De kroonprins ging door de antichambre: een der doktoren stond er
kompressen te weeken in een kom met ijs; nieuw ijs werd juist door een
kamerdienaar in een emmer aangebracht. De deur van de slaapkamer was
open en aan de deur bleef Othomar staan. Op zijn veldbed lag de kleine
prins en praatte zacht, zangerig door; de keizerin, bleek, lijdende,
zich ophoudende ondanks alles, zat met de prinses Thera naast hem.
De keizer wisselde korte woorden met de twee andere doktoren, over wier
trekken eene strakke hopeloosheid lag, bijtende smart verwrong Oscars
gelaat, dat trok van diepe rimpels.
—Mijn God, hij herkent me niet, hij herkent mij niet! hoorde Othomar
den keizer klagen.
—Mij ook niet, murmelde de keizerin.
—Wat zoû het zijn; wat, wat, wat zoû het zijn, zong het prinsje en zijn
anders schel stemmetje klonk zacht als het melodietje van een vogel:
het was of hij wat speelde in zichzelven.
—Ik krijg wat van mijn broêrtje, van mijn broêrtje, wat moois! zong hij
door; en de keizerin verstond zijne woorden, maar ze begreep niet, en
toen hij verder zong: den naam van den kroonprins, met zijn titel:
—Othomar, o Othomar van Xara, van Xara... smeekte ze zacht naar de
deur;
—Othomar, hij zegt je naam; kom, misschien herkent hij jou!
Othomar kwam nader; hij ging voorbij den keizer, hij knielde neêr aan
het bed; een glimlach lichtte over Berengars gezichtje.
—Hij wordt kalmer, zei de goedige dokter, wien de tranen over het
gezicht liepen, tot Oscar; ziet Uwe Majesteit: de prins herkent Zijne
Hoogheid, den Hertog...
Eene blijdschap klonk door zijne stem.
Een hevige jaloezie verwrong de trekken van den keizer.
—Neen, neen, sprak hij.
—Zeker, Sire, zie maar, drong de dokter aan, oplevende in hoop.
—o Othomar, o Othomar van Xara, zong het prinsje: hij had zijn broêr
herkend, maar zag hem niet in het leven, zag hem alleen in zijn
wakenden droom, door de glazigheid van zijn koorts.
—Wat breng je me voor moois? Kleiner dan een paard, maar zwaarder?
Zwaarder? O wat is het zwaar, zwaar, zwaar...
Zijn stemmetje klonk als in inspanning, als lichtte hij iets op; zijn
kramptrekkende, kleine, breede handen maakten het gebaar van moeilijk
beuren.
—Berengar, sprak de kroonprins en zijne stem brak, zijn hart kromp
ineen...
—Othomar, antwoordde het kind.
Een smartelijke kreet ontsnapte den keizer.
—Ja, je bent altijd zoo aardig voor me, ging de kleine prins zangerig
voort. Je geeft me altijd van die mooie dingen. Je weet wel, die mooie
kanonnen, op mijn verjaardag? En dat pistool? Maar daar is mama zoo
bang voor... Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed, aan je oor... Wat
bloedt, gaat toch dood? Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed op je jas...
De keizerin bleef strak zitten; zij zag van Berengar naar de bloedende
wond van haar oudsten zoon...
—Bloed, bloed, bloed! zong het kind. Othomar gaat dood! Ja, hij geeft
me altijd zooveel moois, Othomar. Ik heb al zooveel, veel meer dan àlle
àndere kinderen van Liparië! En wat krijg ik nu... nog meer? Dat mooie
ding? Wat is het? Ik voel het wel: het is zoo zwaar, maar ik zie het
niet...
De dokter was uit de antichambre gekomen en naderde met de kompressen.
—Ik zie het niet... ik zie het niet...!! zong het kind pijnlijk, mat.
Toen de dokter de kompressen aanlegde, woelde het tegen, begon het te
huilen, alsof een groot verdriet in zijn hartje opwelde.
—Ik zie het niet!! snikte het; ik zal het noóit zien...!!!!
