IV.

Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten

van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem

en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te

hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten

zouden plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen

gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom,

officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die

van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de

kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden

die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der

keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de

keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van

den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een

kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur...

Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort

geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch

neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort,

alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in

een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der

strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn

principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van

Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn

energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van

het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet

ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te

irriteeren.

Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig

geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist

hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets

gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren

zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand

doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van

zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van

Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn

vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich

geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had

kúnnen besparen, wat zoû zij er niet voor willen opofferen! Maar was

hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen, en zich fier op te

richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem

maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen

kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs

had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen

verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem

had doen neêrzakken... En toch voelde zij, dat er eene geheime veer

bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel

hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de

reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat

aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence

van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele

druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van

neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne

ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in

hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid

van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den

aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen

twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of

schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als

zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had,

was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóo neêrgeslagen als

zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van

eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo

hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit

monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die

gebaard heeft?

Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met

Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop.

De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van

het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij

daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om

klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk

mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met

zulke overtuiging, kwam, als eene uitstorting van heiligen geest, eene

berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond

haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet

en goed is... Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de

vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand

deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde,

ondoorzienbare goedheid...!

Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den

keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich

terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar

zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar

weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid

zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem

in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen

zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was

niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element,

dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht

Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne

Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid,

iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament,

héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te

bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid

terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing,

totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht

gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend.

Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en

hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste

vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door

fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het

delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen.

Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze

fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor

vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat

hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in

eens zoo lief was geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze

periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht,

onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem

onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen,

of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren,

Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo

hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem

genezen kon...

Othomar zelve dacht niet over zijn deugden, noch over zijn bloed: hij

dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur

aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust

den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de

professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad.

Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de

prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op

aan...

Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel

niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en

zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde

kunnen beoordeelen.

En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin

over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de

keizerin sprak er ook niet over en hoopte.

Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een

wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het

niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn

kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden...

De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij

zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een

miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.

Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een

wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie?

Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden

hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St.

Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn

ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit

een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was

er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel

geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk

geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat

hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû

het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig

weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het

een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van

zich wierp, en achterdocht koesteren...

Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar

voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes,

hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende

Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur

bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van

zijne lessen, die begonnen.

En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem

te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en

wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen,

dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper

had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van

een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende

werken over historie en sociologie...

Majesteit · 第 40 / 52 题