V.

Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw

van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen

over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog

heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken

der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur,

half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte

uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in

straten en op pleinen.

Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden een kou

gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer

en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de

kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen

tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de

ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera

en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag.

Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest,

met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen

indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate,

fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het

onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen

opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs

ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die

zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden

hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook,

men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad,

dan door het land.

Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de

keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de

doktoren, die hem in zijn bedje hielden.

Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de

doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed;

hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken

kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.

—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, die hem eerst bestraft

had; zal ik je iets geven.

—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.

—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet

tegenstribbelen.

—En wat krijg ik dan?

Othomar zag hem lang aan.

—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.

—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat

groot voor je.

—Wat dan; een paard?

—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er

niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan

wordt je beter en dan krijg je het.

—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot... peinsde Berengar met

gloeiende wangen.

Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer

terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding;

als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van

wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam

een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met

een plotselinge impulsie.

—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen...

De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet

verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid

voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De

kamerheer diende hem aan.

Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.

—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.

—Neen, je stoort me niet... Ben je bij mama geweest?

—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.

De keizer zag hem aan.

—Erger dan van morgen?

—Ik weet niet; hij gloeide nog al...

De keizer stond op.

—Heb je me te spreken?

—Ja papa.

—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.

Hij ging, liet de deur aanstaan.

Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote

kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met

den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer

bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne

oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets

bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.

—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me

toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?

Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.

—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van

zijne stem weifelde. Mama is bij hem...

In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op,

dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin,

zelve lijdende, bij hem was.

—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins

zwijgen bleef.

—Over Berengar, papa.

—Over Berengar?

—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs,

wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft

van... u... en van onze voorvaderen?

—Waar wil je naar toe, Othomar?

—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms

onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren

worden en dan mij... of mij maar zelfs niet.

—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?

—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer

vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn

natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel

recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al

mijn rechten.

—De jongen is gek, mompelde Oscar.

—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de

toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.

—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.

—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien

overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij... Wat ik u zeg, heb

ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet

tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in... En wat ik u zeg staat vast;

ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen... Ik hoû

van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij

gelukkig wordt door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat

Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor

talenten voor...?

Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering,

die ze schokte.

—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik

kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand

zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer

dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers

niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur... Papa,

ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik... ik zal wel leven

als het moet...

De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem

aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.

—Je meent dat alles? vroeg hij.

—Ja papa.

—Je ijlt niet?

—Neen papa, ik ijl niet.

—Dan ben je gek.

De keizer stond op.

—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot

je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.

—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn,

dat Berengar beter zou zijn dan ik?

De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.

—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk...

—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil

doen, ten behoeve van hem?

—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.

—Welke is de wet, die het verbiedt?

—Mijn wil, Othomar.

De prins hief zich hoog op.

—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan

alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht

heeft en u wilt, u wilt niet, dat ik afstand doe? En u denkt, dat ik me

neêr zal leggen bij dien wil...?

Hij stiet een heeschen lach uit.

—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil

doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan

kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil,

papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven

ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragen wil!

De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in

Othomars gezicht.

—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden.

Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er

nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de

zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent

niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in

een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen

afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor

je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je

van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw

verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet,

waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem

toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je

moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van

de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig

het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder... je eerder kunnen

vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!

Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit

geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef

hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.

—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoon niet

van een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat

ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me

hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je

fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je

voelt zelfs niet, dat je een laagheid hebt bedacht, de laagheid van een

proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen

oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid.

Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan

goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat je mij met die

lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden...!

Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer

onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer

op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem

de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de

beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en

schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg

de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte

en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de

dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles

werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij

wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne

schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed...

Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van

verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een

revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne

hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was

opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte

zijne hand uit en greep het pistool...

Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden

en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar

zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die

gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging... het laatste heil voor den

paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe.

Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol,

het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn

eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen...

—Othomar! brulde de keizer.

Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in

de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer,

ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open...

—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit

oogenblikkelijk bij prins Berengar komt...

Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor.

De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen

pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van

strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.

—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg

u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u

binnenkwam... is niet gebeurd.

Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.

—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik

ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den

onze!

Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.

—Mijn God! Sire...

—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier

binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!

—Sire...

—Wat? Spreek op!

—Hare Majesteit...

—Wat, Hare Majesteit?

—Prins Berengar... de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de

doktoren...

De keizer was verbleekt.

—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.

—Niet dood, Sire, maar...

—Maar wat?

—Maar de doktoren... hebben geen hoop...

Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte

zich voort, de kamer uit.

De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene

werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen

vol tranen.

—Xardi... smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me,

dat je zwijgen zal.

In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.

—Hoogheid...

—Zweer me, Xardi.

—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne

vingers uit naar het crucifix, aan den muur.

Othomar drukte zijne hand.

—Is prins Berengar...

Hij kon nauwelijks spreken.

—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden...?

—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt...

—Ik ga er heen, sprak Othomar.

Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het,

dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.

In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin

naar hem. Xardi stond even stil.

—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht

iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij

schrikte: twee schoten gingen af.

—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.

—Er was bijna een ongeluk gebeurd...

Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep

over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te

dalen over het paleis.

—En... de kleine prins...? vroeg de kamerheer rillende.

Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren

liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.

—Sterft... sprak hij dof.

Majesteit · 第 41 / 52 题