Een heftige bui volgde het snikken; woest sloeg hij met de armen rond,
trok de kompressen af, wierp zich het ijs van het hoofd, richtte zich
met dolle oogjes staande in zijn bed, gooide de dekens weg... Othomar
was opgerezen, de keizerin ook. Oscar zat in een stoel, het gezicht met
de handen bedekt, en snikte tegen prinses Thera aan. De doktoren traden
bij het bed, poogden Berengar te bedaren, maar hij sloeg ze; de koorts
steeg in krankzinnigheid naar zijn klein brein.
Op dit oogenblik kwam professor Barzia binnen; hij woonde niet in het
paleis; men had hem ontboden uit zijn hôtel.
—Wat doet Uwe Hoogheid hier? richtte hij zich aanstonds tot Othomar.
De kroonprins antwoordde niet.
—Trekt Uwe Hoogheid zich dadelijk terug in Haar eigen appartement,
beval de professor.
—Red mijn jongen! riep de keizer uit, gebroken, snikkende.
—Ik red den kroonprins eerst, Sire: hij vermoordt zich hier!
—Goed, goed, maar red hèm dan! schreeuwde Oscar woest.
De andere doktoren hadden bevelen gegeven; een kuip werd
binnengebracht; vol gegoten met lauw water, geregeld naar een
thermometer... Maar Othomar zag niet meer, hij ijlde weg, voortgedreven
door Barzia’s strenge blikken. Over de galerijen ijlde hij, door een
groep van officieren en kamerheeren, die angstig met elkaâr stonden te
fluisteren en voor hem uitweken. Hij stortte zijn eigen kabinet in, dat
niet verlicht was. In den donker dacht hij zich neêr te gooien op de
bank, maar bonsde op den grond. Daar bleef hij liggen. Zoo, als
verpletterd door de duisternis, begon hij te kreunen, te steenen, luid
op te snikken met scherpe gillen van zenuwtoeval.
Andro was binnen gekomen; zijn voet stiet tegen den prins aan. Hij stak
het gas aan, poogde zijn meester op te beuren. Maar Othomar hield zich
als loodzwaar; snerpend lang stieten zich de zenuwgillen uit zijne
keel. Andro belde, twee-, driemaal; lang luidde hij door; eindelijk
verschenen een lakei en een kamerheer tegelijkertijd aan verschillende
deuren.
—Roep professor Barzia! riep Andro tot den lakei. Excellentie, helpt u
me Zijne Hoogheid oplichten...! smeekte hij den kamerheer. Maar de
lakei liep, toen hij zich omkeerde, tegen den professor aan, die bij
den kleinen prins niets doen kon en den kroonprins gevolgd was. Hij zag
Othomar liggen op den grond, kreunend, gillend...
—Laat mij met Zijne Hoogheid alleen, beval hij met een blik rondom
zich.
De kamerheer, Andro, de lakei volgden zijn bevel.
De professor was een groote, oude man, zwaar gebouwd en sterk: hij
naderde den prins en hief hem, niettegenstaande zijne loodzwaarte van
nervoziteit, op in zijne armen. Zoo hield hij hem eenvoudig omklemd, op
de bank, en zag hem aan, diep in de oogen, met blikken van suggestie.
In eens zweeg Othomar zijn gillen stil; zijne keel verstomde. Mat
knikte zijn hoofd neêr op den schouder van Barzia. Deze hield hem
steeds in zijne armen. De prins werd kalm, als een gesust kind, zonder
dat Barzia éen woord geuit had.
—Mag ik Uwe Hoogheid verzoeken naar bed te gaan, sprak de professor met
zijne zachte stem van dwang.
Hij hielp Othomar opstaan, stak zelve het licht aan in zijne
slaapkamer, hielp den prins zijn jas uittrekken.
—Waarom bloedt Uw Hoogheid aan het oor? vroeg Barzia, wien geronnen
bloed de vingers bezoedelde.
—Een schot... begon Othomar dof; het wegwenden van zijn gelaat, het
sluiten van zijne oogen zeiden het overige.
