Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw
van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen
over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog
heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken
der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur,
half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte
uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in
straten en op pleinen.
Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden een kou
gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer
en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de
kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen
tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de
ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera
en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag.
Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest,
met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen
indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate,
fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het
onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen
opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs
ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die
zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden
hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook,
men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad,
dan door het land.
Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de
keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de
doktoren, die hem in zijn bedje hielden.
Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de
doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed;
hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken
kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.
—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, die hem eerst bestraft
had; zal ik je iets geven.
—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.
—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet
tegenstribbelen.
—En wat krijg ik dan?
Othomar zag hem lang aan.
—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.
—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat
groot voor je.
—Wat dan; een paard?
—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er
niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan
wordt je beter en dan krijg je het.
—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot... peinsde Berengar met
gloeiende wangen.
Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer
terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding;
als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van
wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam
een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met
een plotselinge impulsie.
—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen...
De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet
verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid
voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De
kamerheer diende hem aan.
Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.
—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.
—Neen, je stoort me niet... Ben je bij mama geweest?
—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.
De keizer zag hem aan.
—Erger dan van morgen?
—Ik weet niet; hij gloeide nog al...
De keizer stond op.
—Heb je me te spreken?
—Ja papa.
—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.
Hij ging, liet de deur aanstaan.
Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote
kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met
den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer
bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne
oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets
bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.
—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me
toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?
Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.
—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van
zijne stem weifelde. Mama is bij hem...
In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op,
dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin,
zelve lijdende, bij hem was.
—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins
zwijgen bleef.
—Over Berengar, papa.
—Over Berengar?
—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs,
wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft
van... u... en van onze voorvaderen?
—Waar wil je naar toe, Othomar?
—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms
onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren
worden en dan mij... of mij maar zelfs niet.
—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?
—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer
vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn
natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel
recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al
mijn rechten.
—De jongen is gek, mompelde Oscar.
—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de
toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.
—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.
—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien
overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij... Wat ik u zeg, heb
ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet
tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in... En wat ik u zeg staat vast;
ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen... Ik hoû
van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij
gelukkig wordt door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat
Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor
talenten voor...?
Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering,
die ze schokte.
—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik
kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand
zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer
dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers
niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur... Papa,
ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik... ik zal wel leven
als het moet...
De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem
aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.
—Je meent dat alles? vroeg hij.
—Ja papa.
—Je ijlt niet?
—Neen papa, ik ijl niet.
—Dan ben je gek.
De keizer stond op.
—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot
je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.
—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn,
dat Berengar beter zou zijn dan ik?
De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.
—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk...
—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil
doen, ten behoeve van hem?
—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.
—Welke is de wet, die het verbiedt?
—Mijn wil, Othomar.
De prins hief zich hoog op.
—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan
alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht
heeft en u wilt, u wilt niet, dat ik afstand doe? En u denkt, dat ik me
neêr zal leggen bij dien wil...?
Hij stiet een heeschen lach uit.
—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil
doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan
kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil,
papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven
ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragen wil!
De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in
Othomars gezicht.
—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden.
Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er
nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de
zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent
niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in
een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen
afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor
je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je
van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw
verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet,
waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem
toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je
moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van
de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig
het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder... je eerder kunnen
vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!
Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit
geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef
hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.
—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoon niet
van een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat
ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me
hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je
fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je
voelt zelfs niet, dat je een laagheid hebt bedacht, de laagheid van een
proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen
oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid.
Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan
goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat je mij met die
lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden...!
Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer
onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer
op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem
de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de
beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en
schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg
de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte
en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de
dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles
werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij
wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne
schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed...
Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van
verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een
revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne
hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was
opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte
zijne hand uit en greep het pistool...
Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden
en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar
zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die
gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging... het laatste heil voor den
paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe.
Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol,
het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn
eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen...
—Othomar! brulde de keizer.
Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in
de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer,
ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open...
—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit
oogenblikkelijk bij prins Berengar komt...
Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor.
De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen
pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van
strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.
—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg
u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u
binnenkwam... is niet gebeurd.
Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.
—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik
ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den
onze!
Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.
—Mijn God! Sire...
—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier
binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!
—Sire...
—Wat? Spreek op!
—Hare Majesteit...
—Wat, Hare Majesteit?
—Prins Berengar... de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de
doktoren...
De keizer was verbleekt.
—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.
—Niet dood, Sire, maar...
—Maar wat?
—Maar de doktoren... hebben geen hoop...
Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte
zich voort, de kamer uit.
De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene
werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen
vol tranen.
—Xardi... smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me,
dat je zwijgen zal.
In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.
—Hoogheid...
—Zweer me, Xardi.
—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne
vingers uit naar het crucifix, aan den muur.
Othomar drukte zijne hand.
—Is prins Berengar...
Hij kon nauwelijks spreken.
—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden...?
—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt...
—Ik ga er heen, sprak Othomar.
Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het,
dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.
In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin
naar hem. Xardi stond even stil.
—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht
iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij
schrikte: twee schoten gingen af.
—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.
—Er was bijna een ongeluk gebeurd...
Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep
over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te
dalen over het paleis.
—En... de kleine prins...? vroeg de kamerheer rillende.
Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren
liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.
—Sterft... sprak hij dof.