Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten
van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem
en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te
hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten
zouden plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen
gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom,
officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die
van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de
kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden
die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der
keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de
keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van
den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een
kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur...
Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort
geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch
neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort,
alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in
een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der
strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn
principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van
Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn
energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van
het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet
ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te
irriteeren.
Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig
geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist
hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets
gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren
zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand
doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van
zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van
Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn
vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich
geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had
kúnnen besparen, wat zoû zij er niet voor willen opofferen! Maar was
hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen, en zich fier op te
richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem
maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen
kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs
had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen
verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem
had doen neêrzakken... En toch voelde zij, dat er eene geheime veer
bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel
hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de
reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat
aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence
van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele
druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van
neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne
ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in
hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid
van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den
aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen
twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of
schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als
zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had,
was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóo neêrgeslagen als
zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van
eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo
hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit
monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die
gebaard heeft?
Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met
Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop.
De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van
het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij
daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om
klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk
mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met
zulke overtuiging, kwam, als eene uitstorting van heiligen geest, eene
berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond
haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet
en goed is... Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de
vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand
deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde,
ondoorzienbare goedheid...!
Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den
keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich
terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar
zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar
weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid
zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem
in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen
zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was
niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element,
dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht
Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne
Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid,
iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament,
héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te
bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid
terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing,
totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht
gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend.
Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en
hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste
vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door
fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het
delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen.
Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze
fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor
vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat
hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in
eens zoo lief was geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze
periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht,
onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem
onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen,
of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren,
Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo
hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem
genezen kon...
Othomar zelve dacht niet over zijn deugden, noch over zijn bloed: hij
dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur
aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust
den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de
professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad.
Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de
prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op
aan...
Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel
niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en
zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde
kunnen beoordeelen.
En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin
over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de
keizerin sprak er ook niet over en hoopte.
Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een
wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het
niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn
kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden...
De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij
zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een
miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.
Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een
wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie?
Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden
hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St.
Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn
ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit
een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was
er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel
geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk
geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat
hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû
het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig
weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het
een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van
zich wierp, en achterdocht koesteren...
Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar
voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes,
hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende
Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur
bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van
zijne lessen, die begonnen.
En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem
te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en
wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen,
dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper
had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van
een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende
werken over historie en sociologie...