IX.

Uit het Dagboek van Alexa, Hertogin van Yemena. Gravin van Vaza.

Nov. 18...

De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft

het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de

hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen

kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik

hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en

zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.

Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na

deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft,

voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat

ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor

mij zie lichten...

En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een

jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen

van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik

weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in

mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet

waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij niet

kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil

laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche

liefde koesteren wil.

Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven!

Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd

waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O,

ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige.

Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw

offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in

mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood

is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij

geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het

eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader

bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan

aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij

anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders,

dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een

scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge

aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw

vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was

zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat

het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw

Leven...

Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel,

tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig

leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van

Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom

voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming

van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in

het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik

heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is

mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf:

me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te

moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.

Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en

erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van

jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O,

de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En

de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het

licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste

wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen

sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods,

zal het ooit mogen!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering

van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een

vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik

wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk

zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt

Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in

mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan

bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw.

Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en

blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart

het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op...

Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand

ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven

werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare

werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in

het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij

niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook

ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt,

omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik

altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw

zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen

overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost

willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik heb U

getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen

ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had

durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat

zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik

toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet!

Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als

ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk

wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost

heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb.

Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe

minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van

mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede

zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen

mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde

en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver

op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi

is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal

hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om

Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is

mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins,

mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn

vorst, en mijn vorst alleen!

Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar,

Hertog van Xara te Lipara.

Castel Vaza, Nov. 18... Mijn dierbare Prins!

Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende

eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef

er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U

alleen voor mijzelve, nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik

het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op

het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets

geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk,

na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor

mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem

ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze

de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het

mysterie, dat onze liefde was...

Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,

Alexa.

Majesteit · 第 45 / 52 题