De professor sprak niet meer; als ware Othomar een kind, hielp hij hem
verder, waschte hij hem het oor, den hals, de handen, met de zachtheid
eener moeder. Toen deed hij hem zich neêrleggen in bed, dekte hem toe,
ordende de kamer als een knecht. Toen ging hij naast het bed zitten,
waarin Othomar lag, met groote vreemde oogen, starend: hij nam de hand
van den prins en bleef zoo, lang, zacht ziende op hem neêr. Het half
neêrgedraaide licht, achter, hield den grooten kop van Barzia in het
donker en glansde alleen wat op zijn kalen schedel, waaraan tot op den
hals eenige grijze manen hingen. Eindelijk sprak hij zacht:
—Uwe Hoogheid wil beter worden, niet waar?
—Ja, sprak Othomar, zijns ondanks.
—Hoe zal Uwe Hoogheid dat doen? vroeg de professor.
De prins antwoordde niet.
—Weet Uwe Hoogheid niet? Dan moet Zij er maar eens over denken. Maar
Zij moet zich heel kalm houden, niet waar, héel kalm...
En hij streelde Othomars hand met zachte, gelijke bewegingen, als
balsemde hij ze.
—Want Uwe Hoogheid mag zich nooit meer toegeven aan zenuwtoevallen. Uwe
Hoogheid moet bedenken, hoe ze tegen te houden. Ik geef Uwe Hoogheid
wel veel te bedenken, ging Barzia glimlachend door. Dat doe ik, omdat
ik Uwe Hoogheid aan andere dingen wil laten denken, dan waaraan Ze
denkt. Er moet wat klaarheid komen in Hare hersenen. Is Zij moê en wil
Ze slapen, of mag ik nog praten?
—Ja, praat maar, fluisterde de prins.
—Er komen dagen van groote smart voor het Imperiaal... begon de dokter
weêr, zacht. Uwe Hoogheid moet aan die dagen denken, zonder zich te
laten meêsleepen door de smart ervan... De kleine prins zal
waarschijnlijk niet blijven leven, Hoogheid. Zal Zij daaraan denken en
denken aan Hare ouders, Hunne arme Majesteiten? Er zijn van die dagen
voor een land of voor een enkele familie, waarin de smart zich schijnt
opeen te stapelen. Want deze dag, deze nacht schijnt die niet het einde
van Uw geslacht, mijn prins? Stil, stil en beweeg U niet; laat mij maar
praten, als een oude man, die zeurt... Weet Uwe Hoogheid, dat de keizer
vandaag voor het eerst van zijn heele leven geweend heeft, gesnikt?
Zijn jongste zoon sterft. Tusschen dit kind en den vader is een oudste
zoon, die zwaar, zwaar ziek is... Is dit alles niet het einde?
—Als God het dan zoo wil... fluisterde Othomar.
—Is het goed te berusten, sprak Barzia. Maar wil God het zoo?
—Wie zal het ons zeggen...
—Vraagt het eens aan Uzelven, maar nu niet, Hoogheid, morgen, morgen...
Na de smartelijkste nachten... komen weêr de morgens...
De professor was opgestaan en had een poeier in een glas water gemengd.
—Drink eens, Hoogheid...
Othomar dronk.
—En ga nu stil liggen en sluit die groote oogen.
—Ik kan toch niet slapen...
—Dat hoeft ook niet, maar sluit die oogen...
Barzia streek met de hand over ze heen; de prins hield ze toe. Zijne
hand lag weêr in de hand van den professor.
Eene suizelooze stilte daalde neêr in de kamer. Buiten, in de galerijen
en corridors, kwamen soms radelooze stappen aan, als uit de verte, in
nuttelooze haast; dan verklonken ze weêr weg, in wanhoop. Eene wereld
van smart scheen zich in het paleis, daar buiten die kamer, uit te
breiden, tot ze alle ruimten er van vulde met haar donker, nachtelijk
wee. Maar in deze ééne kamer verroerde zich niets. De professor zat
stil en staarde vol nadenken: de kroonprins was als een kind
ingeslapen.