Uit het Dagboek van Alexa, Hertogin van Yemena. Gravin van Vaza.
Nov. 18...
De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft
het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de
hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen
kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik
hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en
zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.
Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na
deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft,
voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat
ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor
mij zie lichten...
En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een
jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen
van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik
weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in
mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet
waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij niet
kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil
laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche
liefde koesteren wil.
Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven!
Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd
waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O,
ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige.
Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw
offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in
mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood
is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij
geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het
eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader
bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan
aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij
anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders,
dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een
scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge
aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw
vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was
zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat
het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw
Leven...
Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel,
tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig
leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van
Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom
voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming
van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in
het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik
heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is
mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf:
me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te
moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.
Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en
erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van
jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O,
de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En
de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het
licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste
wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen
sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods,
zal het ooit mogen!
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering
van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een
vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik
wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk
zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt
Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in
mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan
bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw.
Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en
blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart
het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op...
Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand
ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven
werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare
werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in
het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij
niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook
ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt,
omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik
altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw
zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen
overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost
willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik heb U
getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen
ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had
durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat
zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik
toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet!
Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als
ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk
wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost
heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb.
Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe
minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van
mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede
zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen
mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde
en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver
op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi
is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal
hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om
Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is
mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins,
mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn
vorst, en mijn vorst alleen!
Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar,
Hertog van Xara te Lipara.
Castel Vaza, Nov. 18... Mijn dierbare Prins!
Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende
eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef
er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U
alleen voor mijzelve, nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik
het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op
het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets
geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk,
na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor
mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem
ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze
de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het
mysterie, dat onze liefde was...
Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,
Alexa.