrikte hij. De groote ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan
zijne voeten, met de holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers
waren daar bezig de balustrades der trap te drapeeren met floers van
krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden gedragen zoû worden.
Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte wolk
op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op,
en op en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger
te stijgen of ze het geheele paleis zouden veroveren met hun zwart...
De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in
het flauwe licht. Maar eene koude rilling ging over Othomar heen.
Doodsbleek staarde hij naar de mannen, die daar aan zijne voeten het
krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij herinnerde zich
zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon
zwijmde... Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen...
Toen sloeg hij een kruis.
—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting...